Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL8329

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
23-001600-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2242, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord in relationele sfeer.

Verdachte heeft haar partner, tevens de vader van haar twee kinderen, met een vuurwapen om het leven gebracht door hem meermalen door het hoofd te schieten. Verdachte heeft het slachtoffer na de moord in zijn huis achtergelaten om vervolgens dagenlang te zwijgen over hetgeen is gebeurd. Salduz-verweer wordt gehonoreerd hetgeen leidt tot gedeeltelijke bewijsuitsluiting. Afwijzing voorwaardelijk verzoek strekkende tot benoeming van een gedragskundige teneinde de psychische toestand van de verdachte ten tijde van de verhoren te onderzoeken.

Uitgebreide bewijsoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001600-08

datum uitspraak: 5 maart 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-527203-07 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1976,

adres: [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 februari 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij en/of haar mededader(s) op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 8 juni 2007 tot en met 13 juni 2007 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [P] van het leven hebben/heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), vorenbedoelde [P] een of meermalen in/door diens hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [P] is overleden;

Subsidiair:

een tot op heden onbekend gebleven persoon en/of één of meer mededader(s) op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 8 juni 2007 tot en met 13 juni 2007 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachte rade) [P] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die tot op heden onbekend gebleven persoon en/of één of meer mededader(s) met dat opzet (en na kalm en rustig overleg), vorenbedoelde [P] één of meerma(a)l(en) in/door diens hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [P] is overleden bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest;

en/of

een tot op heden onbekend gebleven persoon en/of één of meer mededader(s) op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 8 juni 2007 tot en met 13 juni 2007 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachte rade) [P] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die tot op heden onbekend gebleven persoon en/of één of meer mededader(s) met dat opzet (en na kalm en rustig overleg), vorenbedoelde [P] één of meerma(a)l(en) in/door diens hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [P] is overleden, welk feit zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 13 juni 2007 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Salduz-verweer

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte voorafgaand aan de verhoren door de politie niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen, hetgeen in het licht van de geldende jurisprudentie in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop heeft de raadsman bepleit dat de processen-verbaal, houdende de verklaringen van de verdachte voorzover door haar afgelegd vóórdat zij door haar raadsman is bezocht, te weten de processen-verbaal van het gehele verhoor van 17 juli 2007, alsmede van het deel vanaf 09:00 uur tot 14:53 uur van het verhoor van 18 juli 2007, door het hof van de bewijslevering dienen te worden uitgesloten, aangezien hier sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Nu er geen ander voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, dient de verdachte volgens de verdediging te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 6 EVRM heeft een verdachte recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 27 november 2008, NJ 2009, 214 (inzake Salduz tegen Turkije) geoordeeld dat het recht op een eerlijke behandeling zich uitstrekt tot het recht op rechtsbijstand tijdens het opsporingsonderzoek, waaronder - en met name - het recht op toegang tot een advocaat vanaf de allereerste ondervraging van een verdachte door de politie. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen (Hoge Raad 30 juni 2009, LJN: BH3079). Dit brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en, behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen, de gelegenheid moet worden geboden dat recht te verwezenlijken.

Omtrent de eerste verhoren van de verdachte heeft het hof het volgende vastgesteld.

De verdachte is op 17 juli 2007 te 16:07 uur buiten heterdaad aangehouden. Het eerste verhoor als verdachte door de politie is aangevangen op 17 juli 2007 te 17:04 uur en geëindigd na middernacht op 18 juli 2007 te 03:01 uur. Tijdens dit eerste verhoor is de verdachte op 17 juli 2007 omstreeks 22:00 uur door de hulpofficier van justitie in verzekering gesteld. Het verhoor is de volgende dag om 09:00 uur voortgezet en heeft geduurd tot 14:53 uur. Uit de schriftelijke weergave van de verhoren is af te leiden dat verdachte bij de aanvang van die verhoren steeds is gewezen op haar zwijgrecht. Niet blijkt dat zij is gewezen op haar recht op raadpleging van een advocaat, voorafgaand aan die verhoren, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd. De verdachte heeft eerst op 18 juli 2007 tussen 18:00 en 20:00 uur de gelegenheid gekregen om met een piketadvocaat te overleggen. De verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten verklaringen afgelegd, die als belastend kunnen worden aangemerkt, maar in een later stadium heeft zij haar proceshouding gewijzigd.

