Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL6532

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
23-006574-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR3045, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR3045
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer cocaïne. Vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich niet kan verenigen met de gegeven beslissing tot vrijspraak. Salduzverweer verworpen. Geen vormverzuim in de zin van artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Noodzaakscriterium bij beoordeling van ter terechtzitting door de raadsman gedane verzoeken. Bevel gevangenneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006574-08

datum uitspraak: 11 februari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-997087-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 25 en 26 november 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 25, 26 en 28 januari 2010.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg op 3 juni 2008 en op 25 november 2008 op vordering van de officier van justitie toegestane identieke wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopie?n in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet kan verenigen met de gegeven beslissing tot vrijspraak.

Bespreking van de verweren

1. Het verweer van de raadsman komt er in de kern op neer dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer [telefoonnummer], noch dat de verdachte, die bij de observaties op 17 september 2007 als NN02 is aangeduid, dezelfde persoon is als degene die NN03 wordt genoemd bij de observaties op 18 september 2007, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het ook aan de andere verdachten ten laste gelegde feit, te weten de uitvoer van 36,7 kilogram [cocaïne] in de periode van 15 tot en met 18 september 2007.

2. Het hof overweegt als volgt.

2.1 De verdachte is bij zijn verhoren bij de politie uitgebreid ondervraagd over de inhoud van de gesprekken die hij in de periode van 15 tot en met 18 september 2007 zou hebben gevoerd met het telefoonnummer [nummer], alsmede (naast zijn activiteiten op 17 september 2007) over zijn activiteiten op 18 september 2007. De verdachte heeft in zijn verhoor van 29 november 2007 omstreeks 14.05 uur onder meer het volgende verklaard:

(vragen verbalisanten cursief)

Beschrijf dinsdag 18 september 2007 eens. Hoe is die dag voor jou verlopen?

Misschien heb ik achterin een auto gezeten (...)

Tapgesprek dinsdag 18 september 2007, gesprek 409.

Wie kan het krijgen voor 31 en een half.

Ik weet het niet, misschien zei ik dat zomaar, het betekent niets.

Praten we over geld of over drugs?

Ik geloof iets van wisselkoers (...)

Waar was jij dan toen ze bij die locatie (het hof begrijpt: [straat] in Ilpendam) waren?

Misschien was ik daar wel.

Hoe ben je daar naar toe gegaan?

(...)

Wie is Ali?

(...)

Kan het een taxichauffeur zijn?

Ik denk dat ik met een taxi gekomen ben.

Wat moest daar gebeuren op die locatie? Op die plek?

(...) Ik was daar alleen maar.

Wat moest je doen?

Niets, ik hoefde er alleen te zijn. Het was een halve gunst van hun voor mij.

Wat is jouw rol geweest op dinsdag de 18e september 2007?

Geen rol, ik was er gewoon, ik dacht dat ik iets bij kon verdienen.

2.2 Deze uitlatingen van de verdachte laten geen andere conclusie toe dan dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer [nummer] waarmee het bewuste gesprek is gevoerd.

De inhoud van de door de verdachte verder gevoerde telefoongesprekken, in samenhang bezien met de inhoud van de overige bewijsmiddelen - waaronder uitdrukkelijk niet de inhoud van de hierna nog nader te noemen aanvullende processen-verbaal van december 2009 - laten zien dat hij intensief is betrokken bij de totstandkoming van de uitvoer van de [cocaïne] en als medepleger daarvan kan worden beschouwd.

Tijdens voormeld verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij op 18 september 2007 met een taxi kan zijn gekomen naar een locatie (het hof begrijpt gezien de inhoud van de bewijsmiddelen: de [straat] in Ilpendam), waar hij aanwezig is geweest met de gedachte iets bij te kunnen verdienen. Uit deze omstandigheid in samenhang bezien met de inhoud van het proces-verbaal van observatie van 18 september 2007 volgt tevens dat het de verdachte is die toen als NN03 is aangeduid, zijnde de persoon die toen met een taxi arriveerde.

2.3 De gegevens (paallocaties) met betrekking tot het telefoonnummer [nummer], het proces-verbaal van observatie van 17 september 2007 en de verklaring van de verdachte leiden tot de conclusie dat de verdachte degene is die tijdens de observaties op 17 september 2007 als NN02 is aangeduid.

Immers, de telefoon met het nummer -982- dat in gebruik was bij de verdachte straalde om 15.56 uur een zendmast aan in het centrum van Amsterdam en om 16.26 uur en 16.47 uur een zendmast in Diemen. Om 16.00 uur werd geobserveerd dat de verdachte zich bevond in een Toyota Auris die om 15.43 uur uit een parkeergarage in het centrum van Amsterdam wegreed. Andere inzittenden waren NN01, later [geïdentificeerd] als de verdachte [A] en NN148, later [geïdentificeerd] als de verdachte [B]. Uit de processen-verbaal van afgeluisterde telefoongesprekken blijkt niet dat laatstgenoemden gebruiker zijn geweest van het telefoonnummer [nummer].

