Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
08/00618
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is van mening dat van naheffing van MRB zou moeten worden afgezien, omdat de auto reeds bij eerste registratie in Nederland niet voldeed aan de technische eisen welke worden gesteld aan een bestelauto met dubbele cabine. Deze stelling dient te worden verworpen, reeds omdat zij feitelijke grondslag ontbeert. Tot de stukken van het geding behoort onder meer een keuringsrapport van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) van 30 oktober 2003, waaruit blijkt dat de auto op die datum als bestelauto moest worden aangemerkt, niet omdat deze voldeed aan de technische eisen voor een bestelauto met een dubbele cabine, maar omdat de auto beschikte over een laadruimte voorzien van een vlakke laadvloer met een minimale lengte van 200 cm en een minimale hoogte van 130 cm over ten minste 200 cm van de lengte en 20 cm van de breedte (artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet MRB). Deze bepaling schrijft geen blindering voor, noch de aanwezigheid van een vaste wand (tussenschot).

Zo belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij zonder fiscale gevolgen zijn bestelauto mocht ombouwen tot personenauto, faalt die stelling, nu van een uitlating of toezegging van of namens de inspecteur met die strekking niet is gebleken.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 3
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 33
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0768
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00618

25 februari 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

D te B, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/6812 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 9 juli 2007 aan belanghebbende over het tijdvak 4 mei 2006 tot en met 3 mei 2007 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 816 alsmede een verzuimboete van € 816. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 24 augustus 2007 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 28 april 2008, verzonden op 6 mei 2008, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 30 mei 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie met ingang van 11 maart 2005 houder van een Ford, type E150, met het kenteken … (hierna: de auto). In het kentekenregister staat de auto geregistreerd als “bedrijfsauto” en is de inrichting van de auto omschreven als “gesloten wagen”. Belanghebbende is geen ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.

2.2. Met ingang van het eerste tijdvak na 1 juli 2005 heeft belanghebbende het personenautotarief van artikel 23 van de Wet op de motorrijtuifgenbelasting 1994 (hierna:Wet MRB) voldaan, doch exclusief de provinciale opcenten, die ingevolge artikel 222 van de Provinciewet uitsluitend worden geheven van personenauto’s en motorrijwielen.

2.3. Op 26 april 2007 is te N geconstateerd dat met de auto gebruik werd gemaakt van de weg, ter plaatse bekend als O, terwijl de auto niet (meer) voldeed aan de inrichtingseisen van artikel 3, eerste lid, onderdeel a,b,c of d, Wet MRB. In de ‘Melding Visuele controle/Fysieke controle’ is in het onderdeel ‘Bijzonderheden’ vermeld: ‘Bank in laadruimte. Glas rondom. Geen tussenschot’. Tot de stukken van het geding behoren een kopie van genoemde melding en kopieën van foto’s van de auto.

2.4. De in het geding zijnde naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van de onder 2.3. vermelde constatering. De naheffingsaanslag is berekend op de provinciale opcenten verschuldigd voor een personenauto (€ 737) en een bedrag aan extra verschuldigde motorrijtuigenbelasting als gevolg van het gewicht van de geplaatste zetels (€ 79).

De boete is opgelegd op grond van artikel 37 van de Wet MRB juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2.5. Tot de stukken van het geding behoort een ‘Rapport motorrijtuigenbelasting inzake onderzoek Overig’. Hierin is onder ‘Toelichting’ vermeld:

