Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7907

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200.026.207/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de notaris bij de erfgenamen had moeten informeren of de verklaring van de ex-echtgenoot dat hij toestemming had, juist was. De notaris is door zulks achterwege te laten ernstig tekort geschoten in de uitoefening van zijn taak. Het feit dat de notaris (eerst) nu erkent dat hij anders had moeten handelen doet hier niet aan af. Voorts heeft de notaris niet bestreden dat hij geen antwoord heeft gegeven op de door klaagster aangetekend verstuurde brief van 10 juni 2008. Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de notaris onbetamelijk heeft gehandeld. De kamer overweegt hierbij dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de notaris niet bereid bleek om aan klaagster enig excuses voor zijn gedrag aan te bieden. Het hof gaat ervan uit dat de kamer daarmee heeft willen zeggen dat de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris het opleggen van een berisping rechtvaardigt en dat de houding van de notaris tot en met de behandeling van de zaak door de kamer geen aanknopingspunten biedt voor het opleggen van “geen of een lagere maatregel”, zoals door de notaris (nog weer in hoger beroep) bepleit. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de kamer van toezicht en bekrachtigt de bestreden beslissing waarin de notaris de maatregel van berisping wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 16 maart 2010 in de zaak onder nummer 200.026.207/01 NOT van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

APPELLANTE

tegen

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. J.U. van der Werff te Deventer,

en in de zaak onder nummer 200.026.292/01 NOT van

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J.U. van der Werff te Deventer

tegen

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante in de zaak met nummer 200.026.207/01 NOT, verder te noemen klaagster, is bij een op 25 februari 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met één bijlage - hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder te noemen de kamer, van 2 februari 2009, waarbij de kamer de klacht tegen geïntimeerde in de hiervoor genoemde zaak, verder te noemen de notaris, gegrond heeft verklaard, onder oplegging van de maatregel van berisping.

1.2. Van de zijde van de notaris is bij een op 2 maart 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde beslissing van de kamer. Dit hoger beroep van de notaris is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.026.292/01 NOT.

1.3. Klaagster heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief ter griffie van het hof ingekomen op 18 maart 2009.

1.4. Van de zijde van de notaris is op 4 mei 2009 een verweerschrift, tevens aanvulling verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.5. Het hoger beroep in beide zaken is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 december 2010, alwaar klaagster en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen. Zij hebben allen het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Voor zover partijen bezwaar hebben gemaakt tegen de vastgestelde feiten – en zulks relevant is – zal het hof deze bezwaren meenemen in zijn oordeel.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris dat hij zeer onzorgvuldig is omgegaan met persoonlijke informatie. Zonder medeweten of toestemming van klaagster of één van haar zusters heeft de notaris informatie omtrent de nalatenschap van klaagsters moeder overhandigd aan klaagsters ex-echtgenoot. Klaagster heeft de notaris hierover gebeld waarop de notaris stelde dat één van de zusters hiervoor getekend zou hebben. In antwoord op een e-mail van klaagster over dit onderwerp antwoordt de notaris met “Het is niet aan mij hierover verder uit te weiden”. Op een aangetekende brief ontvangt klaagster geen antwoord.

5. Het standpunt van de notaris

De notaris stelt dat hij de stukken heeft meegegeven op basis van de mededeling van de ex-echtgenoot van klaagster dat deze daarvoor toestemming had gekregen van een van de zusters van klaagster. De notaris bestrijdt uitdrukkelijk dat hij klaagster heeft laten weten dat sprake was van een schriftelijke volmacht. Later werd duidelijk dat er niet een zodanige mondelinge volmacht bestond. De notaris erkent dat het beter was geweest als hij contact had opgenomen over het bestaan van de mondelinge volmacht dan wel dat hij een schriftelijke volmacht had geëist. Ook wijst de notaris op de wijze waarop de contacten met klaagster steeds plaatsvonden: in een felle en opgewonden sfeer. Mogelijk heeft de notaris hier weinig weerwoord tegen gegeven, maar er is nooit sprake geweest van het eenzijdig beëindigen van gesprekken. Ten slotte wijst de notaris op zijn brief aan de KNB van 22 juli 2008, waarin hij aangeeft dat hij altijd is uitgegaan van de juistheid van de mededeling van de ex-echtgenoot van klaagster, doch in geval dit uitgangspunt onjuist is, “welgemeende excuses aan klaagster op zijn plaats zijn”.