Nu de door de raadsman bedoelde verhoren van de verdachte hebben plaatsgevonden zonder dat de verdachte vóór aanvang van het eerste verhoor is gewezen op haar recht op raadpleging van een advocaat en zonder dat haar de gelegenheid daartoe is geboden, is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof dient derhalve te beoordelen of en zo ja, welke rechtsgevolgen aan dat verzuim dienen te worden verbonden.

In voormeld arrest van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2009 (LJN BH 3079) is aangegeven dat op grond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarin van het hier geconstateerde verzuim sprake is, een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, welk verzuim in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat de verdachte een advocaat kon raadplegen.

Het vorenstaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen van 17 juli 2007 en 18 juli 2007 tot 14:53 uur van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Ongeoorloofde druk tijdens de politieverhoren

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat, voorzover het hof het gevoerde ‘Salduz-verweer’ niet zou honoreren, sprake is geweest van ongeoorloofde druk tijdens de verhoren van 17 en 18 juli 2007 en dat om die reden deze verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Nu het hof het gevoerde ‘Salduz-verweer’ heeft gehonoreerd, behoeft het subsidiaire verweer van de verdediging geen verdere bespreking voor zover dit verweer betrekking heeft op de verhoren van 17 juli 2007 en 18 juli 2007 tot 14:53 uur.

Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat op de verdachte ongeoorloofde druk is uitgeoefend tijdens de verhoren van de verdachte die hebben plaatsgevonden na 18 juli 2007 te 14:53 uur en daarom ook die verklaringen van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten, verwerpt het hof het verweer. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van door de verhorende verbalisanten op de verdachte uitgeoefende zodanige druk, dat zij niet in vrijheid heeft kunnen verklaren.

In dit verband heeft de raadsman voorts nog aangevoerd dat de door de verdachte op 17 juli 2007 en 18 juli 2007 afgelegde verklaringen niet kunnen worden opgevat als een bekentenis, aangezien deze verklaringen mogelijk zijn afgelegd in een toestand van dissociatie. De raadsman heeft daartoe verwezen naar een, op verzoek van de verdediging, opgemaakt rapport van C. Vrugteveen, forensisch adviseur. De verdediging heeft voorts verzocht door een gedragsdeskundige naar deze veronderstelde toestand van dissociatie een onderzoek te doen instellen, indien door het hof aan het de conclusies in het rapport van Vrugteveen zou worden voorbijgegaan.

Het hof overweegt hieromtrent dat dit verweer geen bespreking behoeft voor zover het betrekking heeft op de door de verdachte afgelegde verklaringen tijdens de verhoren van 17 juli 2007 en 18 juli 2007 tot 14:53 uur, nu de inhoud van deze verklaringen reeds op andere gronden van het bewijs worden uitgesloten.

Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat deze door Vrugteveen veronderstelde toestand van dissociatie in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van verklaringen die door de verdachte zijn afgelegd na 18 juli 2007 te 14:53 uur overweegt het hof het volgende.

Niet is gebleken dat Vrugteveen als een deskundige in de onderhavige materie valt aan te merken. De door Vrugteveen opgevoerde conclusies zijn dan ook slechts te kwalificeren als veronderstellingen van een leek. Het hof gaat aan deze conclusies voorbij. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman, strekkende tot benoeming van een gedragskundige teneinde de psychische toestand van de verdachte ten tijde van de verhoren te onderzoeken, af, aangezien de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op een tijdstip in de periode van 8 juni 2007 tot en met 9 juni 2007 te Amstelveen opzettelijk en met voorbedachten rade [P] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, vorenbedoelde [P] meermalen in en door diens hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [P] is overleden.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging en bespreking van gevoerde verweren

Het hof gaat uit het volgende.

Op 13 juni 2007 omstreeks 20:00 uur meldt [G] zich op het politiebureau Amstelveen Noord. Hij verklaart dat hij diezelfde dag omstreeks 14:00 uur in het perceel [adres] te [plaats] een stoffelijk overschot heeft aangetroffen. [G] is in het bezit van de sleutels van het huis aan de [adres] nu hij de daar aanwezig weedplantage verzorgt. Een half uur na deze melding gaan enkele verbalisanten naar bovengenoemd adres. Eenmaal binnen treffen de verbalisanten in de slaapkamer, op een matras en gerold in een dekbed, een overleden persoon aan. Deze persoon blijkt later de bewoner van de woning, de 28 jarige [P] te zijn. Onder de deken, op het hoofd van [P], ligt een geperforeerd en aan de onderzijde (de zijde die contact maakt met het hoofd van [P]) met bloed besmeurd kussen.

