Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL8543

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
200.020.393/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5332, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR5457, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR5457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigenaar (gemeente Amsterdam) vordert met het oog op herontwikkeling ontruiming van terrein dat in gebruik is bij Hell's Angels. In eerste aanleg doen Hell's Angels beroep op een bruikleenovereenkomst, waarvan het bestaan door de gemeente wordt erkend. Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen een bruikleenovereenkomst bestaat die rechtsgeldig is opgezegd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. De gemeente heeft gelet op haar herontwikkelingsplannen belang bij ontruiming. De gemeente is niet gehouden een alternatieve locatie aan te bieden omdat daartoe geen toezegging is gedaan. Het hoger beroep van Hell's Angels daartegen wordt afgewezen. De gemeente is gehouden de herbouwkosten van een door brand verwoeste opstal te vergoeden omdat het risico voor een dergelijke opstal bij de eigenaar ligt. Dat partijen beoogden dat de opstal aan The Hell's Angels zou worden overgedragen doet daaraan niet af. Het incidenteel beroep van de gemeente tegen dat oordeel wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 maart 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting

STICHTING HELL’S ANGELS AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam;

APPELLANTE IN PRINCIPAAL BEROEP,

VERWEERDER IN INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken, te Amsterdam,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTE IN INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat : mr. B.R. ter Haar, te Amsterdam.

1. het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna ook de Stichting en de gemeente genoemd.

Bij dagvaarding van 12 september 2008 is de Stichting in hoger beroep gekomen van het vonnis van de ¬rechtbank Amsterdam van 25 juni 2008, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 377360/HA ZA 07.2303 gewezen tussen de gemeente als eiseres en de Stichting als gedaagde.

Bij memorie heeft de Stichting acht grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, in conventie (primair) de gemeente in haar vorderingen niet zal ontvangen danwel deze zal afwijzen en (subsidiair) de zaak zal verwijzen naar een andere rechtbank, en voorts de reconventionele vorderingen zal toewijzen met veroordeling van de gemeente in de proceskosten van beide instanties.

Bij memorie heeft de gemeente de grieven bestreden en harerzijds een incidentele grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, in principaal appel het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van de Stichting in de proceskosten van het hoger beroep en voorts in het incidenteel appel het bestreden vonnis te vernietigen voor zover de gemeente daarbij in reconventie is veroordeeld tot vergoeding van de door de Stichting gemaakte kosten van het voorlopige clubgebouw, nader op te maken bij staat, en de Stichting te veroordelen in de proceskosten van beide instanties in het principaal appel en van het hoger beroep in het incidenteel appel.

Bij memorie in het incidenteel appel heeft de Stichting geantwoord, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de gemeente zal afwijzen en de gemeente zal veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder rechtsoverweging 2.a. tot en met 2.h. een aantal feiten vermeld. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1 Het hof beoordeelt de zaak als volgt.

3.2 In deze zaak gaat het om een aantal terreinen aan de H.J.E. Wenckebachweg te Amsterdam. In het bestreden vonnis onder 2.a. is een luchtfoto opgenomen waarop een terrein van 4.410 m2 (verder: terrein A) gearceerd is weergegeven. Op dezelfde luchtfoto is voorts zichtbaar een –met stip- en kruisarcering gemarkeerd- terrein van 590 m2 (verder: terrein B), dat door terrein A wordt omsloten. Naast dit terrein ligt een terrein van 630 m2 (verder; terrein C), door de rechtbank diagonaal gearceerd op de onder 26 in het bestreden vonnis opgenomen luchtfoto. Terrein A en terrein C zullen hierna ook gezamenlijk worden aangeduid als het terrein.

3.3 Op terrein B is het clubhuis van de Stichting (verder: het gebouw) geplaatst. Bij vonnis van 24 juli 1997 heeft de fungerend president van de rechtbank te Amsterdam de gemeente veroordeeld medewerking te verlenen aan de overdracht van het gebouw en aan de vestiging van een opstalrecht ten behoeve van het gebouw ten gunste van de Stichting. Het gebouw is op 24 mei 2002 afgebrand, waarna de Stichting met een tijdelijke vergunning -tot 1 oktober 2003- een vervangend clubgebouw heeft opgericht.

3.4 De gemeente wil het gebied Wespertrekvaart-Noord, waarvan het terrein deel uitmaakt, ontwikkelen. De gemeente heeft in verband daarmee op 21 december 2006 aan de Stichting meegedeeld dat zij het gebruik van het terrein wenst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. De gemeente heeft daarbij de Stichting gesommeerd het terrein per 1 mei 2007 ontruimd aan de gemeente op te leveren. Aan die sommatie is niet voldaan.

