Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7391

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
12-03-2010
Zaaknummer
23-000490-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrachting. Verwerping van bewijsverweer, gericht op ontbreken bewijs geweld/feitelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000490-09

datum uitspraak: 4 maart 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2009 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-457671-08 (zaak A) en 13-453003-06 (zaak B), alsmede 23-002549-06 (tenuitvoerlegging) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres], thans gedetineerd in [detentieadres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 december 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 januari 2010 en 18 februari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzittingen in eerste aanleg van 19 juni 2008 en 31 december 2008 op vorderingen van de officier van justitie toegestane wijzigingen van de tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, dat:

Zaak A

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 2 oktober 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet de keel van die [slachtoffer A] (langdurig) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 2 oktober 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend de keel van [slachtoffer A] (zijn, verdachtes, levensgezel) heeft dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

feit 2 primair:

hij op of omstreeks 2 oktober 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A] (meermalen) met een (houten) stok tegen het hoofd en/of de rug en/of de arm(en) en/of het/de be(e)n(en) en/of de heup(en), althans het lichaam, heeft geslagen

feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 2 oktober 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer A],(meermalen) met een (houten) stok tegen het hoofd en/of de rug en/of de arm(en) en/of het/de be(e)n(en) en/of de heup(en), althans het lichaam, heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

Zaak B

hij op of omstreeks 5 september 2005 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer B] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer B] (hard) aan haar haren getrokken en/of aan een arm van die [slachtoffer B] gedraaid en/of die [slachtoffer B] tegen een hek geduwd en/of die [slachtoffer B] een of meermalen in het gezicht gestompt en/of geslagen en/of die [slachtoffer B] aan haar haren naar beneden getrokken waarbij die [slachtoffer B] op de grond is gevallen en/of heeft hij, verdachte, zijn, verdachtes broek omlaag gedaan en/of de bovenbroek en/of de onderbroek van en/of andere kledingstukken van die [slachtoffer B] uit- en/of naar beneden getrokken en/of uitgedaan en heeft hij, verdachte, zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer B] geduwd en/of gebracht en/of met die (stijve) penis een of meer heen en weergaande en/of stotende bewegingen in die vagina gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat op grond van de stukken in het dossier weliswaar buiten twijfel is dat tussen de verdachte en [slachtoffer A] een schermutseling heeft plaatsgevonden, doch dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zodanige onduidelijkheid is blijven bestaan omtrent de feitelijke gang van zaken, dat dit aan een bewezenverklaring van beide feiten in weg staat.

Formeel verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd -kort gezegd- dat de op 17 oktober 2006 door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring niet tot bewijs mag dienen, nu de verdachte zonder bijstand van een tolk is gehoord, hij voorafgaand aan het verhoor geen contact met een raadsman heeft gehad en hij de verklaring niet heeft ondertekend.

De raadsman van de verdachte concludeert op basis van het bovenstaande tot bewijsuitsluiting van die verklaring.

Het hof komt aan de bespreking van dit verweer niet toe, nu de verklaring waarop de raadsman doelt niet tot bewijs wordt gebezigd.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij omstreeks 5 september 2005 te Amsterdam door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer B] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte die [slachtoffer B] (hard) aan haar haren getrokken en aan een arm van die [slachtoffer B] gedraaid en die [slachtoffer B] tegen een hek geduwd en die [slachtoffer B] een of meermalen in het gezicht geslagen en die [slachtoffer B] aan haar haren naar beneden getrokken, waarbij die [slachtoffer B] op de grond is gevallen en heeft hij, verdachte zijn broek omlaag gedaan en de bovenbroek en/of de onderbroek en/of andere kledingstukken van die [slachtoffer B] uit- en/of naar beneden getrokken en heeft hij, verdachte, zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer B] gebracht en met die (stijve) penis een of meer stotende bewegingen in die vagina gemaakt.

Hetgeen in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van een verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting gemotiveerd geconcludeerd dat, nu naast de aangifte van [slachtoffer B] elk bewijs dat verdachte haar heeft gedwongen seks met hem te hebben ontbreekt, de verdachte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij en [slachtoffer B] op vrijwillige basis seks hebben gehad, niet onaannemelijk is.