In het kussensloop zijn vier beschadigingen aangetroffen, waarvan twee beschadigingen vrijwel zeker inschotbeschadigingen zijn die wijzen op een schotafstand tussen de 0 (niet opgezet) en 25 centimeter. Nabij het slachtoffer worden drie hulzen aangetroffen. Uit het obductieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 januari 2008 blijkt dat het achterhoofd van [P] vier perforaties bevat, waarbij het gaat om drie inschoten en één doorschot. Voorts is in de linkerbovenarm van [P] een perforatie aangetroffen. Het intreden van de dood van [P] wordt verklaard door weefselschade en functieverlies van de hersenen. Tevens blijkt uit het obductieverslag dat het slachtoffer reeds een aantal dagen eerder moet zijn overleden.

Een vriend van [P], genaamd [O], heeft op 8 juni 2007 rond 21:00 uur het huis aan de [adres] te [plaats] verlaten. Op dat moment was [P] nog in leven en samen met de verdachte en hun twee kinderen, destijds ruim 1, respectievelijk 6 jaar oud, in de woning aanwezig. In de nacht van 8 op 9 juni 2007 heeft de verdachte veelvuldig telefonisch contact met diverse personen. Dit telefoonverkeer stopt omstreeks 04:29 uur. De verdachte heeft verklaard dat zij na de beëindiging van dit telefoonverkeer is gaan slapen en naast [P] is gaan liggen, in de kamer waarin ook de kinderen sliepen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij op een gegeven moment wakker werd van het gehuil van haar jongste zoon, [V]. Tevens zou zij een geluid hebben gehoord dat zij niet nader kan omschrijven. Het geluid zou lijken op een deur die dichtvalt. Zij lag op dat moment met haar twee zoons en [P] in de slaapkamer. De verdachte stelt dat zij in een soort flits bloed bij het hoofd van [P] zag en in paniek raakte. Zij heeft [V] in de kamer tegenover de slaapkamer gezet en is teruggegaan naar [P] en haar oudste zoon, [D]. De verdachte stelt wederom bloed op het hoofd van [P] te hebben gezien en heeft vervolgens een deken over hem heen gegooid, zodat [D] zijn vader niet zou kunnen zien. Tevens heeft de verdachte verklaard dat ze vermoedde dat er iets heel ernstigs met [P] aan de hand was. Op 9 juni 2007 te 06:42 uur heeft de verdachte met haar broer [H] gebeld met de vraag of hij haar op wil komen halen. Hierop heeft de verdachte naar eigen zeggen enkele spullen ingepakt en is zij in alle haast met haar twee kinderen vertrokken. Dit blijkt ook uit de verklaring van [D] aangezien deze heeft verklaard dat de verdachte bij het verlaten van de woning heeft gezegd dat hij moest opschieten, omdat de politie zo dadelijk zou komen.

De broer van de verdachte heeft haar omstreeks 7:06 uur teruggebeld. Hij heeft verklaard dat hij omstreeks dit tijdstip bij de woning is aangekomen en beneden in de auto op haar en de kinderen heeft gewacht. De verdachte zegt eerst [V] en enkele boodschappentassen naar de auto van haar broer te hebben gebracht en daarna heeft zij [D] opgehaald. Vanaf 8:42 uur peilt de mobiele telefoon van de verdachte uit in de nabijheid van het huis van haar moeder aan de [adres] te [plaats].

Uit het overzicht van het telefoonverkeer met de mobiele telefoon van [P] blijkt dat hij op 8 juni 2007 nog veelvuldig gebruik maakt van zijn mobiele telefoon, maar dat er na die datum geen enkel contact meer plaatsvindt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij vermoedde dat, toen zij in de vroege morgen van 9 juni 2007 bloed op het hoofd van [P] zag, hij niet meer in leven was.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat [P] om het leven is gekomen in de periode tussen 8 juni 2007 te 21:00 uur en 9 juni 2007 rond 7:00 uur.

