Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL6149

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
200.034.227/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof hecht eraan te benadrukken dat verificatie van het adres van degene aan wie het exploot van dagvaarding dient te worden betekend, bij de Gemeentelijke Basisadministratie van essentieel belang is en een standaardonderdeel van de procedure dient te zijn. Dat gold in onderhavige zaak des te meer. Het betrof immers een kort geding, met als onderwerp de aanwezigheid tijdens een crematie. Ter zitting van de kamer heeft de gemachtigde van klaagster onweersproken gesteld dat op het adres van betekening een naambordje met een andere naam dan die van klaagster hing. Dat had nog een extra reden moeten zijn om alsnog tot adresverificatie over te gaan. Het in deze zaak geschonden belang rechtvaardigt een maatregel zoals door de kamer opgelegd. Het hof bevestigt de beslissing van de kamer van toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 23 februari 2010 in de zaak onder nummer 200.034.227/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. J. Jong,

tegen

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 2 juni 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen - hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 6 mei 2009, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder ook te noemen klaagster, tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping.

1.2. Van de zijde van klaagster is geen verweerschrift ter griffie van het ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 28 januari 2010, alwaar zijn verschenen de gerechtsdeurwaarder, vergezeld van haar gemachtigde. Beiden hebben het woord gevoerd. Klaagster is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. De standpunten van partijen

Voor de weergave van de wederzijdse standpunten verwijst het hof naar de bestreden beslissing nu in hoger beroep geen nieuwe standpunten zijn ingenomen.

5. De beoordeling

5.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft – behoudens het hierna onder 5.2 vermelde - niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen, dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

5.2. Het hof hecht eraan te benadrukken dat verificatie van het adres van degene aan wie het exploot van dagvaarding dient te worden betekend, bij de Gemeentelijke Basisadministratie van essentieel belang is en een standaardonderdeel van de procedure dient te zijn. Dat gold in de onderhavige zaak des te meer. Het betrof immers een kort geding, met als onderwerp de aanwezigheid tijdens een crematie. Ter zitting van de kamer heeft de gemachtigde van klaagster onweersproken gesteld dat op het adres van betekening een naambordje met een andere naam dan die van klaagster hing. Dat had nog een extra reden moeten zijn om alsnog tot adresverificatie over te gaan. Het in deze zaak geschonden belang rechtvaardigt een maatregel zoals door de kamer opgelegd.

De stelling dat het staande praktijk op het kantoor is dat adresverificatie plaats vindt en dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, kan daaraan niet afdoen.

5.3. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2010 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 6 mei 2009 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 435.2008 ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

gemachtigde [ ],

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde mr. J. Jong, advocaat te Zaandam.

Verloop van de procedure

Bij brief van 23 september 2008, ingekomen op 24 september 2009, heeft klaagster een klacht ingediend tegen het kantoor van beklaagde.

Bij brief van 17 oktober 2008, ingekomen op 20 oktober 2008, heeft de

gemachtigde van beklaagde een verweerschrift ingediend.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 maart 2009 alwaar de gemachtigde van klaagster en de gerechtsdeurwaarder met haar gemachtigde zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 6 mei 2009.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft op donderdag 4 september 2008 om 16.32 uur een verzoek ontvangen van een advocaat om op diezelfde dag een kortgeding dagvaarding aan klaagster te betekenen.

b) In de dagvaarding wordt klaagster opgeroepen om op vrijdag 5 september 2008 om 08.30 uur te verschijnen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank [ ]. Gevorderd wordt om klaagster te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het bezoek van haar twee minderjarige kinderen aan een crematie.

c) De gerechtsdeurwaarder heeft de dagvaarding bij exploot van 4 september 2009 betekend op het in de dagvaarding vermelde adres.

d) Ook het bij verstek tegen klaagster gewezen vonnis is betekend op het adres waar de dagvaarding is uitgebracht.

