Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5932

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
200.023.975/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht. Dat de gemachtigde van klaagster in de maand april 2008 meerdere keren telefonisch contact had met de kamer over de klacht en meende de klacht in die periode niet inhoudelijk met klaagster te kunnen bespreken vanwege haar huisvestingsproblemen, maakt dit oordeel niet anders. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer van toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 16 februari 2010 in de zaak onder nummer 200.023.975/01 NOT van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. J.C. Sorber,

tegen

[de notaris],

notaris te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE,

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, hierna klaagster, heeft bij een op 3 februari 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, hierna de kamer, van 5 januari 2009. Hierbij is de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, hierna de notaris, ongegrond verklaard.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 3 maart 2009 een aanvulling op het beroepschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen en op 3 juli 2009 nog een aanvullend stuk – met bijlagen.

1.3. Van de zijde van de notaris is op 1 april 2009 een verweerschrift – met bijlagen –ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is ter openbare terechtzitting van het hof van 27 augustus 2009 voor onbepaalde tijd aangehouden.

1.5. Op 16 september 2009 en 19 oktober 2009 zijn van de zijde van klager nog aanvullende stukken ter griffie van het hof ingekomen.

1.6. De behandeling van het hoger beroep is voortgezet ter openbare terechtzitting van donderdag 22 oktober 2009, alwaar verschenen zijn en het woord hebben gevoerd: klaagster, vergezeld van haar gemachtigde en de notaris.

Op deze zitting is alleen de ontvankelijkheid van de klacht aan de orde geweest.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt zodat het hof zal uitgaan van de door de kamer vastgestelde feiten.

4. De beoordeling van de ontvankelijkheid van klaagster

4.1. Artikel 99 lid 12 van de Wna bepaalt:

12. Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

4.2. Uit de stukken is gebleken dat klaagster - in elk geval - op 4 mei 2005 bekend was met de handelingen van de notaris waarover zij klaagt. Derhalve had de klacht met betrekking tot dit handelen ingediend moeten worden vóór 4 mei 2008. Nu het klaagschrift is gedateerd 31 mei 2008 en blijkens het daarop aangebrachte poststempel op 3 juni 2008 bij de kamer is ingekomen dient klaagster alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in de klacht. Dat de gemachtigde van klaagster in de maand april 2008 meerdere keren telefonisch contact had met de kamer over de klacht en meende de klacht in die periode niet inhoudelijk met klaagster te kunnen bespreken vanwege haar huisvestingsproblemen, maakt dit oordeel niet anders.

4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 5 januari 2009;

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, G. Kleykamp-van der Ben en P. Blokland en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op dinsdag 16 februari 2010.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE LEEUWARDEN

Zaaknummer: 15-2008

Uitspraak: 5 januari 2009

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden (hierna te noemen: de Kamer), in de zaak van:

[Klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

hierna te noemen: [klaagster],

gemachtigde: mr. J.C. Sorber te Amsterdam

tegen

[Notaris],

notaris te [plaatsnaam],

hierna te noemen: [notaris],

procederende in persoon.

PROCESVERLOOP

1. Ingevolge de tussenuitspraak van 22 september 2008 is op 26 november 2008 een getuigenverhoor zoals bedoeld in artikel 102 Wna gehouden. Hierna is wederom uitspraak bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. De Kamer neemt hier de inhoud van voormelde tussenuitspraak over.

MOTIVERING

Vaststaande feiten

2.1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2. De op 26 april 2005 speciaal daarvoor opgerichte besloten vennootschap [naam B.V.] heeft op 4 mei 2005 de eigendom verworven van het horecacomplex [naam horecacomplex] te [plaatsnaam]. De nu inmiddels ex-echtgenoot van [klaagster], de heer [ex-echtgenoot], was enig directeur van deze vennootschap. De transportakte is verleden ten overstaan van [notaris].

2.3. Op 26 april 2005 heeft [notaris] als behandelend notaris van [naam bank] die (de aankoopsom van de) [naam horecacomplex] financierde, het bericht gekregen dat zij voor deze financiering een recht van tweede hypotheek op de woning van [klaagster] op [plaatsnaam] wenste. Hierop heeft [notaris] [ex-echtgenoot] medegedeeld dat medewerking van [klaagster] als eigenaar van voornoemde woning vereist was voor het vestigen van het recht van tweede hypotheek. Het ondertekenen van een hypothecaire volmacht door [klaagster] zou hiervoor volstaan.

