Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL6531

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
23-002237-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV2954, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV2954
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld wegens (medeplegen van) valsheid in geschrift en fiscale fraude in de vishandel. Aan een Duits bedrijf werd door het bedrijf van de verdachte vis verkocht, maar slechts een deel van de geleverde vis werd op een factuur vermeld. Het resterende deel werd contant betaald, waarmee weer nieuwe verse vis werd betaald. Deze valse facturen lagen vervolgens mede ten grondslag aan aangiften omzet- en vennootschapsbelasting. Aan de aangiften omzetbelasting hebben voorts mede ten grondslag gelegen facturen gericht aan een naar het oordeel van het hof niet bestaand bedrijf. De verdachte wordt vrijgesproken van het valselijk opmaken van deze facturen.

In het arrest is een uitgebreide bewijsoverweging opgenomen. Een beroep op nietigheid van de dagvaarding t.a.v. één van de feiten wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002237-06

datum uitspraak: 24 februari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 2 mei 2006 in de strafzaak onder parketnummer 15-993018-05 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 april 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 20 oktober 2008 en 10 februari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, mr. K. Versteeg en mr. A.J.N. van Stigt, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 oktober 1999 t/m 23 mei 2002 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een factuur van De Jutter Zeevis B.V. (D/66 t/m D/77),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk in die factu(u)r(en) vermeld en/of (doen) laten vermelden dat

- De Jutter Zeevis B.V. is gevestigd aan de Kleine Visserstraat 27, 2585 DX Scheveningen en bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd ondernummer 33871 en/of

- De Jutter Zeevis B.V. de in die factu(u)r(en) vermelde (partij(en) vis(sen) heeft verkocht en/of geleverd aan [C - B.V.], terwijl in werkelijkheid

- De Jutter Zeevis B.V. niet bestond en/of

- De Jutter Zeevis B.V. die in die factu(u)r(en) vermelde partij(en) vis(sen) niet heeft geleverd aan [C - B.V.],

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

feit 2

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 april 2000 tot en met 10 mei 2002 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) factu(u)r(en) van [C - B.V.]. aan A. Simonsen GmbH te Hamburg (D/78 t/m D/86) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

- valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk in die factu(u)ren niet de totale op of omstreeks de betreffende factuurdat(um)(a) aan A. Simonsen GmbH verkochte/geleverde hoeveelhe(id)(den)vis vermeld en/of (doen) laten vermelden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

feit 3:

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 november 1999 tot en met 19 juni 2002 te Haarlem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en)(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) ten name van Fiscale eenheid [A - B.V.] en [C - B.V.] voor de omzetbelasting over de periode oktober 1999 tot en met december 1999 en/of het/de jaar/jaren 2000 en/of 2001 en/of de periode van januari 2002 tot en met mei 2002 (D16 t/m D/47), onder meer

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 1999 (D/16) en/of

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 2000 (D/28) en/of

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 2001 (D/40) en/of

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak april 2002 (D/46),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Haarlem ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) periode(n) en/of jaar/jaren (telkens) bijvraag 5b "voorbelasting" een bedrag opgegeven dat (mede) was opgebouwd uit de op de facturen van De Jutter Zeevis B.V. aan [C - B.V.] in rekening gebrachte BTW, althans een te laag belastbaar bedrag, althans telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

feit 4:

hij op of omstreeks 5 juni 2000 en/of 9 april 2001 en/of 18 februari 2003 en/of 4 maart 2004 te Haarlem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van [B - B.V.] over het/de jaar/jaren 1999 en/of 2000 en/of 2001 en/of 2002 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Haarlem ingeleverde aangiftebiljet(ten) vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag (belastbaar) bedrag aan omzet, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven/vermeld en/of (doen) laten opgeven/vermelden, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerd verweer ten aanzien van feit 4

