Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7392

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
12-03-2010
Zaaknummer
23-002199-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben van hennep, witwassen en bewijslevering ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002199-09

datum uitspraak: 11 maart 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 3 april 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-740592-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

adres: [woonplaats], thans gedetineerd in [detentieadres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de appelschriftuur van het openbaar ministerie en de mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

De verdachte is door rechtbank Haarlem vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 ten aanzien van de personenauto, de motorfiets en de televisie, onder 6 ten aanzien van de ploertendoder en het pistool (Walther PPK 7.65 mm) met munitie en onder 7 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 26 november 2009, 18 februari 2010 en 4 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2009 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, dat:

feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 mei 2008 tot en met 9 december 2008 te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Leimuiden, gemeente Jacobswoude en/of te Rijnsaterwoude en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, (een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet

feit 2:

hij op of omstreeks 14 mei 2008 te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 117 (honderdzeventien) kilogram hennep, in elk geval een grote hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep (als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

feit 3

hij in of omstreeks 9 december 2008 te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 62 (tweeenzestig) kilogram hennep en/of hasjiesj, in elk geval een grote hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of hasjiesj (als bedoeld in artikel 11, lid 5, van de Opiumwet), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep/hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

feit 4:

hij op of omstreeks 09 december 2008 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaine, zijnde amfetamine en/of cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, en/of een hoeveelheid van ongeveer 91 (een en negentig) gram hennep en/of hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep/hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

feit 5:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 8 september 2006 tot en met 9 december 2008, te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer en/of Rijnsburg, gemeente Katwijk en/of elders in Nederland, (een) voorwerp(en), waaronder een personenauto (merk BMW, kleur zwart, kenteken [kenteken 1]) en/of een hoeveelheid geld (ongeveer 8.370,- euro cash geld) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een of meer van) deze voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

feit 6:

hij op of omstreeks 9 mei 2008 te Leimuiden, gemeente Jacobswoude, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie I (te weten een veerdruk pistoolmitrailleur, merk KSG Micro Uzi (cat. 1 sub 7)) voorhanden heeft gehad

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat uit de stukken in het dossier weliswaar blijkt dat de verdachte op twee verschillende data groothandelshoeveelheden hennep aanwezig heeft gehad, dat er materialen zijn aangetroffen die verband lijken te houden met het telen of bewerken van hennep en voorts, dat de informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid op betrokkenheid van de verdachte bij de verwerking van hennep wijst, doch dat, hoewel de resultaten van het wel gehouden onderzoek daarnaar weliswaar ernstige bezwaren tegen de verdachte hebben opgeleverd, toereikend bewijs voor het oordeel de verdachte als pleger of als medepleger bij dat telen of bewerken betrokken is geweest ontbreekt.

Formeel verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd -kort gezegd- dat de op 11 december 2008 door [getuige 1], de vader van de verdachte, bij de politie afgelegde verklaring niet tot bewijs mag dienen, nu [getuige 1] niet op zijn verschoningsrecht is gewezen.

De raadsvrouw van de verdachte concludeert op basis van het bovenstaande tot bewijsuitsluiting van die verklaring.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Ten tijde van het afleggen van deze verklaring op 11 december 2008 werd [getuige 1] als verdachte gehoord. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, bestond er voor de met dat verhoor belaste opsporingsambtenaren geen verplichting om de genoemde [getuige 1] op een verschoningsrecht te wijzen, reeds omdat dat recht hem niet toekwam. Immers, dit recht komt, voor zover hier relevant, op grond van artikel 217 en 219 van het Wetboek van Strafvordering toe aan degene die als getuige wordt gehoord. Degene die als verdachte wordt gehoord kan een beroep doen op zijn zwijgrecht en is reeds op die grond niet gehouden te verklaren.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 2:

hij op 14 mei 2008 te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 73 (drieenzeventig) kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

feit 3:

hij op 9 december 2008 te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 62 (tweeenzestig) kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

feit 4:

hij op 09 december 2008 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en cocaine, zijnde amfetamine en cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en een hoeveelheid van ongeveer 91 (eenennegentig) gram hennep en hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

feit 5:

hij op een of meer tijdstip(pen), gelegen in de periode van 19 september 2006 tot en met 9 december 2008, te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer voorwerpen, te weten een personenauto (merk BMW, kleur zwart, kenteken [kenteken 1]) en 8.370 euro contant geld voorhanden heeft gehad, althans van deze voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf

feit 6:

hij op of omstreeks 9 mei 2008 te Leimuiden, gemeente Jacobswoude, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie I, te weten een veerdruk pistoolmitrailleur, merk KSG Micro Uzi (cat. I sub 7), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van bewijsverweren

