Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL6050

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
200.026.921
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie op Hyves? Kort geding. 6:162 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Computerrecht 2010, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.026.921

(zaaknummer / rolnummer rechtbank 259245 / KG ZA 08-1222)

arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 23 februari 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. D.A. Harff,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Vissers.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 7 januari 2009 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht in kort geding tussen principaal appellant (hierna te noemen: [principaal appellant]) als eiser en principaal geïntimeerde (hierna te noemen: [principaal geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [principaal appellant] heeft bij exploot van 3 februari 2009 [principaal geïntimeerde] aangezegd van voornoemd vonnis van 7 januari 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [principaal geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [principaal appellant] acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en heeft hij producties in het geding gebracht. [principaal appellant] heeft, na wijziging van eis, gevorderd dat het hof het bestreden vonnis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

1. [principaal geïntimeerde] zal veroordelen uitingen waarin een verband wordt gelegd tussen [principaal appellant] en pedofilie met onmiddellijke ingang achterwege te laten;

2. [principaal geïntimeerde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest bij de exploitanten van de desbetreffende websites onder toezending van afschrift van het te wijzen arrest een schriftelijk verzoek ingediend te hebben tot het verwijderen en verwijderd houden van de op http:[website 1] gepubliceerde reactie op "[bericht 1]', de op http:[website 2] gepubliceerde reactie op "[bericht 2] de op http:[website 3] gepubliceerde reactie op "[bericht 3], de op http:[website 4] gepubliceerde reactie op "[bericht 4], alsmede de op http:[website 5] gepubliceerde reactie op "[bericht 5] met gelijktijdig afschrift van die schriftelijke verzoeken aan de advocaat van [principaal appellant];

3. [principaal geïntimeerde] zal veroordelen tot het onafgebroken 24 uur per dag op elke kalenderdag gedurende zes maanden na betekening van het te wijzen arrest op de eerstzichtbare pagina van een door [principaal geïntimeerde] te (her)openen profiel op www.hyves.nl, zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media, omgeven door een zwart kader, in zwarte letters, met lettertype Arial in puntsgrootte 12, op een witte achtergrond, de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen en [principaal appellant] daarvan op elke kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail [emailadres] of per fax [faxnummer] het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën) van onderstaande tekst te leveren:

" RECTIFICATIE INZAKE DE ADVOCAAT [principaal appellant]

Ik ben de gebruiker van dit Hyves profiel. Mijn naam is [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum en plaats], wonend te [postcode] [woonplaats] aan de [adres], [emailadres]. In een publicatie op mijn Hyves profiel heb ik in 2008 de Leidse advocaat mr. [voorletters]. [principaal appellant] opzettelijk in verband gebracht met pedofilie door hem er vals van te beschuldigen dat hij een veroordeelde pedofiel zou zijn. Ik ben voor die publicatie op mijn toenmalige Hyves profiel veroordeeld bij vonnis van de voorzieningenrechter van de sector civiel recht van de Rechtbank te Utrecht, zaak-/rolnummer 249245 / KG ZA 08-1222. Ook voor de overige verdachtmakingen jegens mr. [principaal appellant] in mijn toenmalige Hyves profiel heb ik geen bewijzen. Het Gerechtshof te Amsterdam, nevenvestigingsplaats Arnhem, zaaknummer 200.026.921, heeft mij op [datum] in hoger beroep veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

Mevrouw [voorletter]. [principaal geïntimeerde] [HANDTEKENING]"

althans een door het hof vast te stellen tekst;

4. [principaal geïntimeerde] zal veroordelen tot het binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest aan [principaal appellant] afgeven van een door [principaal geïntimeerde] te ondertekenen rectificatiebrief met onderstaande tekst:

"TO WHOM IT MAY CONCERN:

Ondergetekende, [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum en plaats], wonend te [postcode] [woonplaats] aan de [adres], verklaart hierbij als volgt:

In een publicatie op mijn Hyves profiel heb ik in 2008 de Leidse advocaat mr. [voorletters]. [principaal appellant] opzettelijk in verband gebracht met pedofilie door hem er vals van te beschuldigen dat hij een veroordeelde pedofiel zou zijn. Ik ben voor die publicatie op mijn toenmalige Hyves profiel veroordeeld bij vonnis van de voorzieningenrechter van de sector civiel recht van de Rechtbank te Utrecht, zaak-/rolnummer 249245 / KG ZA 08-1222. Ook voor de overige verdachtmakingen jegens mr. [principaal appellant] in mijn toenmalige Hyves profiel heb ik geen bewijzen. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op Hyves en geef ik mr. [principaal appellant] onherroepelijk toestemming tot publicatie en verspreiding van deze rectificatie.

