Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL8848

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
200.055.315
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0681, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; artikel 13 lid 7 van de Uitvoeringswet bij het Verdrag internationale kinderontvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.055.315

(rekestnummer rechtbank FA RK 09-9511, zaaknummer 352593)

beschikking van de familiekamer van 19 februari 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te ’s-Hertogenbosch,

en

De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken,

van het Ministerie van Justitie belast met de taak van

Centrale Autoriteit,

zetelende te 's-Gravenhage,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de Centrale Autoriteit",

optredend zowel voor zichzelf als voor

[de vader],

wonende in [woonplaats], Guatemala,

verder te noemen "de vader",

advocaat van de vader: mr. R. de Falco te Amsterdam.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, van 7 januari 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschriften, ingekomen ter griffie van het hof ‘s-Gravenhage op 19 januari 2010, en ingekomen ter griffie van het hof Amsterdam op 22 januari 2010, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat het verzoek van de Centrale Autoriteit om [het kind] terug te geleiden naar de plaats van het gewone verblijf in Guatemala wordt afgewezen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 februari 2010, heeft de Centrale Autoriteit het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De Centrale Autoriteit verzoekt het hof de moeder in haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking. De vader heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 25 januari 2010 een aanvullende grief behorende bij het hoger beroepschrift van mr. Boelhouwer van dezelfde datum;

- op 3 februari 2010 een brief van mr. Boelhouwer van 2 februari 2010 met bijlagen;

- op 10 februari 2010 een fax van mr. Boelhouwer van dezelfde datum met als bijlage de zittingsaantekeningen van de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage

2.4 Op 8 februari 2010 is [het kind] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2010 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de Centrale Autoriteit is mr. C.L. Wehrung verschenen. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat Voorts is U. Rossi, tolk in de Italiaanse taal, verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is mr. M.H.C. Pinxteren verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 30 juli 2000 te [plaats], Italië, met elkaar gehuwd.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2001 [het kind], te [plaats], Guatemala, geboren.

3.3 De moeder is rond april 2009 met [het kind] naar Nederland vertrokken. Tot dan was de hoofdverblijfplaats van [het kind] [woonplaats] in Guatemala. [het kind] verblijft thans aan de [adres].

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage op 16 november 2009, heeft de Centrale Autoriteit de rechtbank verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet (wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van de verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen, hierna verder te noemen: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [het kind] te bevelen, althans te bevelen dat de terugkeer van [het kind] vóór een datum als de rechtbank juist acht zal plaatsvinden, waarbij de moeder [het kind] dient terug te brengen naar Guatemala dan wel, indien zij nalaat [het kind] terug te brengen, de rechtbank zal bepalen op welke datum de moeder [het kind] aan de vader zal afgeven zodat de vader [het kind] zelf mee terug kan nemen naar Guatemala.

3.5 Bij verweerschrift, ondertekend op 24 november 2009, heeft de moeder de rechtbank verzocht het verzoek van de Centrale Autoriteit om [het kind] terug te geleiden naar de plaats van het gewone verblijf in Guatemala af te wijzen.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de terugkeer van [het kind] naar Guatemala op 22 februari 2010 gelast en, indien de moeder niet zelf met [het kind] terugkeert, tevens de afgifte van [het kind] aan de vader op 22 februari 2010 bevolen, opdat de vader [het kind] mee terug kan nemen naar Guatemala.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep. Blijkens artikel 13 lid 7 van de Uitvoeringswet moet hoger beroep van een eindbeslissing in zaken van internationale ontvoering van kinderen worden ingesteld binnen twee weken na de dagtekening van die beslissing Tussen partijen is niet in geschil dat het hoger beroepschrift op 19 januari 2010 bij het hof te ’s-Gravenhage is ingediend en, zoals blijkt uit het dossier, op 22 januari 2010 is ingekomen bij het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. Het beroepschrift is aldus te laat ingekomen bij het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. Het hof acht deze termijnoverschrijding desalniettemin verschoonbaar. De onderhavige zaak is in eerste aanleg behandeld door rechtbank ’s-Gravenhage als nevenzittingsplaats van rechtbank Utrecht. Nu de moeder binnen de termijn hoger beroep heeft ingesteld bij het gerechtshof ’s-Gravenhage is het hof van oordeel dat de moeder ontvangen dient te worden in haar hoger beroep. Voorts overweegt het hof dat op dit moment een wetsvoorstel “Wijziging van de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale kinderontvoering in verband met het afstoten van de procesvertegenwoordigende bevoegdheid van de Centrale autoriteit” voorligt aan de Raad van State, waarin onder meer wordt voorgesteld zaken als de onderhavige te concentreren bij gerechtshof ’s-Gravenhage. Daarbij komt dat uit de processtukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling blijkt dat de Centrale Autoriteit en de vader binnen de beroepstermijn op de hoogte waren van de omstandigheid dat de moeder hoger beroep had ingesteld. Ter mondelinge behandeling hebben zij beiden verklaard dat zij ervan uitgaan dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Op al deze gronden is het hof van oordeel dat de moeder ontvangen dient te worden in haar hoger beroep.