Voorbedachten rade

Naar het oordeel van het hof is [P] om het leven gebracht door een persoon die handelde met voorbedachten rade. Dat oordeel baseert het hof op het feit dat de dader zich moet hebben voorzien van een vuurwapen, naar het slachtoffer is toegegaan en hem vervolgens van korte afstand meerdere malen door zijn hoofd heeft geschoten. Daarnaast is geen sprake geweest van een worsteling, zodat de dader kennelijk niet in een opwelling heeft gehandeld. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat de dader voorafgaand aan de daad enige bedenktijd heeft gehad. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, wijzen erop dat het slachtoffer in zijn slaap is verrast door iemand die doelbewust heeft gehandeld en hem heeft doodgeschoten. Derhalve is er sprake geweest van moord.

Lezing van de verdachte

Het hof acht de lezing van de gebeurtenissen zoals door de verdachte zijn geschetst niet aannemelijk op grond van het volgende.

Uit het dossier blijkt dat verbalisanten op 14 juni 2007 de verdachte hebben geïnformeerd over het aantreffen van het stoffelijk overschot van [P]. Op dat moment werd de verdachte nog als getuige aangemerkt en heeft zij onder meer een verklaring afgelegd over de sleutels van de woning van het slachtoffer. Zij verklaarde zelf niet in het bezit te zijn van de sleutels van de woning aan de [adres] te [plaats]. De personen die wel over een sleutel beschikten waren het slachtoffer, [G] en de zus van [P]. Ook beschikte de, zich op en rond 8 juni 2007 in Suriname wonende, moeder van het slachtoffer over sleutels van het huis nu de verdachte heeft verklaard dat zij, de verdachte, haar sleutels aan de moeder van [P] heeft gegeven toen de verdachte in het najaar van 2006 in een opvangtehuis verbleef. Tevens heeft de verdachte aangegeven dat [P] bang was voor de buren en dat de deurbel het ook niet deed. Motief hiervoor was de hennepplantage die zich in het huis van het slachtoffer bevond. Het slachtoffer deed, volgens de verdachte, altijd de twee sloten van de woning dicht als hij wegging. Voorts deed hij altijd de grendel op de deur als hij thuis was. Alleen als het slachtoffer wist dat [G] langskwam voor het verzorgen van de weedplanten liet hij de grendel eraf. Om bij [P] binnen te kunnen komen werden er sms-berichten gestuurd.

De zus van het slachtoffer, [E], heeft verklaard dat zij in het bezit was van de sleutels van het huis van het slachtoffer, maar dat zij deze niet gebruikte aangezien haar broer niet wilde dat zij in zijn huis kwam. Wel haalde zij regelmatig de post bij hem op en belde dan het slachtoffer met de mededeling dat ze voor zijn deur stond. Het slachtoffer kwam dan naar beneden om de post te brengen. Tevens verklaart [E] dat zij de sleutels in haar bezit had voor als het slachtoffer ze nodig zou hebben. Het waren slechts reservesleutels.

Uit de verklaring van [G] blijkt onder meer dat hij in de middag van 8 juni 2007 voor het laatst in de woning van het slachtoffer is geweest en dat hij die dag de weedplanten heeft verzorgd.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat het zeer moeilijk was om bij het slachtoffer binnen te komen, nu slechts een zeer beperkt aantal personen over de sleutels beschikten en hij altijd de grendel op de deur had als hij thuis was. Voorzover sprake zou zijn van een van buiten komende dader heeft deze zich de toegang tot de woning moeten verschaffen door middel van een (valse) sleutel of door het manipuleren van de sluiting van de toegangsdeur. Van braak in of bij de woning zijn echter geen sporen gevonden. Ook zijn er geen tekenen van een worsteling nu het slachtoffer ordelijk onder het witte dekbed lag. Gelet hierop en op het feit dat [E] niet in de woning van de verdachte mocht komen, de moeder van het slachtoffer ten tijde van het overlijden van haar zoon in Suriname verbleef en [G] op 8 juni 2007 ‘s middag al langs was geweest om de planten te verzorgen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte, naast het slachtoffer en hun twee kinderen, de enige is geweest die in de nacht van 8 op 9 juni 2007 in de woning van het slachtoffer aanwezig was.

Gelet hierop kan het naar het oordeel van het hof ook niet anders zijn dan dat de verdachte degene is geweest die [P] in de nacht van 8 juni 2007 op 9 juni 2007 opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, hetgeen steun vindt in de volgende omstandigheden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien waarom de verdachte niet van meet af aan zou hebben kunnen verklaren onschuldig te zijn aan de moord op [P] en voor de haar belastende omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen een redelijke verklaring te geven. Dat heeft de verdachte echter niet gedaan. Zij heeft steeds wisselend verklaard en over cruciale details gezwegen, terwijl het juist op haar weg had gelegen om duidelijkheid te scheppen.