Het Gerechtshof te Amsterdam, nevenvestigingsplaats Arnhem, heeft mij in hoger beroep bij arrest van [DATUM], zaaknummer 200.026.921 veroordeeld deze brief te ondertekenen en aan mr. [principaal appellant] af te geven.

[DATUM].

Mevrouw [voorletter]. [principaal geïntimeerde] [HANDTEKENING]

[emailadres]"

althans een door het hof vast te stellen tekst;

het gevorderde sub 1 tot en met 4 op straffe van verbeurte van een aan [principaal appellant] te betalen dwangsom van € 10.000,- voor elke overtreding, vermeerderd met € 1.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat een overtreding voortduurt.

5. [principaal geïntimeerde] zal veroordelen binnen twee weken na betekening van het te wijzen arrest ten titel van voorschot op immateriële en/of materiële schadevergoeding aan [principaal appellant] een door het hof vast te stellen bedrag te betalen;

6. [principaal geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, primair op basis van de daadwerkelijk door [principaal appellant] gemaakte en in prima op € 7.000,- te begroten proceskosten, te vermeerderen met de in hoger beroep nader te begroten proceskosten, subsidiair op basis van de te liquideren proceskosten, met inbegrip van € 69,11 explootkosten in prima.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [principaal geïntimeerde] verweer gevoerd, en heeft zij producties in het geding gebracht. [principaal geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof [principaal appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen en hem deze zal ontzeggen.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft [principaal geïntimeerde] (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, en heeft zij haar grief daartegen toegelicht. [principaal geïntimeerde] heeft geconcludeerd:

1. dat het hof indien het een rectificatie geïndiceerd acht, niet de rectificatie zoals geredigeerd door [principaal appellant] zal toewijzen, maar de onderstaande rectificatie:

“Rectificatie inzake mr [voorletters]. [principaal appellant]

Op 19 oktober 2008 heb ik op mijn toenmalige hyvesprofiel een blog geplaatst die alleen toegankelijk was voor vrienden en vrienden van vrienden. Iemand heeft zich helaas toegang weten te verschaffen tot die blog en de inhoud van deze blog is gecopieerd en verspreid. In die blog heb ik o.a. mijn ongenoegen geuit over de wijze waarop Leidse advocaat mr [voorletters]. [principaal appellant] in kort geding op trad op 17 oktober 2008. In dat blog heb ik ook een uitlating gedaan over mr [principaal appellant] waar ik spijt van heb, omdat deze uitlating nodeloos kwetsend is en ik ook niet had gecheckt wat het waarheidsgehalte is van die uitlating. Zo heb ik gezegd dat mr [principaal appellant] een veroordeelde pedofiel was. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht heeft bij vonnis d.d. 7 januari 2009 geoordeeld dat deze uitlating onrechtmatig was jegens mr [principaal appellant]. Het gerechtshof te Amsterdam heeft mij in hoger beroep veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.”,

althans een door het hof vast te stellen tekst;

2. dat het hof in het geheel geen, althans een zeer gematigde, dwangsom zal opleggen op eventuele overtreding van een rechterlijk gebod;

3. dat het hof ingeval van veroordeling tot een rectificatie, [principaal geïntimeerde] zal veroordelen om deze gedurende 31 dagen te plaatsen op de plaats waar de blogs worden geplaatst, aan te maken in een nieuw hyvesprofiel zonder commentaar of popups, op een witte achtergrond in zwarte letters type Ariel lettergrootte 11, omgeven door een zwart kader, zonder de verplichting [principaal appellant] dagelijks screenshots hiervan te doen toekomen, en [principaal appellant] in plaats daarvan toegang te verlenen als ‘vriend van vrienden’ tot die blog om te controleren of [principaal geïntimeerde] zich aan het rechterlijk gebod houdt.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [principaal appellant] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, [principaal geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in het incidenteel appel, althans dit incidenteel hoger beroep zal verwerpen, met veroordeling van [principaal geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

2.6 Op dezelfde rol (van 15 september 2009) heeft [principaal appellant] een akte wijziging van eis in principaal hoger beroep genomen, inhoudende dat “uitingen” in het petitum onder 1, gelezen moet worden als “openbare uitingen”.