Immers, de verdachte [B] communiceerde gedurende het onderzoek met de telefoonnummers [telefoonnummers] en de verdachte [A] met het telefoonnummer [telefoonnummer] (proces-verbaal van bevindingen B1 029, B1 par. 4.1).

Vervolgens is geobserveerd dat deze Toyota zich richting Diemen begaf en om 17.11 uur zich ook daadwerkelijk in Diemen bevond.

Daarna is geobserveerd dat de Toyota uit Diemen via de A10 naar het Hageland in Amsterdam is gereden, gevolgd door de Vauxhall, waarin op 18 september 2007 de [cocaïne] is aangetroffen. De als NN02 aangeduide persoon is daar uitgestapt en heeft een tas binnen het appartementencomplex aan het Hageland gebracht. Van deze persoon is een observatiefoto gemaakt. De verdachte heeft (onder meer ter terechtzitting in eerste aanleg) verklaard dat hij deze persoon is.

Het voorgaande leidt het hof eveneens tot de conclusie dat de verdachte op 17 september 2007 is aangeduid als NN02 en op 18 september 2007 als NN03.

2.4 De raadsman heeft met betrekking tot de verklaringen van de verdachte, afgelegd bij de politie, nog betoogd dat de verdachte niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, zodat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen er toe dient te leiden dat deze verklaringen niet aan het bewijs mogen bijdragen.

De raadsman heeft dit gebaseerd op de volgende gronden:

- de verdachte werd bij de in verzekering stelling niet vergezeld door een raadsman;

- uit de processen-verbaal van verhoor bij de politie blijkt niet dat de verdachte voorafgaand aan of tijdens de verhoren rechtsbijstand heeft gehad;

- volgens het proces-verbaal van voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft de raadsvrouw aldaar betoogd:

* dat de verdachte meerdere malen heeft aangegeven een advocaat te willen spreken en dat hij op het politiebureau geen rechtsbijstand heeft gehad;

* dat een kantoorgenote op 29 november 2007 in de avond op de hoogte is gebracht van de aanhouding van de verdachte, maar niet via de politie of de piketcentrale.

2.4.1 Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

a. De gronden die de raadsman heeft aangevoerd dwingen, noch op zichzelf, noch in samenhang bezien tot de gevolgtrekking dat de verdachte niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen.

b. Uit een proces-verbaal van de verbalisanten [1] en [2] van 14 december 2007 (C5 0057) leidt het hof af dat de verdachte wel uitdrukkelijk op zijn consultatierecht is gewezen en ook daarvan reeds op de hoogte was, maar daar kennelijk geen gebruik van heeft willen maken.

Dit proces-verbaal houdt immers onder meer in als verklaring van verbalisanten:

"Op donderdag 29 november 2007 hebben wij, verbalisanten, [meneer X] gehoord. Tijdens het eerste sociale verhoor en het eerste zakelijke verhoor gaf [meneer X] ons aan dat hij contact wilde met zijn advocaat die hem ook in een eerdere zaak had bijgestaan. Hierop hebben wij hem gevraagd naar de naam van de advocaat die hij wenste en hoe wij deze persoon konden contacten. Hij gaf hierop aan dat hij geen naam of telefoonnummer van deze advocaat had. Hij kon zich de naam niet herinneren en had ook in zijn fouillering of bagage hieromtrent geen gegevens. Hij gaf ons hierbij tevens aan dat hij onvermogend was.

Tevens hebben wij [meneer X] op dat moment ook aangegeven dat hij voor eigen kosten zich door een willekeurige advocaat kon laten bijstaan.

Hem is ook medegedeeld dat hij recht had op een pro deo advocaat van rechtswege, vanaf het moment van inverzekeringstelling en dat hij dan wordt aangemeld bij de Piket Centrale van Advocaten. Hem is ook nog meegegeven dat hij mogelijk via deze advocaat zijn voorkeursadvocaat kon inschakelen.

Bovenstaande verdachte is bij de Piket Centrale van Advocaten aangemeld onder de naam [meneer X], de ons toen bekende naam van [verdachte].