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd dat

-kort gezegd- niet onomstotelijk vaststaat dat het op14 mei 2008 in de loods van de verdachte aangetroffen materiaal hennep bevat, nu bij het uitvoeren van een cannabistest door de politie geen sprake is geweest van een representatieve bemonstering en deze test slechts de indicatie geeft dat dat materiaal vermoedelijk hennep bevat. Bovendien ontbreekt een rapport van het NFI ten aanzien van het overgrote deel van de aangetroffen stoffen.

Het hof verwerpt deze verweren van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Op 15 mei 2008 hebben inspecteur van politie [verbalisant 1] en brigadier van politie [verbalisant 2], die volgens hun -niet betwiste- verklaring beroepsmatig veel ervaring met de inbeslagneming van hennep hebben, gezien en geroken dat de aangetroffen stoffen hennep betroffen. Er was -zoals zij in hun proces-verbaal hebben gerelateerd- geen twijfel mogelijk dat het om hennep ging. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd noch ambtshalve aanleiding om aan de juistheid van hun bevindingen en/of hun deskundigheid op het gebied van de identificatie van hennep te twijfelen, te minder nu niet door de verdachte noch door de raadsvrouw concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd op grond waarvan die twijfel gerechtvaardigd zou zijn.

Dat ten aanzien van deze stoffen een rapport van het NFI ontbreekt, doet aan het voorgaande naar het oordeel van het hof niet af. Het rapport van het NFI ziet op het tevens aangetroffen groene poeder, waarvan de verbalisanten de aard niet hebben kunnen vaststellen. Uit het rapport van het NFI blijkt -kort gezegd- dat deze stof geen hennep betreft.

Het hof komt aan de bespreking van het verweer ten aanzien van de bemonstering ten behoeve van de op 15 mei 2008 door brigadier van politie [verbalisant 3] uitgevoerde cannabistest niet toe, nu de uitslag van deze test niet tot het bewijs wordt gebezigd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat -kort gezegd- van de gezamenlijke hoeveelheid van 127,019 kilo de hoeveelheid van 53,9 kilo dient te worden afgetrokken, nu onduidelijk is welke van de aangetroffen stoffen door het NFI is onderzocht.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het aangetroffen bruin/grijze poeder niet is onderzocht en uit het rapport van het NFI blijkt dat het aangetroffen groene poeder geen hennep bevat, dient -gelijk door de raadsvrouw ten verwere is aangevoerd- de gezamenlijke hoeveelheid met de hiervoor bedoelde 53,9 kilo, te weten de inhoud van de zakken genummerd met L4, L5 en L6, te worden verminderd.

Ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd primair dat

-kort gezegd- niet onomstotelijk vaststaat dat het op 9 december 2008 in de loods van de verdachte aangetroffen en in beslag genomen materiaal hennep bevat , nu de uitgevoerde cannabistest slechts de indicatie geeft dat dat materiaal vermoedelijk hennep bevat. Bovendien ontbreekt een rapport van het NFI ten aanzien van de aangetroffen stoffen.