2.7 Ter zitting van 28 januari 2010 hebben partijen de zaak door hun advocaten doen bepleiten; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Harff heeft (tijdig) voorafgaand aan de zitting aan [principaal geïntimeerde] en het hof producties en een CD-rom gezonden. [principaal geïntimeerde] heeft verklaard die stukken te hebben ontvangen en tegen indiening van die stukken geen bezwaar te hebben. Daarop heeft het hof aan mr. Harff akte verleend van het in het geding brengen van voornoemde stukken.

2.8 Vervolgens hebben partijen de processtukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 vastgestelde feiten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Nu [principaal geïntimeerde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen [principaal appellant]’ wijzigingen van eis in hoger beroep en het hof ook ambtshalve geen aanleiding ziet de wijzigingen buiten beschouwing te laten, zal op de gewijzigde eis recht worden gedaan.

4.2 Ten aanzien van het incidenteel hoger beroep overweegt het hof dat [principaal geïntimeerde], bij monde van haar advocaat, tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft verduidelijkt dat slechts de hierboven onder 2.4 aangehaalde conclusies sub 1 en 3 vallen onder het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (dat slechts aan de orde zal zijn wanneer het hof [principaal geïntimeerde] zal veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie), en dat conclusie sub 2 (om geen dwangsommen op te leggen) begrepen moet worden als vallend onder een onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep om de opgelegde dwangsom te vernietigen. Nu [principaal appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen voornoemde verduidelijking, zal het hof deze tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling van het incidenteel hoger beroep.

4.3 Het grootste geschil tussen partijen spitst zich – kort samengevat – toe op de vraag of [principaal geïntimeerde] onrechtmatig jegens [principaal appellant] heeft gehandeld door zich in een weblog op haar hyves-pagina negatief uit te laten over [principaal appellant].

4.4 De voorzieningenrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord voor zover het betreft de beschuldiging in dat weblog dat [principaal appellant] veroordeeld is voor pedofilie en heeft [principaal geïntimeerde] om die reden veroordeeld om met onmiddellijke ingang publicaties achterwege te laten waarin een verband wordt gelegd tussen [principaal appellant] en pedofilie. [principaal geïntimeerde] heeft laten weten zich met die veroordeling te kunnen verenigen en heeft daartegen om die reden niet (incidenteel) geappelleerd. Het hof begrijpt uit de toelichting van [principaal appellant] onder 11.2 van zijn memorie van grieven dat hij met zijn gewijzigde vordering sub 1 in hoger beroep (tot het achterwege laten van openbare uitingen waarin een verband wordt gelegd tussen [principaal appellant] en pedofilie) beoogt zeker te stellen dat het verbod tevens gericht is tegen uitingen in chatgesprekken. Nu [principaal geïntimeerde] daartegen geen bezwaren heeft aangevoerd, zal het hof omwille van de duidelijkheid het door de voorzieningenrechter uitgesproken verbod tot het achterwege laten van publicaties waarin een verband wordt gelegd tussen [principaal appellant] en pedofilie in die zin aanvullen dat daarin geëxpliciteerd wordt dat dat verbod ook voor chatgesprekken geldt.

4.5 De vraag of [principaal geïntimeerde] onrechtmatig jegens [principaal appellant] heeft gehandeld is door de voorzieningenrechter ontkennend beantwoord voor zover het de overige uitlatingen in het weblog betreft. Daartegen richten zich de grieven 1 tot en met 3 van [principaal appellant].

4.6 Bij de beoordeling van voormelde vraag stelt het hof voorop dat uit de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting voortvloeit dat een ieder het recht heeft om gedachten en gevoelens van welke inhoud ook te uiten. Dat betekent dat een ieder de vrijheid heeft zijn hart te luchten en zich op negatieve wijze over iemand anders uit te laten, ook als die uitlatingen een beschuldiging aan het adres van een ander inhouden. Dat recht om vrijelijk zijn mening te uiten vindt zijn begrenzing in het geval daarmee iemands eer en goede naam op onrechtmatige wijze wordt aangetast. Of daarvan sprake is, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.