2.4. Eind april 2005 heeft [ex-echtgenoot] aan [klaagster] medegedeeld dat hij voornemens was [naam horecacomplex] te kopen, waarvoor hij haar medewerking nodig had. [Klaagster] en [ex-echtgenoot] woonden toen al gescheiden van elkaar.

2.5. Op 4 mei 2005 heeft [klaagster] in de ochtend op het kantoor van [notaris] de hypothecaire volmacht ondertekend waarbij zij (de medewerkers van) [notaris] heeft gemachtigd om namens haar mee te werken aan het verlijden van de hypotheekakte ten behoeve van de bank als zekerheid voor een hypothecaire lening die de bank aan [naam B.V.] had gegeven. In de hypotheekakte staat onder andere het volgende.

'De schuldenaar (ktr., [naam B.V.]) en/of onderzetter (ktr., [naam B.V.], [ex-echtgenoot] en [klaagster]) en de geldgever (ktr., de bank) zijn overeengekomen dat tot meerdere zekerheid van het verschuldigde ten behoeve van de geldgever het recht van (…) tweede hypotheek wordt gevestigd op de in deze akte omschreven goederen (…). Terzake van het verschuldigde verleent de onderzetter (…) aan de geldgever (…) het recht van tweede hypotheek (…) op het woonhuis, annex pension met schuren, erf en weiland, gelegen te [adres], (…) [plaatsnaam].'

2.6. Ten tijde van het bezoek op 4 mei 2005 heeft [klaagster] een op 3 mei 2005 opgemaakt stuk getekend met onder andere de volgende inhoud.

‘In de akte staat vermeld dat u volmacht verleent aan alle medewerkers van het notariskantoor [naam notaris] om voor u recht van 2e hypotheek (…) tot een bedrag van € 2 miljoen te verlenen op uw pand aan [adres] te [plaatsnaam]. In de hypotheekakte zal worden opgenomen dat de geldnemer is uitsluitend (…) [naam B.V.] U verleent – als eigenaar van uw registergoed te [plaatsnaam] – uitsluitend recht van tweede hypotheek t.b.v. [naam bank] (…)’

2.7. Op 26 februari 2008 is de woning van [klaagster] geveild als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen door schuldenaar [naam B.V.] jegens de bank.

Het standpunt van [klaagster]

3. [Klaagster] stelt kort gezegd dat als zij had geweten dat zij haar woning kon verliezen, dat zijn nimmer haar medewerking had verleend. [Klaagster] voert aan dat zij nadrukkelijk naar de risico’s van het ondertekenen van de volmacht heeft gevraagd, waarop [notaris] haar heeft aangegeven dat die er niet waren en dat het ondertekenen van de volmacht slechts een formele handeling betrof. Een paar dagen voor 4 mei 2005, de dag dat de levering van [naam horecacomplex] heeft plaats gehad, heeft [ex-echtgenoot] aan [klaagster] medegedeeld dat zij op 4 mei 2005 op het notariskantoor werd verwacht.

Het standpunt van [notaris]

4. [Notaris] stelt dat hij kort voor 4 mei 2005 van [ex-echtgenoot] had vernomen dat [klaagster] op 4 mei 2005 zou komen om de notariële volmacht te ondertekenen. Tijd om de hypotheekakte ter bestudering op te sturen aan [klaagster] was er dan ook niet meer. Daarom heeft [notaris] extra tijd uitgetrokken op 4 mei 2005 om [klaagster] de inhoud van de akte - die ook volledig is opgenomen in de volmacht - en de gevolgen ervan uit te leggen. Te meer, nu [notaris] zich bewust was van de bijzonderheid van de zaak. [Notaris] voert aan dat hij zich ervan heeft vergewist dat [klaagster] de consequenties begreep en overzag.

De beoordeling

5. De Kamer dient in onderhavige zaak de vraag te beantwoorden of [notaris] tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De Kamer overweegt ten aanzien van die vraag als volgt.

6. Ingevolge artikel 98 lid 1 Wna zijn (kandidaat-)notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als (kandidaat-)notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk (kandidaat-)notaris niet betaamt. De Kamer dient te onderzoeken of de handelwijze van [notaris] zoals door [klaagster] beschreven een verwijtbare handeling in de zin van dit artikel oplevert.