Het hof verwerpt deze verweren van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Op 10 december 2008 heeft hoofdagent van politie [verbalisant 4], volgens het door hem opgemaakte proces-verbaal gecertificeerd en aangewezen als taakaccenthouder verdovende middelen, de uit de op 9 december 2008 in de caravan in de loods van de verdachte aangetroffen aluminium zakken afkomstige stoffen getest met een cannabistest, die als indicatie gaf dat deze stoffen vermoedelijk hennep bevatten. Tevens op 10 december 2008 hebben de in dit arrest eerder genoemde inspecteur van politie [verbalisant 1] en brigadier van politie [verbalisant 5], die

-volgens hun niet-betwiste verklaring- beroepsmatig veel ervaring met de inbeslagneming van hennep hebben, gezien en geroken dat de aangetroffen stoffen hennep betroffen. Er was voor

hen, zoals door hen in hun proces-verbaal is gerelateerd, geen twijfel mogelijk dat het om hennep ging.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd noch ambtshalve aanleiding om aan de juistheid van hun bevindingen en/of hun deskundigheid op het gebied van de identificatie van hennep te twijfelen, te minder nu niet door de verdachte noch door de raadsvrouw concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd op grond waarvan die twijfel gerechtvaardigd zou zijn.

Dat een rapport van het NFI ontbreekt, doet aan het voorgaande naar het oordeel van het hof niet af.

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd primair dat -kort gezegd- de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de in de loods aangetroffen stoffen. De verdachte heeft verklaard dat derden tegen vergoeding spullen hebben opgeslagen in de loods.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

In aanmerking genomen dat zowel op 14 mei 2008 als op 9 december 2008 in de loods in Leimuiderbrug, die niet alleen eigendom is van de verdachte maar bovendien ook door hem wordt gebruikt, grote hoeveelheden hennep zijn aangetroffen, dat in de woning van de verdachte hennep is aangetroffen, dat op andere locaties waarvan de verdachte gebruik maakte goederen zijn aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met (de teelt van) hennep en voorts, dat de vader van de verdachte heeft verklaard dat zijn zoon zich met de inkoop en verkoop van hennep bezighoudt, acht het hof de verklaring van de verdachte dat de in Leimuiderbrug aangetroffen hennep aan een kennis -over wie de verdachte verder geen mededelingen wenst te doen- toebehoorde en dat de verdachte niet wist dat deze hennep in de loods aanwezig was, volstrekt ongeloofwaardig. De verklaring van de verdachte kan niet anders dan tot doel hebben de waarheid te verbloemen, te weten dat de verdachte op 14 mei 2008 en op 9 december 2008 opzettelijk grote hoeveelheden hennep in zijn loods te Leimuiderbrug aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 4

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd primair dat

-kort gezegd- dat niet voldoende duidelijk is of het NFI rapport, dat de uitkomst van het testen van de op 9 december 2008 in de woning aan de [adres] te Rijnsburg aangetroffen stoffen zou bevatten, op deze zaak betrekking heeft. Immers, de aangetroffen stoffen zijn niet elk ingeschreven onder een uniek nummer en de door het NFI gemeten hoeveelheden komen niet overeen met de hoeveelheden die in het proces-verbaal van de politie zijn vermeld. Tevens komt de omschrijving in het rapport van het NFI niet geheel overeen met de omschrijving in het proces-verbaal van de politie.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Het is juist dat de verschillende aangetroffen stoffen niet elk zijn ingeschreven onder een uniek nummer. De naam van de verdachte is echter in het rapport van het NFI opgenomen en het proces-verbaalnummer van het proces-verbaal waarin het testen van de stoffen is gerelateerd (het ‘proces-verbaal testen verdovend middelen’) komt overeen met het in dit rapport vermelde

kenmerk. De omschrijving van de stoffen in het rapport van het NFI komt naar het oordeel van het hof wel overeen met de omschrijving in het proces-verbaal van de politie. Waar het proces-verbaal testen verdovende middelen rept van ‘crystalpoeder’, staat in het rapport van het NFI ‘poeder en brokjes’. Voorts vermeldt het proces-verbaal testen verdovende middelen dat het aangetroffen groene pilletje in twee delen is gebroken, waar de omschrijving in het rapport van het NFI ‘twee tabletdelen’ luidt.