4.7 In casu zijn de volgende omstandigheden van belang.

Het bericht in het weblog van [principaal geïntimeerde] begint met te verwijzen naar de behandeling van een rechtszaak waarbij zowel zij als [principaal appellant] op de één of andere wijze betrokken waren. Het bericht ademt de sfeer van een getergde [principaal geïntimeerde] die uit frustratie uithaalt naar ‘tegenstander’ [principaal appellant]. Het geeft ook blijk van een behoorlijke animositeit tussen [principaal geïntimeerde] en [principaal appellant]. Lezers van dit bericht zullen, gelet op deze – uit het bericht blijkende – context, begrijpen dat de inhoud ervan met een korrel zout genomen moet worden en dat de daarin opgenomen uitlatingen (behoudens de beschuldiging dat [principaal appellant] veroordeeld is voor pedofilie) voornamelijk waardeoordelen bevatten; subjectieve negatieve oordelen van [principaal geïntimeerde] veroorzaakt door kennelijk als zeer vervelend ervaren confrontaties met [principaal appellant].

Een willekeurige lezer zal wat betreft de juistheid van de uitlatingen dan ook weinig verwachten van deze opponente die duidelijk niet neutraal staat tegenover [principaal appellant], doch integendeel zelf in een conflict met hem betrokken is.

Voorts acht het hof van belang dat [principaal geïntimeerde] het bericht na hooguit 55 uur (aldus [principaal appellant], [principaal geïntimeerde] stelt na een paar uur) van haar hyves-pagina heeft verwijderd, en dat haar hyves-pagina slechts toegankelijk was voor vrienden en ‘vrienden van vrienden’, welke laatste groep ([principaal appellant] heeft dat niet gemotiveerd betwist) eerst toegang tot het weblog kon krijgen nadat [principaal geïntimeerde] dat geaccepteerd had. Daargelaten of uitlatingen op een dergelijk weblog als uitlatingen in het openbaar dan wel als uitlatingen in beslotenheid moeten worden beschouwd, maakt het voorgaande dat het weblog in dit geval slechts een (zeer) beperkt publiek heeft kunnen bereiken. Mede daarom acht het hof het niet van belang of het bewuste weblog 4 danwel 16 keer is aangeklikt, zodat het niet op het daarover gevoerde debat zal ingaan.

4.8 Met inachtneming van voormelde omstandigheden, heeft het hof te beoordelen of aannemelijk is dat de aantijgingen in het bericht die volgens [principaal appellant] onjuist en diffamerend/beledigend zijn, als onrechtmatig jegens hem moeten worden beschouwd. Het betreft de volgende uitlatingen:

- de kwalificatie van hem als ‘kermisattractie’;

- de uitlating dat hij een klein manneke van 1.60 m is;

- de suggestie dat hij het moet hebben van ‘vriendjes van het ministerie’;

- de suggestie dat hij de domeinnaamhouder van [website], waarop een artikel

werd gepubliceerd over wat er in de rechtszaal gebeurde, heeft bedreigd;

- de suggestie dat hij zich voorgedaan zou hebben als ‘[naam]’ en [principaal geïntimeerde]s

hyves heeft gekopieerd;

- de suggestie dat hij een jachtgeweer nodig heeft om bij [principaal geïntimeerde] op de koffie te

komen;

- de uitlating “You fucked with the wrong women!”;

- de suggestie dat hij gebruik zou maken van een Amerikaans IP-adres (“Wat een

scheiterd of niet?”).

4.9 Bezien in het licht van de uit het bericht blijkende context, en ook overigens in aanmerking genomen hetgeen onder 4.7 is overwogen, acht het hof voornoemde uitlatingen, noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, niet van een zodanige aard en de verwachte gevolgen ervan ook niet zodanig ernstig, dat ze onrechtmatig jegens [principaal appellant] zijn. Ten aanzien van de suggestie dat [principaal appellant] een jachtgeweer nodig heeft om bij [principaal geïntimeerde] op de koffie te komen, merkt het hof nog op dat deze suggestie duidelijk voortkomt uit het – in het weblog van [principaal geïntimeerde] aangehaalde en in rechte vaststaande – feit dat op [principaal appellant]’ toenmalige visitekaartje een foto van hemzelf met een jachtgeweer was afgedrukt, met daarbij de tekst “eerst schieten dan praten”. Dat het hanteren van een dergelijk uitdagend visitekaartje heftige reacties oproept, valt te verwachten, zodat reeds om die reden niet van een onrechtmatige uitlating gesproken kan worden.

Ten aanzien van alle uitlatingen geldt dat, anders dan [principaal appellant] meent, geen (doorslaggevend) belang toekomt aan het feit dat de slotzin van het bericht luidt “En nu maar afwachten of dhr. [principaal appellant] dit een leuk artikel vindt?”, aan een door [principaal appellant] in het geding gebrachte e-mailwisseling tussen [principaal geïntimeerde] en haar vader en broer (welke betrekking heeft op een familieconflict, dat niets met het onderhavige weblog te maken heeft), en aan de tussen [A] en [principaal geïntimeerde] bestaande affectieve relatie.