De raadslieden hebben betoogd dat ten aanzien van feit 4 de dagvaarding nietig dient te worden verklaard omdat de tenlastelegging van dit feit niet voldoet aan de eisen die de wet in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het onder feit 4 ten laste gelegde behelst – kort gezegd – de volgende gedraging: aangiften vennootschapsbelasting zijn onjuist en/of onvolledig gedaan doordat in de daarvoor bestemde aangiftebiljetten telkens te lage bedragen zijn opgegeven. Deze gedraging is in de tenlastelegging naar het oordeel van het hof voldoende concreet, begrijpelijk en duidelijk omschreven. Het feit sluit bovendien aan op het complex aan feiten dat aan de verdachte onder feit 1, 2 en 3 is ten laste gelegd. Naar het oordeel van het hof moet de verdachte in staat worden geacht het onder feit 4 ten laste gelegde te begrijpen en kon bij de verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs geen twijfel ontstaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Uit de proceshouding van de verdachte is ter ter terechtzitting niet het tegendeel gebleken. Het hof is derhalve van oordeel dat onder feit 4 ten laste gelegde voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De verdachte wordt verweten dat hij als (mede)pleger de facturen van De Jutter Zeevis B.V. heeft vervalst. Daargelaten de vraag of de facturen vals zijn, kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte als (mede)pleger zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen zelf. Dat de betreffende facturen zijn gebruikt maakt immers nog niet dat de gebruiker tevens de vervalser is. De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] over de handgeschreven facturen (D/61 2-4 en D/62 3-3) acht het hof niet redengevend, nu deze facturen dateren van ver vóór de tenlastegelegde periode.

De bewijsbeslissing

De raadslieden hebben een aantal vrijspraakverweren gevoerd.

De facturen inzake de leveringen aan Simonsen GmbH (feiten 2 en 4)

Door de raadslieden is betoogd dat de facturen van [C - B.V.] en gericht aan het Duitse bedrijf Simonsen GmbH niet vals zijn. De op de factuur vermelde goederen zijn immers wel degelijk geleverd. Dat daarnaast een deel van dezelfde levering niet is vermeld op de factuur doet daaraan niet af, nu dat gedeelte contant is voldaan.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat met één en dezelfde levering, een gedeelte daarvan is verantwoord op de factuur. Dat volgt ook uit de ‘Lieferscheine’. Op de ‘Lieferscheine’ is immers meer vis vermeld dan uiteindelijk op de factuur is vermeld. Uit de verklaringen van, onder meer, de verdachte volgt dat de contante betalingen werden gebruikt voor de inkoop van nieuwe vis bij [betrokkene], die eveneens contant moesten worden afgerekend door de verdachte. De vis die de verdachte bij [betrokkene] kon kopen wilde [betrokkene] alleen zonder factuur kopen, aldus de verdachte. De prijs die [betrokkene] vroeg was laag en voor die prijs had de verdachte het niet ergens anders kunnen kopen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij daarom geld nodig had wat niet in de boekhouding zat om deze vis te kopen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat een aantal verkopen aan Simonsen niet werden verantwoord in de verkoopadministratie.

Gelet op bovenstaande verklaringen staat, naar het oordeel van het hof, vast dat de contante ontvangsten en betalingen niet zijn verantwoord in de boekhouding en bovendien aan de fiscus als omzet niet is opgegeven, hetgeen ook door de medeverdachte [medeverdachte] wordt erkend. Het gaat hier om essentiële en onmisbare informatie die opzettelijk niet is vermeld op de facturen. Het nalaten van het vermelden van de juiste volledige leveringen levert dan ook, naar het oordeel van het hof, valsheid op van deze facturen.

Naar het oordeel van het hof is op grond van bovenstaande tevens het oogmerk en de opzet gegeven.

De bewijsbestemming

Dat bovengenoemde facturen geen bewijsbestemming zouden hebben vindt naar het oordeel geen steun in het recht en wordt daarom verworpen. Ten eerste is de bewijsbestemming van de facturen gelegen in de zakelijke verhouding van [C - B.V.] en A. Simonsen GmbH. Ten tweede hebben de facturen een bewijsbestemming in verband met de bedrijfsadministratie van het bedrijf van de verdachte.

Dat de facturen geen bewijsbestemming zouden hebben omdat voor de export geen omzetbelasting is verschuldigd volgt het hof niet. Dit geldt eveneens voor het verweer dat de vennootschapsbelasting alleen wordt bepaald aan de hand van het fiscaal ondernemingsvermogen en dat de facturen daarbij geen rol spelen.

Naar het oordeel van het hof brengt de ratio van de ter zake geldende fiscaalrechtelijke bepalingen met zich dat het nultarief in het intercommunautaire verkeer immers eerst toepasbaar is te achten wanneer goederen vervoerd worden naar een andere lidstaat én wanneer deze goederen aldaar feitelijk ook kunnen worden onderworpen aan heffing van belasting. Daarbij dient - gezien het wettelijk systeem van heffingen - te worden uitgegaan van de juistheid van de factuur. Daarvan is in deze zaak geenszins sprake.