Naar het oordeel van het hof kan aldus bezien niet met vrucht worden gesteld dat de door de raadsvrouw geformuleerde twijfel gerechtvaardigd is. Immers, uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat de weg van de door de politie aangetroffen en in beslag genomen (monsters van) stoffen naar het NFI geen ruimte laat voor redelijke twijfel, zodat het rapport van onderzoek van het NFI voor de bewijslevering bruikbaar is. Het hof overweegt nog voorts, dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 maart 2009 ten aanzien van het aanwezig hebben van de op 9 december 2008 in de woning aan de [adres] te Rijnsburg aangetroffen verdovende middelen een bekennende verklaring heeft afgelegd, van welke bekennende verklaring hij ter terechtzitting in hoger beroep niet is teruggekomen.

Ten aanzien van feit 5

De personenauto (merk BMW) met het kenteken [kenteken 1]

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd -kort gezegd- dat niets erop wijst dat deze auto van de verdachte zou zijn. Tevens heeft zij aangevoerd dat niet is gebleken dat de auto is betaald met uit enig misdrijf afkomstig geld.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 maart 2009 en ter terechtzitting in hoger beroep op 18 februari 2010 verklaard dat hij vaak gebruik maakte van de auto. De vraag aan wie deze auto in eigendom toebehoort, is naar het oordeel van het hof in het kader van de beoordeling van het onder 5 ten laste gelegde niet van doorslaggevende betekenis.

De auto is op 19 september 2006 aangeschaft bij autobedrijf [bedrijf]. [getuige 3], directeur van [bedrijf], heeft ten overstaan van inspecteur van politie [verbalisant 1] verklaard dat voor de auto EUR 35.000 in contanten is betaald, in coupures van EUR 500.

Uit de op 22 september 2006 opgemaakte factuur van [bedrijf] blijkt tevens dat voor de auto EUR 35.000 is betaald. De eerder genoemde [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoor op 9 december 2008 en op de terechtzitting in eerste aanleg als getuige verklaard dat de auto voor ongeveer EUR 15.000 zou zijn aangeschaft. Voorts heeft [getuige 1] tijdens zijn verhoor op 9 december 2008 verklaard dat de auto via de bank is betaald. Over de aankoop van de auto is door de verdachte, zijn vader en zijn moeder ook overigens wisselend verklaard. Immers, op 14 mei 2008 heeft [getuige 2], de moeder van de verdachte, verklaard dat de auto door haar zoon [verdachte] is gekocht en dat zij niet wilde verklaren waarom de auto op haar naam stond. Eveneens op 14 mei 2008 heeft [getuige 1], de vader van de verdachte, verklaard dat de auto eigendom is van zijn zoon. Op 9 december 2008 heeft [getuige 1], de vader van de verdachte, verklaard dat hijzelf niet bij de aankoop van de auto aanwezig was, maar dat zijn zoon [verdachte] en zijn vrouw daarbij aanwezig waren. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 maart 2009 heeft [getuige 1] verklaard dat de auto van zijn vrouw is en dat deze door zijn vrouw is gekocht en betaald. Op 10 december 2008 heeft de verdachte verklaard dat de auto van zijn moeder is, dat zijn moeder deze heeft betaald, dat hij niet weet wanneer en waar de auto is aangeschaft, dat hij niet weet hoe en hoeveel er voor de auto is betaald en dat zijn vader en moeder bij de aankoop aanwezig waren.

In aanmerking genomen achtereenvolgens de genoemde wijze van betaling van de auto (in contanten en in het reguliere handelsverkeer ongebruikelijke coupures), de wisselende en tegenstrijdige inhoud van de omtrent die aanschaf afgelegde verklaringen, het gegeven dat de verdachte in het verleden is veroordeeld ter zake van hennepteelt (hetgeen in de regel (mede) uit winstbejag geschiedt) en in aanmerking genomen dat ook thans ten laste van de verdachte het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep bewezen wordt verklaard, is het hof van oordeel dat het geld voor de aanschaf van de auto slechts afkomstig kan zijn van een misdrijf en dat verdachte zulks wist.