De conclusie van het voorgaande is dat grieven 1 tot en met 3 falen.

4.10 Het feit dat ene ‘[naam]’ contact heeft gelegd met [principaal geïntimeerde], via [principaal geïntimeerde] toegang tot het weblog heeft gekregen en vervolgens het bericht heeft doorgestuurd naar de website [website], een ‘hate site’ gericht tegen de echtgenoot van [principaal geïntimeerde], maakt het voorgaande niet anders. In dit verband merkt het hof op dat aannemelijk is dat [principaal appellant] behoorlijk nauwe contacten onderhield met ‘[B]’, een van de personen achter die website; zo wist ‘[B]’ welke rechtsmaatregelen [principaal appellant] tegen [principaal geïntimeerde] wilde treffen, heeft ‘[B]’ zich – al dan niet op verzoek van [principaal appellant] – ingespannen om [principaal geïntimeerde] een verklaring te laten tekenen en een rectificatie te laten plaatsen opdat [principaal appellant] die rechtsmaatregelen zou staken, heeft [principaal appellant] informatie over de procedure tegen [principaal geïntimeerde] en kadastrale informatie betreffende de woning van haar echtgenoot (toen nog vriend) [A] aan [B] doorgespeeld, staat op de website [website] ook vermeld dat [principaal appellant] één van hun bronnen is, en staat een verslag van de zitting in eerste aanleg in de onderhavige zaak op die website (productie 3j overgelegd bij grieven). Het hof acht het niet aannemelijk dat [principaal appellant] zijn best heeft gedaan om ‘[B]’ het bericht van de website af te laten halen. Mede gelet op het voorgaande, gaat het te ver om het feit dat het onderhavige bericht een tijd op de website [website] heeft gestaan aan [principaal geïntimeerde] toe te rekenen. Van verdere verspreiding is niet gebleken. Op grond van het voorgaande faalt grief 4 van [principaal appellant], gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdere verspreiding van het bericht aan [principaal geïntimeerde] is toe te rekenen.

4.11 Op de overige uitlatingen die volgens [principaal appellant] onjuist zijn zal het hof niet ingaan, nu die volgens zijn eigen stelling niet diffamerend of beledigend zijn, zodat niet valt in te zien waarom die uitlatingen onrechtmatig zouden zijn.

4.12 In grief 5 klaagt [principaal appellant] over de overweging van de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [principaal geïntimeerde] de zes op 11 december 2008 geplaatste reacties van ‘[account]’ op internet heeft gezet en over de afwijzing van de vordering die op deze reacties, en – naar het hof begrijpt – op een reactie van een ‘[geïnt[principaal geïntimeerde]’ zien. [principaal geïntimeerde] heeft gemotiveerd weersproken dat zij die reacties heeft geplaatst. Zij heeft gepoogd te achterhalen wie de e-mailaccount ‘[account]’ heeft aangemaakt, doch daar is niet meer uitgekomen dan de informatie dat de e-mailaccount is aangemaakt in [plaats], niet zijnde de woonplaats van [principaal geïntimeerde]. Nu [principaal appellant] geen nadere informatie heeft overgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat [principaal geïntimeerde] wel achter die e-mailaccounts zit, en de aard van dit kort geding zich niet leent voor nadere bewijslevering, zal de vordering van [principaal appellant] om – op straffe van verbeurte van een dwangsom – deze reacties te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, worden afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat [principaal geïntimeerde] die reacties op internet heeft geplaatst en ook overigens niet valt in te zien waarom die reacties aan haar moeten worden toegerekend. Ook deze grief faalt derhalve.

4.13 Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat [principaal geïntimeerde] onrechtmatig jegens [principaal appellant] heeft gehandeld door op haar weblog op te nemen dat [principaal appellant] veroordeeld is voor pedofilie. Niet aannemelijk is geworden dat [principaal geïntimeerde] overigens onrechtmatig jegens [principaal appellant] heeft gehandeld. In hoger beroep heeft [principaal appellant] nog aangevoerd dat [principaal geïntimeerde] op [datum] 2009 (derhalve na het bestreden vonnis) onder de schuilnaam ‘[C]’ in chatgesprekken met derden [principaal appellant] opnieuw in verband heeft gebracht met pedofilie. [principaal geïntimeerde] heeft echter gemotiveerd weersproken dat zij achter de naam ‘[C]’ schuilgaat. Ook ten aanzien van deze e-mailaccount is, bij gebreke aan nader bewijs, niet aannemelijk geworden dat [principaal geïntimeerde] erachter zit. Hetgeen door deze ‘[C]’ in chatgesprekken is beweerd kan dan ook, anders dan [principaal appellant] betoogt, niet meewegen bij de beoordeling van de door [principaal appellant] voorgedragen grieven 6 en 7, gericht tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van een voorschot respectievelijk tot plaatsing van een rectificatie.