Het aanvullend hoger beroepschrift met grief 6 is buiten de voormelde beroepstermijn ingekomen ter griffie van het hof. De Centrale Autoriteit heeft tegen de niet-tijdige indiening bezwaar gemaakt. Het hof zal grief 6 buiten beschouwing laten als tardief nu de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan het beroepschrift worden aangevoerd en niet is gesteld of gebleken dat op deze in beginsel strakke regel onder de voorliggende omstandigheden een uitzondering moet worden gemaakt, mede gelet op de in het verdrag, onder meer de artikelen 2 en 11 lid 2, voorziene snelle procedure. Voor zover grief 6 en de toelichting daarop evenwel een aanvulling vormen op de tijdig ingediende grieven zal het hof hier acht op slaan.

4.2 Tussen partijen is in geschil of de overbrenging van [het kind] naar Nederland ongeoorloofd is en of [het kind] moet worden teruggeleid naar Guatemala.

4.3 Toepasselijk op het in hoger beroep voorliggende verzoek en de beantwoording van de daarmee samenhangende vragen zijn het Verdrag betreffende de Burgerrechtelijke Aspecten van Internationale Ontvoering van Kinderen (25 oktober 1980, Trb. 1987, 139), verder te noemen: “het verdrag”., waarbij zowel Nederland als Guatemala verdragsstaten zijn, en de Uitvoeringswet.

4.4 Ingevolge artikel 3 lid 1 van het verdrag wordt het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:

a. dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had, en

b. dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Het onder a bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van die Staat (lid 2).

4.5 Ingevolge het bepaalde van artikel 5 van het verdrag omvat het gezagsrecht het recht dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht over zijn verblijfplaats te beslissen. Op grond van artikel 2 van de Verordening (EG) 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis) wordt onder gezagsrecht verstaan de rechten en verplichten die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen.

4.6 Ingevolge artikel 15 van het verdrag kunnen de rechterlijke of administratieve autoriteiten van een verdragssluitende staat, alvorens de terugkeer van het kind te gelasten, verlangen dat de verzoeker een beslissing of verklaring van de autoriteiten van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, overlegt, waarin wordt vastgesteld dat de overbrenging of het niet doen terugkeren ongeoorloofd was in de zin van artikel 3 van het Verdrag, voor zover een dergelijke beslissing of verklaring in die Staat kan worden verkregen. Vooropgesteld dient te worden dat met artikel 15 van het Verdrag is beoogd de rechter van de aangezochte staat beter en gemakkelijker in staat te stellen te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van artikel 3 van het verdrag. De vraag in hoeverre de rechter van de aangezochte staat aan die vaststelling gebonden is, kan slechts aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval worden beantwoord. Daarbij is in aanmerking te nemen dat het de rechter van de aangezochte staat is die op het verzoek tot het geven van een bevel tot teruggeleiding moet beslissen en daartoe zelfstandig moet vaststellen of is voldaan aan de vereisten voor toewijsbaarheid van dat verzoek, en de ingevolge artikel 15 gegeven beslissing of verklaring is daarbij slechts een hulpmiddel. Het gewicht daarvan zal afhangen van de autoriteit die de verklaring heeft afgegeven en de materie waarop zij betrekking heeft. Waar het gaat om de rechtsregels van het land van de gewone verblijfplaats zal aan de verklaring groter - en veelal zelfs doorslaggevend - gewicht toekomen dan waar het gaat om een beoordeling van feitelijke kwesties. Vooral bij de beoordeling van feitelijke kwesties zal van belang kunnen zijn of de verklaring is afgegeven in een procedure op tegenspraak (HR 18 maart 2005, LJN AR7440 en HR 25 april 2008, LJN BC8942).

4.7 Ingevolge artikel 12 lid 1 van het verdrag gelast de rechterlijke of administratieve autoriteit van de verdragsluitende onmiddellijke terugkeer van het kind wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 van het verdrag en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit.

4.8 Ingevolge artikel 13 van het verdrag is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 12, de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:

a) de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat

b) er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

Lid 2 bepaalt dat de rechterlijke of administratieve autoriteit eveneens kan weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Ingevolge het derde lid houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.

4.9 Het hof dient eerst te beoordelen of de overbrenging van [het kind] door de moeder naar Nederland ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 van het verdrag. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.10 De moeder en de vader leven sedert 2005 gescheiden van elkaar. Hun huwelijk is nog steeds in stand.