Ten eerste heeft de verdachte gelogen over het tijdstip waarop zij de woning van het slachtoffer heeft verlaten. De verdachte heeft, als getuige, tegenover de politie verklaard dat zij op vrijdagavond 8 juni 2007 rond 22:00 uur door haar broer [H] is opgehaald. [H] heeft aanvankelijk eveneens verklaard dat hij de verdachte op het genoemde tijdstip heeft opgehaald, maar heeft later toegegeven dat hij op verzoek van de verdachte dit onjuiste tijdstip heeft genoemd. Nadat de verdachte werd geconfronteerd met de peilgegevens van haar mobiele telefoon heeft zij pas toegegeven dat zij de volgende ochtend door haar broer is opgehaald.

Ook heeft de verdachte haar moeder verzocht om te liegen over het tijdstip waarop zij de woning van het slachtoffer heeft verlaten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte op de vraag waarom zij heeft gelogen over het tijdstip waarop haar broer haar heeft opgehaald, verklaard dat zij dat heeft gedaan omdat zij bang was als verdachte te worden aangemerkt indien zij hierover de waarheid zou vertellen. Het hof acht deze uitleg niet onaannemelijk, doch allerminst disculperend.

Voorts heeft de verdachte het in eerste instantie voorgedaan alsof de telefoon van het slachtoffer niet door haar uit zijn woning is meegenomen. Eerst nadat zij ermee is geconfronteerd dat zij op 10 juni 2007 heeft gebeld met de telefoon van het slachtoffer, waarin zij de simkaart van haar eigen mobiele telefoonnummer had geplaatst, verklaart zij pas dat ze deze telefoon bij haar vertrek uit de woning heeft meegenomen. In haar verhoor op 22 juli 2007 deelt de verdachte aan de verhorende verbalisanten mede niet te willen verklaren waar de telefoon van het slachtoffer zich bevindt. Eerst in haar verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 2 augustus 2007 verklaart de verdachte dat zij de telefoon in een prullenbak in een park heeft gegooid. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hieromtrent verklaard dat zij aldus de verdenking van haar betrokkenheid bij de dood van [P] wilde voorkomen.

Naar het oordeel van het hof kan het handelen van de verdachte niet anders worden verklaard dan dat het is ingegeven door het verlangen sporen van het misdrijf, die naar haar zouden kunnen leiden, uit te wissen.

Bovendien is komen vast te staan dat de verdachte het mobiele nummer van het slachtoffer heeft gebeld, terwijl zij minst genomen sterke vermoedens had dat het slachtoffer dan niet meer in leven is. Ook uit ander gedrag van de verdachte blijkt dat zij het wil doen voorkomen dat het haar niet bekend is dat het slachtoffer in de dagen na 9 juni 2007 niet meer in leven is, zoals in een chatsessie met de zus van het slachtoffer. Ook heeft de verdachte op de avond van 9 juni 2007 het verjaardagsfeest van haar broer bijgewoond.

Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat met de onschuldbewering van de verdachte niet te rijmen valt dat zij op geen enkele manier, de naar haar idee ten minste ernstig gewonde, [P], met wie zij weer een toekomst zag, hulp heeft willen bieden, noch zelf, noch door de politie en/of het alarmnummer te bellen en de hulpdiensten te alarmeren. In plaats daarvan heeft de verdachte naar eigen zeggen snel een deken over het slachtoffer gegooid, haar broer gevraagd haar te komen halen, heeft zij een aantal bezittingen verzameld, alsmede de telefoon van [P], en heeft zij de woning vervolgens vlug verlaten. Uit de verklaring van [D] blijkt vervolgens dat de verdachte bij het verlaten van de woning tegen hem heeft gezegd dat hij op moest schieten, omdat de politie eraan zou komen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij dit wel vaker tegen haar zoon zou hebben gezegd aangezien dat de enige manier was om hem op te laten schieten.

Naar het oordeel van het hof gaat deze verklaring van de verdachte niet op, nu uit het verhoor van [D] blijkt dat hij dergelijke aansporingen nooit eerder van zijn moeder heeft gehoord.