6. De beoordeling

6.1. Ten aanzien van het beschikbaar stellen van informatie aan de ex-echtgenoot van klaagster overwoog de kamer reeds dat op geen enkele wijze is gebleken dat de notaris zelf bij de rechthebbenden actief heeft geïnformeerd of de ex-echtgenoot inderdaad over toestemming beschikte. In hoger beroep heeft ook de notaris erkend dat hij de vermeende (mondelinge) volmacht onvoldoende heeft gecontroleerd. Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de notaris bij de erfgenamen had moeten informeren of de verklaring van de ex-echtgenoot dat hij toestemming had, juist was. De notaris is door zulks achterwege te laten ernstig tekort geschoten in de uitoefening van zijn taak. Het feit dat de notaris (eerst) nu erkent dat hij anders had moeten handelen doet hier niet aan af.

6.2. Wat betreft de wijze waarop de notaris klaagster heeft bejegend oordeelt het hof aldus. Nadat klaagster klaarblijkelijk telefonisch contact heeft gehad met de notaris heeft zij hem een e-mail gestuurd waarin zij de notaris verzoekt om uitleg over de gang van zaken. De notaris volstaat met een e-mail waarin slechts de zin

“Het is niet aan mij hierover verder uit te weiden.”

voorkomt. Voorts heeft de notaris niet bestreden dat hij geen antwoord heeft gegeven op de door klaagster aangetekend verstuurde brief van 10 juni 2008. Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de notaris onbetamelijk heeft gehandeld. De kamer overweegt hierbij dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de notaris niet bereid bleek om aan klaagster enig excuses voor zijn gedrag aan te bieden. Het hof gaat ervan uit dat de kamer daarmee heeft willen zeggen dat de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris het opleggen van een berisping rechtvaardigt en dat de houding van de notaris tot en met de behandeling van de zaak door de kamer geen aanknopingspunten biedt voor het opleggen van “geen of een lagere maatregel”, zoals door de notaris (nog weer in hoger beroep) bepleit. Alhoewel de notaris in zijn verweerschrift/tevens aanvulling verzoekschrift in hoger beroep zijn verontschuldigingen heeft aangeboden is het hof onverminderd van oordeel dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de notaris het opleggen van een berisping rechtvaardigt. Ook de “voorwaardelijke excuses” in de brief aan de KNB van 22 juli 2008, waarnaar de notaris verwijst, voeren niet tot een ander oordeel. Een zwaardere maatregel, zoals door klaagster bepleit acht het hof passend noch geboden.

6.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is en dat de door de kamer opgelegde maatregel van berisping in stand dient te blijven.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.L.G.A. Stille en G. Kleykamp – van der Ben en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2010 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2008/895

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem op de klacht van

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

klaagster,

tegen

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam].

Partijen zullen verder klaagster en de notaris worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- de brief met bijlagen van klaagster van 17 augustus 2008, waarin de klacht tegen de notaris is neergelegd

- de beslissing van de president van het gerechtshof Amsterdam van 25 september 2008, waarbij de Kamer van Toezicht te Arnhem is belast met de behandeling van de klacht

- de brief van de notaris van 10 oktober 2008;

- de brief met bijlagen van klaagster van 28 november 2008.

- de mondelinge behandeling van de klacht op 8 december 2008.

2. De feiten

2.1. De notaris heeft gedurende een aantal jaren de belangen behartigd van de moeder van klaagster, [erflaatster]. De notaris was ook betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster], die op 28 maart 2006 is overleden. De erfgenamen van [erflaatster] zijn haar drie dochters, onder wie klaagster.

2.2. Op 4 juni 2008 heeft de ex-echtgenoot van klaagster, de heer [ex-echtgenoot], klaagster gebeld met de mededeling dat hij die middag de notaris heeft bezocht en dat deze hem vertrouwelijke papieren heeft overhandigd.

2.3. Klaagster heeft daarop telefonisch contact opgenomen met de notaris en bij hem geïnformeerd waarom er stukken zijn meegegeven. De notaris heeft geantwoord, dat [ex-echtgenoot] hem heeft gezegd voor de afgifte (schriftelijke) toestemming te hebben van een van de zussen van klaagster.

2.4. Na bij haar zussen te hebben geïnformeerd, heeft klaagster de notaris bericht dat zij geen schriftelijke toestemming hebben verleend aan [ex-echtgenoot]. Hierop heeft de notaris per e-mail gereageerd met de mededeling dat het niet aan hem is hierover verder uit te weiden.

2.5. Klaagster heeft, onder andere bij brief van 10 juni 2008, de notaris verzocht haar mee te delen welke stukken aan [ex-echtgenoot] zijn meegegeven. De notaris heeft hierop niet geantwoord.

2.6. Klaagster is met [ex-echtgenoot] in een gerechtelijke procedure voor de rechtbank [plaatsnaam] verwikkeld. In het kader van deze procedure heeft de raadsman van [ex-echtgenoot] bij brief van 9 september 2008 een kopie van de door de notaris verzorgde aangifte successierechten en schenkingsrechten aan de rechtbank overgelegd. Het betreft de nalatenschap van [erflaatster] en schenkingen door haar aan haar dochters.