“Op m02-08-2007, is door mij een onderzoek ingesteld op het adres van D, …, in B. Het betreft hier een onderzoek naar de inrichting van het mrt, merk Ford, met het kenteken …. Het voertuig is door mij aangetroffen op dit adres en stond geparkeerd op eigen terrein. Belanghebbende vertelde mij dat het tussenschot, op controledatum eruit was. Hij had het schot weer teruggeplaatst. Het tussenschot was niet op de juiste wijze bevestigd aan de carrosserie van de wagen. Aan de beide kanten waren grote kieren. Ik heb de heer W verteld dat het tussenschot aan alle kanten van de auto vast moest zitten. En hem de tijd gegeven om het alsnog op de juiste manier te plaatsen. Op 06-09-2007, heb ik een telefoontje gekregen van belanghebbende. Hij vertelde dat hij het tussenschot zou laten zoals het nu is. Aangezien het mrt nu in schorsing staat en voorlopig toch niet mee gereden wordt. En dat hij misschien het voertuig gaat verkopen”.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“6. Ingevolge artikel 24 van de Wet MRB gelden, afgezien van de provinciale opcenten, voor bestelauto’s dezelfde tarieven als voor personenauto’s. Een bestelauto dient onder meer te voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet MRB gestelde eisen. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting door partijen is aangevoerd, leidt de rechtbank af dat het motorrijtuig ten tijde van de controle niet voldeed aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. In artikel 23, tweede lid, onderdeel b, van de Wet MRB is bepaald welke tarieven per gewichtsklasse gelden voor personenauto’s welke aangedreven worden door LPG. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser (Hof: belanghebbende) geen ondernemer is en dus niet in aanmerking komt voor het verlaagde bestelautotarief voor ondernemers.

7. Eiser beroept zich op de uitkomst van de keuring door de RDW en de Douane na aankomst van het motorrijtuig vanuit Duitsland, en stelt dat hij hieruit de conclusie mocht trekken dat het motorrijtuig aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldeed. De rechtbank verwerpt deze stelling om de volgende reden. Eiser miskent dat de naheffingsaanslag is opgelegd omdat hij, na de verhoging van het bestelautotarief per 1 juli 2005, de blindering van een raampje ongedaan heeft gemaakt en het tussenschot - daargelaten of dit tussenschot aan de voorwaarden voldeed - heeft verwijderd. Bovendien berust een deel van de naheffingsaanslag op de toename van het gewicht van het motorrijtuig na de inbouw van de LPG-installatie. Dat eiser de verkeerde conclusie heeft getrokken uit de brief die verweerder (Hof: de inspecteur) over de verhoging van het tarief heeft gestuurd, komt voor zijn risico. Eiser heeft na lezing van deze brief geen nadere informatie ingewonnen bij een ter zake deskundige of de bevoegde instantie, de Belastingdienst, maar heeft, hoewel in de brief staat vermeld dat dit niet is toegestaan, besloten het motorrijtuig om te bouwen tot een personenauto. Dat eiser bij het postkantoor heeft geprobeerd een geel kenteken aan te vragen, doet hier niet aan af. Het postkantoor is ten eerste niet bevoegd om een oordeel te geven over de fiscale kwalificatie van een voertuig, en ten tweede had het afwijzende antwoord voor eiser een aanvullende aanwijzing moeten zijn dat hij meer uitleg nodig had over de gevolgen die de verhoging van het tarief voor hem had.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

9. Ten aanzien van de boete overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in verbinding met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur van de Belastingdienst een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.

10. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Dat eiser de verkeerde conclusie heeft getrokken uit de brief die hij van verweerder heeft ontvangen en zonder nadere informatie in te winnen het motorrijtuig heeft omgebouwd, dient voor zijn rekening te komen. Nu eiser overigens geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, acht de rechtbank de opgelegde boete passend en geboden.

11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De belasting

6.1.1. Op 26 april 2007 is geconstateerd dat de auto van belanghebbende niet meer voldeed aan de technische eisen welke in de Wet MRB worden gesteld aan een bestelauto. Door plaatsing van zetels in de laadruimte was geen sprake meer van een vlakke laadvloer in de zin van artikel 3, lid 1, aanhef Wet MRB. Daar een vaste wand ontbrak en van blindering van de zijruiten geen sprake was, werd evenmin voldaan aan de technische eisen welke worden gesteld aan een bestelauto met ‘dubbele cabine’.