Daar komt nog bij dat de verdachte ook in de dagen na haar vertrek op geen enkele wijze de autoriteiten heeft gewaarschuwd dat in de woning aan de [adres] een zwaar gewonde of overleden persoon lag, ook niet door middel van een anoniem telefoontje. Ook toen de politie de verdachte op 13 juni 2007 is komen informeren over het levenloos aantreffen van [P] heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven. Dat de verdachte dit heeft nagelaten om een andere reden dan om haar betrokkenheid bij de moord op [P] te bemantelen, acht het hof niet aannemelijk.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de relatie tussen haar en [P] de laatste maanden was verbeterd ten opzichte van de periode daarvoor. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij daar nog aan toegevoegd dat ze verder wilde met het slachtoffer. Het hof acht dit niet aannemelijk. De verdachte heeft bij de politie verklaard over de spanningen, mishandelingen en vernederingen in haar relatie met [P]. In maart 2007 heeft zij nog aangifte gedaan van mishandeling door [P] en in april 2007 is zij zelfs nog naar Turkije gegaan om een vriend te bezoeken omdat zij, zoals zij aan de getuige [G] heeft verklaard, ‘helemaal gek werd van [P]’. Daar komt bij dat diverse getuigen, onder wie familieleden en vrienden van de verdachte, over de slechte relatie tussen de verdachte en [P] hebben verklaard.

Alternatieve scenario’s

De raadsman van de verdachte heeft -zakelijk weergegeven- betoogd dat de verklaring van de verdachte een mogelijk ander scenario impliceert, waarbij een ander en/of anderen dan de verdachte, [P] om het leven heeft/hebben gebracht. Dit scenario wordt niet weersproken door de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De raadsman heeft aangevoerd dat er in het dossier concrete aanwijzingen zijn te vinden waaruit valt af te leiden dat er na het overlijden van [P] meerdere personen, anders dan de verdachte, voorafgaand aan de komst van de politie, in de woning aan de [adres] zijn geweest. De raadsman heeft hierbij gewezen op de verklaring van de getuige [S] die zou hebben gezien dat op 10 juni 2007 omstreeks 9:30 uur een man bij de woning van [P] aanbelde en dat de deur vervolgens werd open gedaan.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat [G] op 13 juni 2007 omstreeks 14:00 uur samen met [C] in de woning van het slachtoffer is geweest. Het is daarbij opvallend dat [G] tegenover de politie heeft verklaard dat hij en [C] in de woning tal van sporen hebben uitgewist. Dit getuigt van een geraffineerde en berekenende wijze waarop de mannen te werk zijn gegaan en is onder deze omstandigheden uiterst verdacht te noemen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Het hof gaat voorbij aan de verklaring van de getuige [S] nu zij in de door haar afgelegde verklaringen niet standvastig blijkt te zijn. Ter gelegenheid van het buurtonderzoek op de dag van het aantreffen van het slachtoffer heeft de getuige niet iets verklaard wat omtrent de toedracht van betekenis kan zijn. Ruim zes maanden later heeft de getuige naar aanleiding van een televisieuitzending over de moord op [P] aan de politie aangegeven dat zij op zondag 10 juni 2007 heeft gezien dat een persoon, na aanbellen, in de woning werd binnengelaten en dat er die middag ergens in het flatgebouw een ruzie was, waarbij knallen als van vuurwerk klonken. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof gebleken dat [S] haar verklaring heeft aangepast aan de door haar veronderstelde toedracht. Dan verklaart zij immers dat de door haar gehoorde ruzie en knallende geluiden niet in de middag, doch ’s nachts door haar zijn gehoord. Daarbij komt nog dat de bel van de woning van [P] niet functioneerde, zodat aanbellen niet kon leiden tot het verkrijgen van toegang tot de woning.

Voorts acht het hof de aanname van de raadsman dat [G] en [C] betrokken zouden zijn bij de moord op [P] niet aannemelijk nu hun gedragingen na het ontdekken van het stoffelijk overschot invoelbaar zijn, zij daarover bij de politie openhartig hebben verklaard en zij naar het oordeel van het hof bij de politie ook overigens overtuigende verklaringen hebben afgelegd terwijl ook uit overig onderzoek niet blijkt of aannemelijk is geworden dat zij op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij de moord op [P].