2. De klacht

Klaagster heeft aangevoerd dat de rechtbank [ ] op 5 september 2008 een verstekvonnis heeft gewezen. Klaagster verwijt gerechtsdeurwaarder de dagvaarding te hebben betekend zonder het in de dagvaarding opgenomen adres te controleren. Van de advocaat van de eisende partij heeft zij vernomen dat de eiser, naar klaagster stelt bewust, een onjuist adres heeft opgegeven. Klaagster heeft daardoor noch de dagvaarding noch het vonnis ontvangen. Zij was daardoor niet in staat verweer te voeren tegen de vordering. Op 5 september 2008 werd zij daarom plotseling geconfronteerd met de executie van het vonnis. Omdat de executie al plaats heeft gevonden, heeft het instellen van verzet daartegen geen zin. Klaagster ervaart de gang van zaken als een ernstige aantasting van haar rechten.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

3.1 De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat gezien de spoedeisendheid van de zaak ervoor gekozen is geen adresverificatie te doen. Gezien de korte termijn tussen de dagvaarding en de datum van de zitting, diende klaagster in de gelegenheid te zijn om over de dagvaarding met een juridische adviseur overleg te plegen. Indien er bij het adres twijfel zou rijzen of het exploot wel rechtsgeldig zou kunnen worden gelaten, had de gerechtsdeurwaarder altijd nog de kans gehad om door middel van telefonisch overleg met kantoor de gemeentelijke basisadministratie te raadplegen. Bij het uitbrengen van het exploot was echter geen reden voor twijfel of klaagster al dan niet op het aangegeven adres zou wonen.

3.2 De gerechtsdeurwaarder betreurt de gang van zaken. Achteraf was het beter geweest een adresverificatie te doen. Het opvragen van informatie bij het GBA behoort op haar kantoor tot de standaardprocedure. Alleen vanwege de ook voor klaagster grote spoed, is van die standaardprocedure afgeweken.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn slechts gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ] kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Gerechtsdeurwaarder [ ] heeft verzocht de klacht als tegen haar gericht te beschouwen. Zij heeft de opdracht voor de betreffende werkzaamheden aangenomen en verder behandeld. De gerechtsdeurwaarder wordt op deze grond aangemerkt als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beschikking al rekening gehouden.

4.2 Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat conform vaste rechtspraak van de Kamer controle op adresgegevens standaard onderdeel van de procedure dient te zijn voorafgaande aan de betekening van het exploot van dagvaarding. Betekening aan het juiste adres vormt gelet op de rechtsgevolgen immers een belangrijk facet van rechtsbescherming. Het is daarom van groot belang dat ambtshandelingen worden verricht op basis van recente gegevens. Als afnemer in de zin van de Wet op de Gemeentelijke Basis Administratie met een publieke taak heeft een gerechtsdeurwaarder, voor dat doel, bovendien directe toegang tot deze administratie, zodat voldoening aan die plicht ook praktisch niet bezwaarlijk is. De gerechtsdeurwaarder kan bij het betekenen van een ambtelijk stuk niet zonder meer afgaan op aanwijzingen van zijn opdrachtgever, ook niet als dat een advocaat is. Evenmin mag hij afgaan op oude adresgegevens die niet opnieuw zijn gecheckt.

4.3 Uit het voorgaande volgt dat de klacht terecht is voorgesteld. De door de gerechtsdeurwaarder aangevoerde reden om geen adresverificatie te verrichten kan, de goede bedoeling ten spijt, hieraan niet afdoen omdat juist het tegenovergestelde is bereikt. Gezien de inhoud van de dagvaarding en de korte termijn tussen het uitbrengen daarvan en de datum van de zitting, was er naar het oordeel van de Kamer juist aanleiding een adresverificatie te verrichten. Klaagster is door het handelen van de gerechtsdeurwaarder niet in de gelegenheid geweest zich tegen de vordering te verweren, noch haar kinderen voor te bereiden op de komende gebeurtenissen.

5. Gezien de vaste rechtspraak op dit punt acht de Kamer termen aanwezig tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, plaatsvervangend-voorzitter, mr. H.M. Patijn en N.J.M. Tijhuis (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2009 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.