Bovendien zijn voor de vaststelling van de vermogenspositie ook de netto-omzetgegevens van belang. Het hof wijst in dit verband op vraag 15a van de aangifte vennootschapsbelasting. Voor de vaststelling van de juiste netto-omzetgegevens dient – gezien het wettelijk systeem van de heffingen – ook hier te worden uitgegaan van de feitelijke juistheid van de facturen.

De facturen van De Jutter Zeevis B.V. (feit 3)

Aan de aangiften omzetbelasting over tijdvakken in de jaren 1999 tot en met 2002 hebben (mede) facturen ten grondslag gelegen die afkomstig waren van De Jutter Zeevis B.V.. Uit onderzoek van de forensische account Koopman alsook uit onderzoek van de FIOD-ECD volgt dat genoemd bedrijf helemaal niet heeft bestaan. Eén van de werknemers die bij de verdachte al 20 jaar werkt heeft ook nooit gehoord van dat bedrijf. Als er daadwerkelijk leveringen zijn geweest moet hij dat zeker hebben geweten, aldus de getuige [getuige]. Naar het oordeel van het hof volgt dan ook uit de bewijsmiddelen dat de betreffende facturen vals zijn. Verder staat vast de facturen van dit niet bestaande bedrijf zijn gebruikt door de verdachte en zijn medeverdachten voor het doen van de aangifte omzetbelasting. De verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte acht het hof dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

De onjuiste aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting (feiten 3 en 4)

De verdachte wordt verweten valse aangiften omzetbelasting en vennootschapbelasting te hebben gedaan. Met betrekking tot feit 3 rustte op de fiscale eenheid [A - B.V.], [C - B.V.] de plicht aangifte te doen ter zake van de omzetbelasting. Met betrekking tot feit 4 rustte op de fiscale eenheid [B - B.V.], [A - B.V.] en [C - B.V.].

De verdachte was blijkens het zich in het dossier bevindende uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel directeur-grootaandeelhouder van [B - B.V.] Onder deze Beheer B.V. vielen, blijkens het organigram zoals opgenomen op pagina 8 van het overzichtsproces-verbaal, [A - B.V.] en [C - B.V.]. Hiermee is de formele verbondenheid van de verdachte met de bedrijven gegeven. De administratie werd gedaan door de medeverdachte [medeverdachte] en nog twee medewerkers. De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hiertoe behoorde het verwerken van de in- en verkoopfacturen, het kasboek en het invullen van de aangiften omzetbelasting. De verdachte heeft verklaard zich met de administratie bemoeid door aan te geven hoeveel contant er gaat en hoeveel op factuur. Hij ondertekende ook de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting.

Gelet hierop kan uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte zich als medepleger, samen met de belastingplichtige vennootschappen en de medeverdachte [medeverdachte] (voor zover het betreft de aangiften omzetbelasting), zich schuldig heeft gemaakt aan het op onjuiste doen van de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting.

Het strekkingsvereiste (feiten 3 en 4)

De onder feit 3 en 4 bewezenverklaarde feiten hadden naar het oordeel van het hof de strekking dat te weinig belasting werd geheven. De in deze feiten omschreven gedragingen zijn, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Aan het strekkingsvereiste is derhalve ten aanzien van deze feiten voldaan.

De opgave vennootschapsbelasting (feit 4)

De raadslieden hebben betoogd dat moet worden vrijgesproken van de onjuiste opgave ter zake de vennootschapsbelasting omdat de winst wel degelijk is afgedragen en de omzetgegevens geen rol spelen bij de aanslag ter zake de vennootschapsbelasting.

Dit verweer behoeft geen bespreking nu het hof, gelet op hetgeen is overwogen ten aanzien van de valsheid van de facturen, bewezen acht dat verdachte en zijn mededaders een te laag belastbaar bedrag hebben opgegeven bij als bedoeld in art. 7 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Het bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 2:

hij op tijdstippen in de periode van 17 april 2000 tot en met 10 mei 2002 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen in vereniging met een ander, telkens een factuur van [C - B.V.] aan A. Simonsen GmbH Hamburg (D/78 2-2 / D/79 2-2 / D/80 2-2 / D/81 3-3 / D/82 3-3 / D/83 3-3 / D/84 3-3 / D/85 3-3 / D/86 3-3) - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader telkens valselijk in die factuur niet de totale op of omstreeks de betreffende factuurdatum aan A. Simonsen GmbH verkochte/geleverde hoeveelheid vis vermeld, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Ten aanzien van feit 3:

hij op tijdstippen in de periode van 24 november 1999 tot en met 19 juni 2002 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte ten name van fiscale eenheid [A - B.V.] en [C - B.V.] voor de omzetbelasting over de periode oktober 1999 tot en met december 1999 en de jaren 2000 en 2001 en de periode van januari 2002 tot en met mei 2002 (D16 t/m D/47), onder meer