3.5 De gemeente heeft daarop de Stichting gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en, kort gezegd, ontruiming van het terrein gevorderd. Bij brief van 24 april 2008 heeft de gemeente aan de Stichting ontruiming aangezegd tegen 14 november 2008 en daaraan beëindiging van een tussen de gemeente en de Stichting gesloten bruikleenovereenkomst ten grondslag gelegd. De gemeente heeft bij antwoordakte na comparitie haar eis gewijzigd en primair naast ontruiming ook verklaring voor recht gevorderd dat tussen de gemeente en de Stichting een bruikleenovereenkomst is totstandgekomen met betrekking tot terrein A en C en dat deze overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd en geëindigd bij genoemde brief van 24 november 2008. De primaire vorderingen van de gemeente zijn bij het bestreden vonnis toegewezen. In reconventie heeft de Stichting onder meer, kort gezegd, gevorderd dat de gemeente veroordeeld wordt de kosten, nader op te maken bij staat, te vergoeden van het na de brand op 24 mei 2002 opgerichte voorlopige clubgebouw. Die vordering is toegewezen.

In het principaal appel:

3.6 Met grief 1 heeft de Stichting bestreden dat tussen partijen een bruikleenovereenkomst bestaat met betrekking tot het terrein en dat zij het bestaan daarvan heeft erkend.

3.7 In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat tussen partijen sprake is van een bruikleenovereenkomst met betrekking tot het terrein. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen nadat de Stichting zelf dit standpunt uitdrukkelijk had ingenomen ter comparitie en in een daarna genomen akte. De gemeente heeft het bestaan van een bruikleenovereenkomst aanvankelijk bestreden. Op basis van het proces-verbaal van comparitie op 14 maart 2008 moet worden aangenomen dat de Stichting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk heeft gesteld dat sprake is van een bruikleenovereenkomst. Bij akte na genoemde comparitie, door de Stichting genomen op 16 april 2008, is door de Stichting uitdrukkelijk bevestigd dat het terrein door de gemeente aan haar in gebruik is gegeven.

3.8 Uit de stellingen van partijen volgt daarnaast dat de gemeente bekend was met het gebruik door de Stichting van het terrein en het terrein jarenlang door de Stichting heeft laten gebruiken, zonder daartegen op te treden, en dat de gemeente ook een clubhuis op dat terrein aan de Stichting ter beschikking heeft gesteld. Deze omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat sprake is van een bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de Stichting. Feiten of omstandigheden die maken dat desondanks niet van een bruikleenovereenkomst kan worden gesproken, zijn niet of niet voldoende gesteld of gebleken. Evenmin is er (voldoende) reden om aan te nemen dat er volgens de regels van het publiekrecht geen bruikleenovereenkomst tot stand heeft kunnen komen. Hieruit volgt dat grief 1 niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep kan leiden.

3.9 Met grief 2 maakt de Stichting er bezwaar tegen dat de rechtbank de wijziging van eis door de gemeente heeft toegelaten. Tegen een beslissing uit hoofde van art. 130 Rv. staat krachtens het tweede lid van dat artikel geen hoger beroep open. Het hof komt daarom niet toe aan de bespreking van het bezwaar. Grief 2 faalt.

3.10 Met grief 3 betoogt de Stichting dat de vorderingen van de gemeente hadden moeten woren afgewezen in verband met misbruik van recht. De Stichting stelt daartoe kort gezegd dat de onderhavige procedure is gestart tijdens onderhandelingen over beëindiging van het gebruik. Een en ander is ook in strijd met toezeggingen over een alternatief, op grond waarvan gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. De Stichting stelt voorts dat de onderhavige procedure onderdeel is van een lastercampagne. De gemeente heeft deze stellingen gemotiveerd bestreden:

3.11 Naar het oordeel van het hof zijn onvoldoende concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gebleken waaruit volgt dat namens de gemeente toezeggingen zijn gedaan dat het gebruik van het terrein niet zou worden beëindigd voordat aan de Stichting een alternatief zou worden geboden, of dat de Stichting daaromtrent gerechtvaardigde verwachtingen mocht hebben. Ook het overige dat is aangevoerd of gebleken, is niet van voldoende gewicht om aan te nemen dat de beëindiging van het gebruik in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur of dat die beëindiging anderszins moet worden aangemerkt als misbruik van recht. De grief faalt.

3.12 Grief 4 betreft de vordering van de Stichting tot levering van een alternatief clubgebouw. Volgens de Stichting heeft de gemeente niet voldaan aan haar verplichting om het oude clubgebouw, dat inmiddels is afgebrand, te leveren en dient zij, zoals zij heeft toegezegd, thans een gelijkwaardig clubgebouw op een alternatieve locatie te leveren.

3.13 Voor de stelling dat de gemeente aan de Stichting toezeggingen heeft gedaan of jegens de Stichting verwachtingen heeft gewekt omtrent de terbeschikkingstelling van een alternatieve locatie verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder xx is overwogen. Dat brengt mee dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat de gemeente jegens de Stichting is gehouden tot levering van een clubgebouw op een alternatieve locatie. Ook grief 4 faalt.