Eerst tijdens latere verhoren bleek dat [meneer X] zich bediende van een valse identiteit en in werkelijkheid [verdachte] heette."

c. In het dossier bevindt zich voorts een bevel inverzekeringstelling van 29 november 2007 om 11.30 uur, waarin is vermeld dat een afschrift van het bevel is verzonden aan de raadsman van de verdachte (C5 0029).

d. Voorts is niet gebleken dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft genomen van zijn bij de politie afgelegde verklaringen. Hij is ter terechtzitting in eerste aanleg met de desbetreffende verklaringen geconfronteerd en heeft daarover toen verklaard:

"Ik heb mezelf op de observatiefoto van 17 september 2007 herkend voor het huis van [B]. Ik zat in de auto. Ik heb ook het getal 2000 genoemd bij de politie maar dat heeft te maken met de 17e september. Ik ben het niet eens met de weergave van sommige stukken van mijn verhoor bij de politie. Ik heb iets verklaard over maandag 17 september en daar heeft de politie dinsdag 18 september van gemaakt."

Hij heeft aldus op een paar punten zijn verklaringen verduidelijkt of aangevuld, en niet nader geconcretiseerd met de weergave van welke stukken van zijn verhoren bij de politie hij het overigens niet eens is. Hij heeft zich verder - ook in hoger beroep - op zijn zwijgrecht beroepen.

2.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht dan wel anderszins gronden zijn voor bewijsuitsluiting van de verklaringen van de verdachte zoals afgelegd bij de politie.

Hetgeen de raadsman overigens naar voren heeft gebracht doet daar niet aan af.

2.6 Zonder de inhoud van de aanvullende processen-verbaal, genummerd 1.1 tot en met 1.9, die in december 2009 zijn opgemaakt en waarin onder meer op basis van herkenning en stemherkenning nader uiteen wordt gezet: (1) waarom de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] moet zijn geweest en (2) dat hij op 17 september 2007 als NN02 is aangeduid en op 18 september 2007 als NN03, kan daarover, gelet op het voorgaande, dus geen misverstand bestaan.

Hetgeen de raadsman met betrekking tot de (totstandkoming en betrouwbaarheid van de) inhoud van die aanvullende stukken verder heeft opgemerkt bij de bespreking van de aanvullingen 1.1. tot en met 1.9, behoeft onder die omstandigheden geen bespreking meer, nu daaraan verder geen relevante betekenis toekomt.

Subsidiaire verzoeken van de raadsman

De raadsman heeft subsidiaire verzoeken gedaan indien het hof niet tot vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde zou besluiten. De verzoeken zullen hier worden besproken omdat, de voorwaarde waaronder zij zijn gedaan is vervuld. Ook de verzoeken die reeds op de terechtzitting van 25 januari 2010 zijn gedaan, worden hier besproken.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 25 januari 2010, zoals herhaald bij pleidooi ter terechtzitting van 28 januari 2010, verzocht de getuigen [1], [3] en T19 (tolk) als getuigen op te roepen. Het hof had op 25 januari 2010 de beslissing op die verzoeken aangehouden en bepaald dat daarop bij tussen- of einduitspraak zou worden beslist.

Ook heeft de raadsman bij pleidooi verzocht de getuigen [2] en [4] nogmaals op te roepen. Deze getuigen waren op de terechtzitting van 26 januari 2010 reeds gehoord. Op de terechtzitting van 28 januari 2010 had het hof een toen eerder gedaan soortgelijk verzoek van de raadsman afgewezen.

Ook heeft de raadsman verzocht als getuigen op toe roepen:

- [naam 1] (zaaksofficier van justitie),

- [naam 2] (hoofdinspecteur van politie),

- [naam 3] (inspecteur van politie),

en

- alle verbalisanten die:

* aanwezig zijn geweest bij de observaties op 17 en 18 september 2007,

* aanwezig zijn geweest bij de teambespreking naar aanleiding van de observaties van 17 en 18 september 2007

- de personen die werkzaam waren in de meldkamer op 17 en 18 september 2007 en die de inkomende berichten vanuit de observatieauto's hebben ontvangen.

Tenslotte heeft de raadsman verzocht alle logstukken/journaals van de observaties op 17 en 18 september 2007 aan het dossier toe te voegen.

Op de terechtzitting van 28 januari 2010 had het hof een toen eerder gedaan soortgelijk verzoek van de raadsman afgewezen.

De redengeving van de verzoeken is gelegen in de onduidelijkheid die volgens de raadsman rijst op grond van de eerder vermelde aanvullende processen-verbaal van december 2009 van met name de herkenning van de verdachte op 18 september 2007 als de NN02 van 17 september 2007 (1.6) en de stemherkenning (1.9). Ook bestaat volgens de raadsman onduidelijkheid over de totstandkoming van die aanvullende processen-verbaal. De raadsman heeft ter zake voortgebouwd op hetgeen hij in zijn pleidooi ten aanzien van de aanvullende stukken genummerd 1.1 tot en met 1.9 eerder naar voren had gebracht.