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 1999 (D/16) en

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 2000 (D/28) en

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 2001 (D/40) en

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak april 2002 (D/46), onjuist heeft gedaan, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Haarlem ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde perioden en jaren telkens bij vraag 5b "voorbelasting" een bedrag opgegeven dat (mede) was opgebouwd uit de op de facturen van De Jutter Zeevis B.V. aan [C - B.V.] in rekening gebrachte BTW, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Ten aanzien van feit 4:

hij omstreeks 5 juni 2000 en 9 april 2001 en 18 februari 2003 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [B - B.V.] over de jaren 1999 en 2000 en 2001 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Haarlem ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemde jaren telkens een te laag (belastbaar) bedrag opgegeven en/of laten opgeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen onder feit 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder feit 3 en 4 bewezen verklaarde

telkens, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 hechtenis en een geldboete van € 35.000,00, subsidiair 310 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een werkstraf voor de duur van 200 uur en een geldboete van € 20.000,00.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op meerdere tijdstippen in 1999 tot en met 2003 schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fiscale fraude.

De verdachte heeft in 2000 tot en met 2002 facturen aan A. Simonsen GmbH valselijk opgemaakt, door slechts een deel van de geleverde vis op die factuur te vermelden (feit 2). De verdachte heeft vervolgens deze valse facturen laten opnemen in de bedrijfsadministratie die daardoor ook vals werd. Door valse facturen op te maken is het vertrouwen dat aan dergelijke stukken door zakenpartners en de overheid wordt toegekend op ernstige wijze door de verdachte beschaamd.

Door deze facturen vervolgens te gebruiken als bron voor aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 1999 tot en met 2002 werd door de verdachte fiscale fraude gepleegd (feit 4).

In aangiften omzetbelasting van 1999 tot en met 2002 heeft de verdachte voorts een onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven. De bron van deze gegevens bestond immers mede uit valse facturen van De Jutter Zeevis B.V. aan [C - B.V.] (feit 3).

Deze valse facturen lagen bovendien mede ten grondslag aan de aangiften vennootschapsbelasting (feit 4).

Als gevolg van deze door verdachte gepleegde strafbare feiten is de Staat der Nederlanden voor een niet onaanzienlijk bedrag benadeeld. Zoals blijkt uit door de Belastingdienst opgestelde nadeelberekeningen omzetbelasting en vennootschapsbelasting (respectievelijk stukken D/89 en D/90 uit het strafdossier) gaat het om een bedrag van meer dan € 136.000,00.

Het hof houdt ten bezware van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde strafbare feiten zich over een langere periode hebben voorgedaan.

Naar het oordeel van het hof past hierbij een gevangenisstraf.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 februari 2010 slechts eenmaal eerder en geruime tijd geleden terzake van een andersoortig feit (overtreding van de Wegenverkeerswet) is veroordeeld. De verdachte moet ten aanzien van deze feiten derhalve als ‘first offender’ worden aangemerkt. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook op zijn plaats zijn.

Gelet op het berekende voordeel acht het hof een onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden.

Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM overweegt het hof als volgt. Bij vonnis van 2 mei 2006 is de verdachte door de rechtbank te Haarlem veroordeeld, tegen welk vonnis de verdachte op 11 mei 2006 hoger beroep heeft doen instellen. Het dossier is op 5 juli 2007 ter griffie van het hof ingekomen en heden, op 24 februari 2010, zal het hof arrest wijzen. Het hof is, gelet op deze gang van zaken, van oordeel dat de inzending van het dossier aan het hof en de berechting in hoger beroep en in haar geheel niet hebben plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn gesteld noch gebleken. Het hof houdt hier rekening mee ten voordele van de verdachte, in die zin dat de werkstraf met 10 uren zal worden verminderd.

Tenslotte houdt het hof bij de straftoemeting rekening met de vrijspraak voor feit 1.

Het hof acht, alles afwegende, na te melden straffen passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 150 (honderdvijftig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 135 (honderdvijfendertig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. M. Jurgens en mr. P.J. Baauw, in tegenwoordigheid van mr. M. Bijleveld, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2010.

Mr. Baauw is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.