3.14 Grief 5 betreft de veroordeling van de Stichting tot ontruiming van het terrein. Uit het in 3.8 gegeven oordeel volgt reeds dat deze grief niet kan slagen. Dat door ontruiming, zoals de Stichting stelt, clubactiviteiten worden gefrustreerd leidt niet tot een ander oordeel nu dergelijke omstandigheden bij de bepaling van de opzegtermijn zijn meegewogen en mede hebben geleid tot de door de rechtbank bepaalde termijn van twee jaar. Voor zover de Stichting heeft betoogd dat ontruiming zich zou uitstrekken tot het terrein dat in gebruik is bij Van Boxtel en waarop zij geen zeggenschap heeft, is door de gemeente erkend dat dit terrein, dat kennelijk elders is gelegen, niet in deze procedure aan de orde is zodat de Stichting bij dat onderdeel van de grief geen belang heeft.

3.15 Grief 6 ontbreekt.

3.16 Met grief 7 richt de Stichting zich tegen de veroordeling tot ontruiming voor zover deze betrekking heeft op het gedeelte van het terrein dat in gebruik is bij The Hangout, tegen welke vereniging de gemeente een separate procedure voert. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het terrein dat in gebruik is bij The Hangout, evenzeer onderdeel is van het terrein dat door de gemeente aan de Stichting in gebruik is gegeven. De veroordeling strekt zich dan ook terecht uit tot het deel van het terrein dat bij The Hangout in gebruik is. Dat de gemeente een rechtstreekse vordering tot ontruiming jegens The Hangout kan hebben, doet niet af aan de verplichting van de Stichting om de volledige oppervlakte van de terreinen te ontruimen en daartoe, als zij dat nodig oordeelt, maatregelen te treffen jegens The Hangout. Dat geldt evenzeer voor de twee gezinnen die volgens de Stichting op het terrein wonen. Grief 7 slaagt daarom niet.

3.17 Grief 8 verzet zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten van het aanvragen of verlengen van een tijdelijke bouwvergunning niet vallen onder de bouwkosten van het tijdelijke clubgebouw omdat de bedoelde kosten verband houden met bestuursrechtelijk optreden van de gemeente.

3.18 De Stichting heeft in de toelichting op deze grief geen inzicht gegeven in de aard van de kosten waarvan zij meent dat deze voor rekening van de gemeente moeten komen. Voor zover het betreft de kosten voor de verkrijging van een bouwvergunning geldt dat de rechtbank hierover nog geen beslissing heeft genomen. Het hof ziet evenmin aanleiding op dit punt vooruit te lopen op beslissingen in een schadestaatprocedure. Voor zover het betreft de kosten die verband houden met bestuursrechtelijke procedures over het totstandkomen van het clubgebouw, geldt dat die in elk geval niet als schade voor rekening van de gemeente kunnen worden gebracht. De grief dient daarom te worden verworpen.

in het incidenteel appel:

3.19 De gemeente richt haar incidentele grief tegen de toewijzing van de reconventionele vordering strekkende tot vergoeding van de kosten van een nieuw, tijdelijk clubgebouw. Uitgangspunt bij de beoordeling van de grief is dat het risico van een opstal als de onderhavige in beginsel bij de eigenaar, in dit geval de gemeente, ligt. Dat de eigendom van de opstal zou worden overgedragen aan de Stichting en dat daarover tussen partijen was gecorrespondeerd brengt daarin op zichzelf geen verandering. Feiten of omstandigheden die dat in dit geval anders maken, zijn niet of onvoldoende gesteld of gebleken. Het had daarom op de weg van de gemeente gelegen om de opstal, zolang een dergelijke overdracht nog niet had plaatsgevonden, tegen tenietgaan door brand te verzekeren dan wel over genoemd risico andersluidende afspraken te maken met de Stichting althans de Stichting daarover uitdrukkelijk te informeren. Nu dat niet is gebeurd, zal de gemeente de daaruit voortvloeiende schade bestaande uit de kosten van het vervangen van de opstal, op te maken bij staat, moeten vergoeden aan de Stichting. De grief faalt.

In principaal en incidenteel appel:

3.20 De grieven worden alle afgewezen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Gelet op deze uitkomst zal de Stichting worden verwezen in de kosten van het principaal appel, terwijl de proceskosten van het incidenteel appel voor rekening van de gemeente komen.

4. Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam op 25 juni 2008 tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 377360/HA ZA 07.2303;

verwijst –uitvoerbaar bij voorraad- de Stichting in de proceskosten van het hoger beroep in principaal appel, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 303,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris;

verwijst –uitvoerbaar bij voorraad- de gemeente in de proceskosten in incidenteel appel aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot € 447,-- aan salaris, op de voet van artikel 243 Rv. te betalen aan de griffier van dit hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, C.C.W. Lange en J.C. Toorman en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2010 door de rolraadsheer.