De 8.370 euro contant geld

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd primair dat

-kort gezegd- iedere onderbouwing van de stelling dat het aangetroffen geld -onmiddellijk dan wel middellijk- afkomstig is uit enig misdrijf in het dossier ontbreekt. De verdachte heeft volgens de raadsvrouw over de herkomst van dit geldbedrag een plausibele verklaring afgelegd.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop, dat de wijze waarop de verdachte het in beslag genomen geldbedrag voorhanden heeft gehad, te weten verborgen onder de toiletpot van de caravan in de loods, niet alleen ongebruikelijk is en in zoverre zo al niet op zichzelf, doch in elk geval bezien in de context van de overige resultaten van het opsporingsonderzoek, om een verklaring schreeuwt, het aldus verstoppen van contanten past naar het oordeel van het hof bij hetgeen de ervaring leert omtrent geld met een (on)middellijke criminele herkomst, te weten verstoppen of maskeren door de bezitter daarvan die met die herkomst bekend is. De verklaring van verdachte over de herkomst van het geld -hij zou het geld aan de verkoop van een boot hebben overgehouden- is niet verifieerbaar. Sinds 26 juli 2005 stond een speedboot, merk Rinker, type 232, registratienummer [nummer 1], op naam van de verdachte. Deze speedboot stond echter op 21 januari 2009 nog altijd op zijn naam geregistreerd. In aanmerking genomen genoemde wijze van verbergen van het geld, de hoogte van het geldbedrag en de niet-verifieerbare verklaring die de verdachte omtrent de herkomst van het geld heeft afgelegd, alsmede in aanmerking genomen dat in dezelfde caravan naast het in beslag genomen geld een aanzienlijke hoeveelheid hennep is aangetroffen, is het hof van oordeel dat het geld slechts afkomstig kan zijn van een misdrijf en dat verdachte zulks wist.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

witwassen, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het geldbedrag ten bedrage van 8.370 euro en de personenauto met kenteken [kenteken 1] worden verbeurdverklaard.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in zijn loods in Leimuiderbrug op 14 mei 2008 en op 9 december 2008 groothandelshoeveelheden hennep aanwezig gehad. Gelet op de aanzienlijke hoeveelheden hennep die tweemaal binnen een relatief korte periode zijn aangetroffen, moet deze hennep bestemd zijn geweest voor de handel en daarmee de verdere verspreiding. Hennep kan de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC bevatten en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Daarbij komt dat dergelijke handel -waaraan het bewezen geachte aanwezig hebben moet worden gerelateerd- ook overigens de samenleving bezwaart door de criminaliteit die daardoor wordt gegenereerd of bestendigd.

Voorts heeft de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid geld, te weten 8.370 euro, waarvan hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was, voorhanden gehad.

Daarnaast zijn op 9 december 2008 op de verblijfplaats van de verdachte in Rijnsburg diverse verdovende middelen aangetroffen, te weten amfetamine, cocaine, hennep en hasjiesj.

Ten slotte heeft de verdachte met een ander in een woning in Leimuiden op 9 mei 2008 een speelgoeduzi voorhanden gehad.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiele Documentatie van 9 februari 2010, waaruit blijkt dat hij onder de noemer van hennepteelt eerder voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en voor handelen in strijd met artikel 3 van de Vuurwapenwet is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

Het in beslag genomen geldbedrag van 8.370 euro, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het onder 5 bewezen verklaarde met betrekking tot dit geldbedrag is begaan.

De in beslag genomen personenauto met kenteken [kenteken 1], die verdachte geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het onder 5 bewezen verklaarde met betrekking tot dit voorwerp is begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ten aanzien van hetgeen aan hem onder 5 betreffende de personenauto, de motorfiets en de televisie is ten laste gelegd, ten aanzien van hetgeen aan hem onder 6 betreffende de ploertendoder en het pistool (Walther PPK 7.65 mm) met munitie is ten laste gelegd en ten aanzien van hetgeen aan hem onder 7 is ten laste gelegd.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten: EUR 8370 (achtduizend driehonderdzeventig euro).

Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: de personenauto met het kenteken [kenteken 1], merk BMW, kleur zwart.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- de motorfiets met het kenteken [kenteken 2], merk Yamaha

- de vordering: [bank] [nummer 2], ondernemersrekening t.n.v. [verdachte]

- de vordering: [bank] [nummer 3], spaarrekening t.n.v. [verdachte].

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. N.F. van Manen, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 maart 2010.