4.14 [principaal appellant] heeft noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden tengevolge van het feit dat de uitlating betreffende de veroordeling voor pedofilie gedurende hooguit 55 uur op het weblog van [principaal geïntimeerde] heeft gestaan (dat slechts voor ‘vrienden van vrienden’ toegankelijk was na goedkeuring door [principaal geïntimeerde]). Grief 6 faalt dan ook.

4.15 Net als de voorzieningenrechter ziet ook het hof geen aanleiding om [principaal geïntimeerde] tot het plaatsen van een rectificatie te veroordelen. Het hof overweegt daartoe dat het weblog slechts gedurende korte tijd op [principaal geïntimeerde]s hyves-pagina heeft gestaan, slechts voor door haar geaccepteerde ‘vrienden van vrienden’ toegankelijk was, dat het plaatsen van het bericht op de website [website] haar niet kan worden toegerekend, en niet aannemelijk is dat het bericht door veel (willekeurige) derden is gelezen. Ook grief 7 mist doel.

4.16 Ten aanzien van het incidenteel hoger beroep van [principaal geïntimeerde] overweegt het hof als volgt.

[principaal geïntimeerde] heeft in onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de opgelegde dwangsom. [principaal geïntimeerde] heeft erkend dat zij jegens [principaal appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door in haar weblog te stellen dat [principaal appellant] veroordeeld is voor pedofilie, heeft daarvoor ook (spoedig na het verschijnen van haar weblog) haar schriftelijke excuses aan [principaal appellant] aangeboden, heeft geen grieven gericht tegen het verbod, en heeft aangegeven het verbod niet te zullen overtreden. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet nodig om een prikkel op te leggen (in de vorm van een dwangsom) om het publicatieverbod na te komen. Nu datzelfde al gold ten tijde van het bestreden vonnis, zal het hof het vonnis op dat punt vernietigen en de door [principaal appellant] gevorderde dwangsomoplegging geheel afwijzen.

4.17 Nu geen verplichting tot rectificatie zal worden uitgesproken, is de voorwaarde voor de overige incidentele vorderingen in hoger beroep niet vervuld, zodat het hof die vorderingen verder onbesproken zal laten.

4.18 Eveneens onbesproken kan blijven de stelling van [principaal geïntimeerde] dat [principaal appellant] geen spoedeisend belang bij zijn vordering in hoger beroep heeft. [principaal appellant] vordering in hoger beroep kan immers niet worden toegewezen.

Slotsom

4.19 De slotsom luidt dat de principale grieven falen en dat het onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep slaagt. Dat betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd behoudens voor zover daarbij een dwangsom is opgelegd. Het vonnis zal op dat punt worden vernietigd en de vordering tot het opleggen van een dwangsom zal alsnog worden afgewezen.

4.20 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [principaal appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Gelet op de beperkte omvang van het incidenteel hoger beroep zullen daarvoor geen separate kosten worden berekend.

4.21 Ten aanzien van de kosten in de eerste aanleg overweegt het hof dat de daartegen gerichte grief 8 van [principaal appellant] faalt omdat het hof met [principaal geïntimeerde] van oordeel is dat de uitkomst van de procedure in eerste aanleg, waarin beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, een proceskostencompensatie rechtvaardigt.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 7 januari 2009, met dien verstande dat dit wordt aangevuld met de vermelding dat onder ‘publicaties’ tevens wordt verstaan ‘chatgesprekken’, behoudens voor zover in dat vonnis aan [principaal geïntimeerde] een dwangsom is opgelegd, vernietigt het vonnis op dat punt, en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst de vordering tot het opleggen van een dwangsom af;

veroordeelt [principaal appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [principaal geïntimeerde] begroot op € 2.995,-, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 2.916,75 te weten:

- € 234,75 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 2.682,- wegens salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

en het restant ad € 78,25 aan (de advocaat van) [principaal geïntimeerde] wegens haar eigen aandeel in het griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, A. Smeeïng-van Hees en

W.F.R. Rinzema en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2010.