6.1.2. Belanghebbende is van mening dat van naheffing van MRB zou moeten worden afgezien, omdat de auto reeds bij eerste registratie in Nederland niet voldeed aan de technische eisen welke worden gesteld aan een bestelauto met dubbele cabine. Deze stelling dient te worden verworpen, reeds omdat zij feitelijke grondslag ontbeert. Tot de stukken van het geding behoort onder meer een keuringsrapport van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) van 30 oktober 2003, waaruit blijkt dat de auto op die datum als bestelauto moest worden aangemerkt, niet omdat deze voldeed aan de technische eisen voor een bestelauto met een dubbele cabine, maar omdat de auto beschikte over een laadruimte voorzien van een vlakke laadvloer met een minimale lengte van 200 cm en een minimale hoogte van 130 cm over ten minste 200 cm van de lengte en 20 cm van de breedte (artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet MRB). Deze bepaling schrijft geen blindering voor, noch de aanwezigheid van een vaste wand (tussenschot).

6.1.3. Zo belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij zonder fiscale gevolgen zijn bestelauto mocht ombouwen tot personenauto, faalt die stelling, nu van een uitlating of toezegging van of namens de inspecteur met die strekking niet is gebleken.

Bovendien heeft de inspecteur gesteld dat hij - in verband met de wijziging van de Wet MRB per 1 juli 2005 - in mei 2005 een mailing aan alle betrokken kentekenhouders (waaronder belanghebbende) heeft verzonden waarin onder meer staat:

“Op de eerste kwartaalrekening motorrijtuigenbelasting die u ontvangt na 1 juli 2005 is het hogere tarief aan motorrijtuigenbelasting doorgevoerd. Als u de motorrijtuigenbelasting per jaar betaalt, ontvangt u een aanvullende rekening.

(…)

Let op: ook al veranderen de regels voor bestelauto’s, de fiscale inrichtingseisen blijven gelijk. Dit betekent dat u de auto niet kunt ombouwen tot personenauto. Wilt u dit wel, dan bent u BPM en de motorrijtuigenbelasting voor personenauto’s verschuldigd.”.

Het Hof heeft geen reden aan deze stelling van de inspecteur te twijfelen.

Het hecht daarentegen geen geloof aan de eerst ter zitting in hoger beroep door belanghebbende ingenomen stelling dat hij deze brief nimmer heeft ontvangen, nu belanghebbende in zijn bezwaarschrift respectievelijk in zijn pleitnota voor de rechtbank expliciet refereert aan een van de inspecteur ontvangen waarschuwing c.q. bericht, naar aanleiding waarvan hij het nieuwe tarief is gaan betalen.

6.1.4. Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking nemende dat belanghebbende als houder van de onderhavige auto verantwoordelijk is voor het doen van een juiste aangifte motorrijtuigenbelasting, is de inspecteur naar het oordeel van het Hof met toepassing van artikel 33 van de Wet MRB op goede gronden overgegaan tot naheffing van die belasting. Daaraan doet niet af de stelling van belanghebbende dat hij door andere instanties dan de inspecteur “op het verkeerde been is gezet”, dan wel dat op de hem door de RDW verstrekte bescheiden bij de rubriek “schot” ten onrechte niets staat aangegeven.

6.2. De verzuimboete

6.2.1. Ingevolge artikel 37 van de Wet MRB juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is in casu de sub 1.1. bedoelde verzuimboete van 100% opgelegd.

6.2.2. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Slechts bij afwezigheid van alle schuld dient een verzuimboete achterwege te blijven. Nu belanghebbende de auto heeft omgebouwd terwijl hij vooraf door de inspecteur was gewaarschuwd voor de fiscale gevolgen, is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Alle omstandigheden van het onderhavige geval in aanmerking genomen, acht het Hof de opgelegde boete passend en geboden.

Slotsom

6.3. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en M.J. Kuiper, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 25 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.