4.11 Blijkens een verklaring van de eerste familierechtbank van Guatemala heeft er op 7 november 2005 een mondelinge behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden en hebben de moeder en de vader een overeenkomst gesloten die onder meer het volgende behelst:

‘RELACION PATERNO FILÍAL: las partes acuerdan: que la menor queda bajo la guarda y custodia de su señora madre, quien se obliga a constituir su domicilio y de su menor hija en la republica de Guatemala (…) en todo caso deberá cada padre contar con la autorización del otro cada vez que la menor viaje.’

In de vertaling die is gevoegd bij het verzoekschrift van de Centrale Autoriteit in eerste aanleg (productie 2) luidt deze tekst in het Nederlands als volgt:

‘VADER-DOCHTER-RELATIE: De partijen komen overeen dat de minderjarige onder het gezag van de vrouw zal vallen. De moeder verplicht zich om met haar minderjarige dochter in de Republiek Guatemala te blijven wonen. (…)Telkens wanneer de minderjarige gaat reizen, dient de ene ouder hiervoor de toestemming te vragen en te verkrijgen van de andere ouder’.

De rechtbank heeft blijkens de genoemde verklaring ingestemd met deze overeenkomst.

4.12 Blijkens productie 8 bij het verzoekschrift in eerste aanleg van de Centrale Autoriteit heeft de rechter voor familiezaken van rechtbank nummer Een te Guatemala bij brief van 4 mei 2006 de algemeen directeur migratiezaken ingelicht over het feit dat [het kind] het land niet mag uitreizen zonder de schriftelijke toestemming daartoe van beide ouders

4.13 Het hof heeft kennisgenomen van het juridisch advies als bedoeld in artikel 15 van het verdrag van het Algemeen Procureurskantoor van de Natie, Raadgevend Orgaan van de Hoogste Instelling te Guatemala. Hierin wordt onder meer het volgende geconcludeerd (weergegeven in de Nederlandse vertaling die is gevoegd bij het verzoekschrift in eerste aanleg van de Centrale Autoriteit):

‘(…)

De echtgenoten [de vader] en [de moeder] hebben hun geschillen voor gelegd aan de Familierechtbank nummer Eén van het departement Guatemala. De zaak is daar behandeld onder nummer 2005-9687 ten overstaan van de tweede rechter. In deze zaak is op 7 november (hof: 2005) een overeenkomst bereikt, waarin werd vastgelegd dat het genoemde meisje, [het kind], onder de hoede en bescherming van haar\moeder zou blijven, en waarbij de moeder de plicht opgelegd kreeg om haar woonplaats te vestigen in de Republiek Guatemala.

(…)

Overeenkomstig de Gualtemateekse wetgeving is er aldus sprake van een overeenkomst die gesloten is ten overstaan van Familierechtbank nummer Eén, waarin werd vastgesteld dat de moeder belast zou worden met de hoede en de bescherming betreffende het meisje. Deze overeenkomst is in onderling overleg met de vader vastgesteld (bilaterale overeenkomst). In overeenstemming met voornoemde overeenkomst dient het meisje bij de moeder te blijven, tenzij de wederpartij opnieuw naar de Familie-rechtbanken stapt. De overeenkomst heeft immers rechtskracht. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vader van de minderjarige, [de vader], het ouderlijk gezag niet heeft verloren. Conform de wet wordt dit gezag immers door beide ouders uitgeoefend. Het is echter duidelijk dat mevrouw [de moeder] de gesloten overeenkomst niet is nagekomen. Enerzijds heeft zij zich ertoe verplicht woonplaats te kiezen in deze stad en anderzijds is zij in gezelschap van de minderjarige [dochter] het land uitgereisd terwijl zij geen toestemming of machtiging daartoe had van de [vader].

(…)

Deze overeenkomst over de vader-kind relatie die tussen de partijen is gesloten (…) betreft duidelijk een zaak die uitsluitend toekomt aan een dergelijke rechtbank, zoals ook is vastgesteld in de principes betreffende een behoorlijk proces. De partijen hebben immers vrijwillig ingestemd met de voorwaarden die vastgesteld werden om het geschil af te doen betreffende de zaak die aanvankelijk was ingesteld. Daarnaast heeft de rechter, waarbij deze gebruik maakte van zijn of haar bevoegdheden, de overeenkomst goedgekeurd aangezien de inhoud hiervan niet onverenigbaar was met de wetten, en aangezien werd vastgesteld dat hierin rekening was gehouden met zowel de belangen van de moeder als met die van haar minderjarige dochter’.