Gelet op alle voornoemde omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [P] van het leven heeft beroofd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair bewezen verklaarde

moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek, overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict, waarbij zij haar partner, die tevens de vader van haar kinderen was, met een vuurwapen meermalen door zijn hoofd heeft geschoten als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Gelet op de wijze waarop het feit is begaan, in het bijzonder het gegeven dat het slachtoffer in zijn slaap is verrast en de korte afstand waarop de schoten op het hoofd van het slachtoffer zijn afgevuurd, heeft de moord alle kenmerken van een koelbloedige liquidatie. Na dit incident heeft verdachte geraffineerd gehandeld door haar spullen in te pakken en zich richting haar familie te begeven om vervolgens dagen lang te zwijgen over hetgeen is gebeurd.

Alhoewel het voor de hand ligt als motief voor deze daad te denken dat verdachte geen andere uitweg zag om uit de moeilijke situatie met het slachtoffer te geraken, heeft het hof geen inzicht kunnen krijgen in het werkelijke motief of motieven van de verdachte.

De dood van het slachtoffer heeft aan de nabestaanden, en in het bijzonder de twee jonge kinderen van het slachtoffer, een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht, zoals ook ter terechtzitting in hoger beroep namens de moeder van het slachtoffer is verwoord. Verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen wat hem toekwam, het recht op leven.

Aangenomen moet worden dat in het bijzonder de nabestaanden van het slachtoffer door zijn overlijden nog lang psychische schade zullen ondervinden. Ook in bredere kring heeft de moord op het slachtoffer een schok teweeg gebracht. Een dergelijk feit schokt bovendien de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid. Voor het bewezenverklaarde feit komt als enig passende straf een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur in aanmerking.

Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat zij het feit heeft gepleegd in aanwezigheid van haar nog zeer jonge kinderen, alsmede dat zij haar rol binnen dit ernstige feit heeft geprobeerd te verdoezelen. Anderzijds is in aanmerking genomen de geweldadige relatie tussen verdachte en het slachtoffer, waarin zij meermalen het slachtoffer is geworden van geweldshandelingen. Tevens houdt het hof rekening met de leefomstandigheden waaronder verdachte met het slachtoffer en haar kinderen woonde, nu er zich in de woning een hennepplantage bevond die de gehele woonkamer in beslag nam. Het hof heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een haar betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 februari 2009 niet eerder voor een misdrijf werd veroordeeld. Vanwege de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde levensdelict en de omstandigheden waaronder het feit is begaan speelt die omstandigheid echter slechts een zeer beperkte rol.

Het hof heeft kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte psychologische rapport van 16 november 2007 waaruit blijkt dat zij lijdend is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, met als belangrijkste kenmerken de impulsstoornissen, de problemen met de agressieregulatie en de verstoorde, nog onvolwassen, emotieregulatie. De psycholoog adviseert wel dat het feit, indien bewezen, verdachte volledig kan worden toegerekend. Het hof volgt de rapporteur in dit advies.

Het hof is van oordeel dat aan verdachte een hogere straf moet worden opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd. In een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van het plegen van een gewelddadig en ernstig delict, dat grote invloed heeft op de persoonlijke levenssfeer van de nabestaanden en op de gevoelens van onrust in de maatschappij, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een lagere gevangenisstraf dan de hierna vermelde, omdat dan geen recht zou worden gedaan aan het door de verdachte veroorzaakte leed en aan de behoefte van de samenleving om tegen het gedrag van de verdachte beschermd te worden.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij

De ouders, de kinderen en een zuster van [P] hebben zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek van Strafvordering in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde.

De benadeelde partijen zijn in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

De ouders van [P] hebben zich namens zijn kinderen in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van in totaal EUR 12.500,- zoals door hen ook in eerste aanleg is gevorderd.

De moeder van [P] heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat zij met het gevorderde geldbedrag een trustfonds voor de kinderen van het slachtoffer wil oprichten nu door de dood van hun vader een inkomen is weggevallen. Het fonds dient als een voorziening voor de toekomst.

De raadsman van de verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat de vordering niet eenvoudig van aard is.

Nu niet is gebleken dat de ouders van [P] bevoegd zijn op te treden als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige kinderen van [P], zal het hof de benadeelde partijen niet ontvankelijk in hun vordering verklaren.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder primair bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de ouders van [P]:

Verklaart de benadeelde partijen ter zake van het primair bewezen verklaarde niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. N.A. Schimmel en mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, in tegenwoordigheid van mr. E. Wiersma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 maart 2010.