Het hof overweegt allereerst dat [slachtoffer B] verscheidene malen consistent en duidelijk over de feitelijke gang van zaken heeft verklaard, zowel kort na de verkrachting, als ten tijde van haar aangifte nadien. Het hof heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer B] getoetst door haar verhoor als getuige ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof overweegt voorts dat het voor de juistheid van de verklaring van [slachtoffer B] op onderdelen verankering vindt in hetgeen door politieambtenaren is waargenomen toen [slachtoffer B] nog dezelfde nacht korte tijd na de verkrachting op het politiebureau verscheen. [verbalisant 1] relateert dat [slachtoffer B] met twee vriendinnen op het politiebureau kwam, dat een van deze vriendinnen verklaarde dat zij aangifte wilde doen omdat [slachtoffer B] was verkracht, dat [slachtoffer B] rood doorlopen ogen had, dat zij eruit zag alsof zij kort tevoren had gehuild en dat zij de indruk wekte zeer ontdaan te zijn. [verbalisant 2] relateert dat [slachtoffer B], terwijl zij ongemakkelijk en ineengedoken op een stoel zat, geemotioneerd en huilend verklaarde kort daarvoor te zijn verkracht en dat [slachtoffer B] later bij het terugzien van de plaats waar zij was verkracht, begon te huilen en verklaarde dat ze moeite had om de plaats van de verkrachting terug te zien. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft [slachtoffer B] als getuige consistent en gedetailleerd verklaard, in overeenstemming met haar hiervoor weergegeven verklaringen ten overstaan van de verbalisant [verbalisant 2] en haar aangifte. Het hof overweegt dat [slachtoffer B] daarbij op het hof als getuige een authentieke en betrouwbare indruk heeft gemaakt.

Het hof is van oordeel dat de evenbedoelde waarnemingen door de verbalisanten de inhoud van de verklaring van [slachtoffer B] voldoende steun bieden. De door de verbalisanten waargenomen toestand van [slachtoffer B] vormt immers een bevestiging voor haar verklaring dat sprake was van een verkrachting en wijst niet op een vrijwillige gemeenschap. De mogelijkheid dat de toestand waarin [slachtoffer B] verkeerde niet door een verkrachting, maar door (louter) andere oorzaken zou zijn ontstaan, is door het hof onder ogen gezien; op grond van haar verhoor als getuige ter terechtzitting, bezien in verband met de inhoud van de stukken in het dossier, acht het hof echter niet aannemelijk geworden dat die mogelijkheid zich heeft voorgedaan.

Het hof acht derhalve de aangifte van [slachtoffer B] betrouwbaar en in voldoende mate ondersteund door ander bewijsmateriaal. Gelet daarop acht het hof de stelling van de verdachte dat hij en [slachtoffer B] op vrijwillige basis seks hebben gehad ongeloofwaardig en gaat het daaraan voorbij. Daarbij overweegt het hof voorts dat voor de aannemelijkheid van die stelling in het dossier ook overigens geen steun te vinden is.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde en voor het in zaak B ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde en voor het in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een minderjarig meisje. Hij heeft haar op de openbare weg, in haar eigen woonomgeving, verkracht. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. De ervaring leert dat slachtoffers van verkrachting vaak nog lange tijd nadelige psychische gevolgen daarvan ondervinden. Hij heeft door te handelen als door het hof is bewezen geacht bovendien een zeker gevoel van veiligheid bij het slachtoffer dat aan de directe woonomgeving is verbonden op grove wijze geweld aangedaan.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiele Documentatie van 8 februari 2010, waaruit blijkt dat hij voor het bewezen verklaarde feit niet eerder was veroordeeld, doch nadien meermalen voor andersoortige feiten tot (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen is veroordeeld.

Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg met ongeveer drie maanden is overschreden. Naar het oordeel van het hof is deze termijnoverschrijding echter, gelet op de onderzoekswensen die de verdediging in eerste aanleg naar voren heeft gebracht en de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, niet van dien aard dat deze in de op te leggen straf dient te worden verdisconteerd.

Gelet op het moment waarop de verdachte voor het eerst aan het bewezen verklaarde feit werd gekoppeld, afgezet tegen de datering van de tussenliggende veroordelingen van verdachte, heeft de raadsman op goede gronden met nadruk op de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht gewezen. Het hof houdt bij het bepalen van de op te leggen straf dan ook rekening met hetgeen in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald. Aangezien de tussenliggende veroordeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een duur van 36 maanden inhoudt, en voorts gelet op de aard en ernst van het in de onderhavige zaak bewezen geachte misdrijf, geeft toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht geen aanleiding tot matiging van de op te leggen straf.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 december 2006, parketnummer 23-002549-06, ten aanzien van de bij dat arrest voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden afwijzen, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder A ten laste gelegde en de voorwaardelijke straf is opgelegd na het plegen van het onder B bewezen geachte feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte in zaak B ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem in zaak B ten laste gelegde feit.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, door het hof gewaardeerd op een bedrag van vijfentwintig euro, heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van hetgeen aan hem in zaak A onder 3 is ten laste gelegd.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak B meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie Amsterdam van 23 oktober 2008, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 december 2006 met parketnummer 23-002549-06 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer B]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het in zaak B bewezen verklaarde en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer B], wonende te [woonplaats], een bedrag van EUR 25,00 (vijfentwintig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 25,00 (vijfentwintig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer B].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (een) dag, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan een van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. N.F. van Manen, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 maart 2010.