3. De klachten en het verweer daartegen

3.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door zonder medeweten of toestemming van haarzelf of één van haar zusters stukken betreffende de nalatenschap van haar moeder te overhandigen aan haar ex-echtgenoot. Voorts verwijt klaagster de notaris dat hij niet correct heeft gereageerd op haar verzoeken om informatie.

3.2. De notaris heeft verweer gevoerd en heeft daartoe naar voren gebracht dat [ex-echtgenoot] hem heeft verteld dat hij, [ex-echtgenoot], mondeling toestemming van één van de zusters van klaagster had om de betreffende stukken in ontvangst te nemen.

4. De beoordeling van de klachten

4.1. Ingevolge artikel 98 lid 1 Wet op het notarisambt zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert. De Kamer overweegt daartoe als volgt.

4.2. Klaagster heeft, onweersproken door de notaris, gesteld dat zij de notaris geen toestemming heeft gegeven om stukken aan [ex-echtgenoot] mee te geven. De notaris heeft gesteld dat [ex-echtgenoot] verklaarde dat hij over de mondelinge toestemming van één van de zusters van klaagster beschikte.

Ter zitting heeft de notaris verklaard dat hij vertrouwen in mensen heeft en dat hij geen reden had om eraan te twijfelen dat de man, die hem de stukken vroeg, [ex-echtgenoot] was en dat deze de waarheid sprak. De Kamer stelt vast dat op geen enkele wijze is gebleken, dat de notaris zelf bij de rechthebbenden actief heeft geïnformeerd of [ex-echtgenoot] inderdaad over toestemming beschikte.

4.3. De Kamer overweegt dat als uitgangspunt geldt dat, indien iemand verklaart met mondelinge toestemming van iemand anders te handelen, de notaris bij de rechthebbende dient te verifiëren of deze verklaring klopt. Dit geldt te meer indien de notaris, zoals in dit geval, degene die zich bij hem meldt niet kent. Nu niet blijkt dat de notaris een en ander heeft nagegaan en uitsluitend is afgegaan op de verklaring van [ex-echtgenoot], is de Kamer van oordeel dat de notaris met zijn handelwijze ernstig tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die hij jegens de rechthebbenden, onder wie klaagster, in acht dient te nemen.

4.4. Wat betreft het verwijt van klaagster dat de notaris haar incorrect heeft bejegend, overweegt de Kamer het volgende. Klaagster voert aan dat de notaris haar door de telefoon nauwelijks heeft laten uitpraten en het gesprek abrupt heeft beëindigd door de verbinding te verbreken. Per mail heeft de notaris haar geen informatie willen verstrekken en heeft slechts meegedeeld dat “het niet aan hem is om hierover verder uit te weiden” en “indien er geen toestemming zou zijn geweest, [ex-echtgenoot] mij heeft belazerd en een welgemeend excuus aan [klaagster] op zijn plaats is”. Voorts stelt klaagster dat de notaris haar brief van 10 juni 2008 niet heeft beantwoord. In alle gevallen heeft klaagster de notaris verzocht om haar informatie te verschaffen, maar daarop is de notaris niet ingegaan. Klaagster zegt tot de ontvangst van de brief van 9 september 2008 van de raadsman van [ex-echtgenoot], niet op de hoogte te zijn geweest welke stukken de notaris aan [ex-echtgenoot] heeft meegegeven. De notaris heeft de verklaringen van klaagster niet weersproken en van de juistheid daarvan kan daarom worden uitgegaan. Dit brengt de Kamer tot het oordeel dat de wijze waarop de notaris klaagster heeft bejegend, onbetamelijk is en in strijd met de eer en waardigheid van het notarisambt. Daarbij komt dat de notaris bij de mondelinge behandeling niet bereid bleek om klaagster enig excuus aan te bieden voor zijn gedrag, doch uitsluitend verwijst naar hetgeen hij eerder in zijn e-mailbericht heeft geschreven.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de klachten gegrond zijn. Gezien de ernst van de verwijten die de notaris te maken valt, bestaat aanleiding hem de maatregel van berisping op te leggen.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht

verklaart de klachten tegen de notaris gegrond,

legt de notaris de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.P.M. Kester, plv. voorzitter, mr. H. Quispel, mr. W.H. van Empel, mr. A.J.V. Tierolff en mr. T.K. Lekkerkerker, plv. leden, en in tegenwoordigheid van mr. C. van Schelven, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2009.

De secretaris De plv. voorzitter