Gelet op het late tijdstip van totstandkoming en toezending van die aanvullende processen-verbaal moet volgens de raadsman het verdedigingscriterium worden gehanteerd bij de beoordeling van de verzoeken.

Het hof overweegt als volgt.

De raadsman heeft zijn verzoeken ter terechtzitting gedaan. Reeds daarom is het noodzaakcriterium van toepassing bij de beoordeling ervan.

De verzoeken zijn gebaseerd op de inhoud van de aanvullende stukken, zoals hiervoor weergegeven. Omdat deze in een laat stadium aan de raadsman zijn toegezonden, zal dat bij de beoordeling van de noodzaak van het verzochte een element zijn dat uitdrukkelijk een bepaald gewicht toekomt. In zoverre ligt in dit geval bij de beoordeling van het verzoek het criterium van het verdedigingsbelang dan niet ver af van het noodzaakcriterium.

Een en ander heeft er ook toe geleid dat het hof de ter terechtzitting van 25 januari 2010 gedane verzoeken om de getuigen [2] en [4] als getuigen op de terechtzitting op te roepen heeft toegewezen, omdat het dat noodzakelijk achtte.

Een late toezending van aanvullende stukken brengt echter niet zonder meer mee dat het hof de verzoeken reeds daarom aan een ander criterium, te weten het verdedigingsbelang, zou moeten toetsen.

De raadsman heeft zijn verzoeken gebaseerd op de inhoud van de aanvullende stukken, zoals hiervoor weergegeven, en de onduidelijkheden die op grond daarvan zijn gerezen.

Achtergrond daarbij is hetgeen hiervoor onder 1. als kern van het pleidooi van de raadsman is weergegeven.

Het hof heeft hiervoor onder 2.1, 2.2 en 2.3 echter overwogen dat en waarom er geen misverstand over kan bestaan dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [nummer] , en als medepleger is betrokken bij de ten laste gelegde uitvoer van [cocaïne].

Daarnaast heeft het hof uiteengezet waarom het er in dat verband van uit gaat dat de verdachte bij de observaties op 17 september 2007 NN02 is genoemd en op 18 september 2007 NN03.

Het hof is van oordeel, zoals onder 2.6 is overwogen, dat - zonder de inhoud van de aanvullende stukken in zijn oordeel te betrekken - daarover geen misverstand kan bestaan.

Dit betekent dat er geen noodzaak aanwezig is voor hetgeen door de raadsman is verzocht.

De verzoeken worden daarom afgewezen.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

onder 1 primair

hij in de periode van 15 september 2007 tot en met 18 september 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, lid 5 van de Opiumwet, 36,7 kilogram [cocaïne];

onder 2

hij op 28 november 2007 te Schiphol, Gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Brits paspoort op naam van [meneer X], welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, met dit paspoort Nederland is ingereisd en zich met dit paspoort heeft gelegitimeerd ten opzichte van politieagenten werkzaam bij de Dienst Nationale Recherche.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken voor het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en voor het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof ten aanzien van het beslag zal beslissen conform de rechtbank.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van bijna 37 kilo [cocaïne].

[cocaïne] is een voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stof. De internationale handel in harddrugs, waaronder die in [cocaïne], leidt tot ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het gebruik van harddrugs te bestrijden. De in dit geval uitgevoerde hoeveelheid [cocaïne] is van een zodanige omvang dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in [cocaïne] wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Van algemene bekendheid is dat de uitvoer van en de handel in dergelijke hoeveelheden [cocaïne] uiterst lucratief is. Kennelijk heeft de verdachte zich uitsluitend laten leiden door winstbejag, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke schade die door zijn handelen wordt veroorzaakt.

Uit de stukken in het dossier heeft het hof afgeleid dat de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van dit transport, waarbij hij zijn mededaders onder meer toegang heeft verschaft tot een ruimte waar de [cocaïne] in alle rust in een auto kon worden verstopt. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof mede daarop gelet.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel [Justitiële] Documentatie van 22 januari 2010 is verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Daar staat tegenover dat de verdachte in Engeland in de periode van 1983 tot en met 1994 vele malen ter zake van (ernstige) strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het omtrent de verdachte opgestelde voorlichtingsrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering van 28 mei 2008.

Het hof is, gelet op de aard van de feiten en de rol die de verdachte daarin heeft vervuld van oordeel dat, oplegging van een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden is.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerp 2, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het voorwerp door middel van het onder 2 bewezenverklaarde is verkregen.

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerp 1, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het onder 2 bewezengeachte met behulp van dit voorwerp is begaan, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde [voor] de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp 1, te weten: een paspoort op naam van [meneer X].

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp 2, te weten: een open water diver certificaat op naam van [meneer X][naam].

Beveelt de gevangenneming van verdachte welke beslissing afzonderlijk zal worden geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2010.