(…)

4.14 Het hof heeft verder kennisgenomen van de legal opinion van Pablo Adolfo Leal Oliva, advocaat en notaris in Guatemala, die zowel in het Spaans als in de Nederlandse vertaling is gevoegd bij het verzoekschrift in eerste aanleg van de Centrale Autoriteit. Leal Oliva concludeert dat hoewel in de overeenkomst is afgesproken dat [het kind] onder het gezag of de zorg van de moeder valt, dit conform de Gualtemateekse wet niet betekent dat de vader het ouderlijk gezag is kwijtgeraakt en dat de vader nog steeds het recht heeft om dit ouderlijk gezag zonder enige beperking uit te oefenen.

4.15 Ook in de artikelen 252-277 van het Gualtemateekse Burgerlijk Wetboek die zowel in het Spaans als in de Nederlandse vertaling zijn overgelegd bij het verzoekschrift in eerste aanleg van de Centrale Autoriteit leest het hof dat het ouderlijk gezag over minderjarige kinderen gezamenlijk wordt uitgeoefend door de vader en de moeder wanneer zij gehuwd zijn. Niet blijkt uit deze artikelen dat ouders het gezag kunnen verliezen door een overeenkomst zoals de vader en de moeder hebben gesloten of door de bevestiging van een dergelijke overeenkomst door de rechter.

4.16 Het hof oordeelt op grond van al het vorenstaande dat de vader het ouderlijk gezag niet heeft verloren en dat het gezag over [het kind] door beide ouders wordt uitgeoefend. Nu vaststaat dat de moeder geen toestemming van de vader had om [het kind] naar Nederland over te brengen moet worden geoordeeld dat de overbrenging van [het kind] in strijd is met het gezagsrecht en aldus ongeoorloofd is als bedoeld in artikel 3 van het verdrag.

4.17 Het hof overweegt bovendien dat ook als de moeder het eenhoofdig gezag over [het kind] zou hebben, dan nog uit genoemde beschikking van 7 november 2005 blijkt dat de vader en de moeder overeengekomen zijn dat de moeder zich verplicht om haar woonplaats en die van [het kind] te behouden in Guatemala en dat de ene ouder van de andere ouder telkens wanneer [het kind] gaat reizen toestemming dient te hebben . Ook in dat geval is er naar het oordeel van het hof sprake van ongeoorloofde overbrenging, mede in het licht van het bepaalde in artikel 5 sub a van het verdrag.

4.18 Vervolgens ligt voor de vraag of de moeder heeft aangetoond dat [het kind] bij terugkeer een ernstig risico loopt te worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het verdrag.

4.19 Met de rechtbank overweegt het hof dat doel en strekking van het verdrag met zich brengen dat deze weigeringgrond restrictief moet worden uitgelegd.

Met de rechtbank is het hof verder van oordeel dat, mede gelet op deze restrictieve uitleg, de algemene situatie in Guatemala niet zo onveilig is dat terugkeer van [het kind] reeds hierom niet kan worden gelast. Uit de talrijke door de moeder overgelegde stukken blijkt weliswaar dat er in Guatemala aanzienlijk meer geweldsmisdrijven worden gepleegd dan in Nederland, maar hieruit volgt nog niet dat [het kind] zal worden blootgesteld aan gevaar zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het verdrag. Ook hetgeen de moeder hieromtrent in hoger beroep nog ter aanvulling heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, aangezien ook daaruit niet blijkt van een concrete bedreiging van [het kind].

4.20 De moeder stelt voorts dat [het kind] persoonlijk een verhoogd veiligheidsrisico loopt als westerse (jonge) vrouw en in het bijzonder als kind van een vermogend, niet onbesproken, industrieel. Volgens de moeder is de vader aangeklaagd in verband met omstreden aandelentransacties en zijn hij en zijn familie om die reden al meermalen ernstig bedreigd. Daarnaast stelt de moeder dat de broer van de vader is beschoten en dat brand is gesticht bij het bedrijf van de vader. De vader heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Het hof is van oordeel dat de moeder tegenover deze gemotiveerde betwisting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een ernstig risico bestaat dat [het kind] persoonlijk wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.

4.21 Voor zover de moeder opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat zij in Guatemala dient te procederen over de vaste verblijfplaats van [het kind], verwerpt het hof deze grief. Hetgeen door de moeder in algemene zin is aangevoerd omtrent het strafrechtelijk systeem aldaar heeft geen doorslaggevende betekenis voor de onderhavige zaak. Niet gebleken is immers dat de rechten van de moeder en het kind bij de (civiele/familie)rechter in Guatemala onvoldoende zijn gewaarborgd.

4.22 Voor zover de moeder in hoger beroep heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 13 lid 2 van het verdrag, kan dit beroep niet slagen. Het hof oordeelt, gelet op het verhoor van [het kind], dat zij niet kan overzien wat de draagwijdte en consequenties zijn van enige beslissing in deze zaak en nog niet de mate van mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, van 7 januari 2010.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.F.J.N. van Osch en S.M. Evers, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2010.