7. Vast is komen te staan dat [klaagster] op 4 mei 2005 een hypothecaire volmacht heeft ondertekend waardoor zij het risico liep haar woning op [plaatsnaam] te verliezen zonder dat zij – althans op papier – daarvoor gecompenseerd werd. In dergelijk gevallen mag van een notaris verwacht worden dat hij de ondertekenaar op eigen initiatief over de betekenis van de inhoud van de akte informeert en de ondertekenaar daarbij uitdrukkelijk wijst op de consequenties. Dit is ook met zoveel woorden bepaald in artikel 43 Wna, dat bepaalt dat een notaris de zakelijke inhoud van een akte dient te bespreken en daarop een toelichting dient te geven. Door zulks na te laten, handelt een notaris in strijd met de zorg die hij ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt dient te betrachten.

8. Wat het onderhavige geval betreft: hoewel [klaagster] heeft betoogd dat [notaris] heeft nagelaten haar te wijzen op de risico's die zij liep met het geven van het recht van hypotheek op haar woning te [plaatsnaam] is dit naar het oordeel van de Kamer niet komen vast te staan. Hetzelfde geldt onverkort voor de stelling van [klaagster] dat [notaris] ontkennend heeft geantwoord op de vraag van [klaagster] of zij risico's liep bij het ondertekenen van de volmacht. De Kamer overweegt daartoe het volgende.

8.1. Zowel [notaris] als zijn medewerker [naam medewerker] hebben verklaard dat zij om tweeërlei redenen juist extra tijd hebben besteed aan de kwestie. Ten eerste was er nu [notaris] pas een paar dagen voor de passeerdatum te horen heeft gekregen dat [klaagster] de volmacht zou tekenen, geen tijd meer om de hypotheekakte ter bestudering op te sturen, hetgeen onder normale omstandigheden wel gebruikelijk is. Om die reden hebben zij de inhoud van de hypotheekakte zowel voorgelezen als schriftelijk opgenomen in de volmacht. Voorts was [notaris] zich bewust van de bijzondere situatie. Om zeker te zijn van het feit dat [klaagster] de consequenties begreep heeft [notaris] [klaagster] voorts het in rechtsoverweging 2.6. genoemde stuk laten tekenen.

8.2. Het komt de Kamer niet aannemelijk voor dat [klaagster] tot twee keer toe een stuk tekent zonder goed te beseffen waarvoor ze tekent. Dit beeld strookt ook niet met het feit dat [klaagster] in 2003 een toestemmingsverklaring, die zij zou dienen te ondertekenen ingevolge artikel 1:88 BW, heeft laten onderzoeken door een notaris te [plaatsnaam] alvorens zij tot ondertekening ervan overging. Niet goed te begrijpen is waarom [klaagster] nu geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag welke consequenties het verlenen van de door [ex-echtgenoot] eind april 2005 gevraagde medewerking bij het verkrijgen van de financiering van [naam horecacomplex] met zich mee zouden brengen. Maar ook zonder dat [klaagster] een onderzoek had laten instellen had voor haar duidelijk moeten zijn wat de consequenties van het ondertekenen van de volmacht waren. De Kamer is namelijk van oordeel dat uit de volmacht voldoende blijkt dat zij een recht van hypotheek verleende op haar woning op [plaatsnaam].

9. Tot slot hecht de Kamer waarde aan het feit dat [klaagster] zich op bepaalde onderdelen van haar betoog niet consistent heeft getoond. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar weergave van het met [notaris] en [naam medewerker] op 4 mei 2005 gevoerde gesprek.Zo valt in het klaagschrift te lezen dat [klaagster] ervan overtuigd was dat zij op 4 mei 2005 ’s middags de volmacht heeft ondertekend, terwijl zij ter zitting op 26 november 2008 heeft verklaard dat dit 's ochtends is gebeurd.

In het klaagschrift staat voorts dat [ex-echtgenoot] [klaagster] op 4 mei 2005 had gebeld met de mededeling dat hij haar die dag naar de notaris zou brengen, zodat zij daar een stuk kon tekenen dat betrekking had op een hypotheekverlening waarover [ex-echtgenoot] met haar in april 2005 had gesproken. Ter zitting heeft [klaagster] evenwel verklaard dat zij reeds een paar dagen voor 4 mei 2005 wist dat zij op 4 mei 2005 naar [notaris] toe zou gaan.

10. Gelet op het bovenstaande acht de Kamer de klacht ongegrond.

DE BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden:

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is genomen te Leeuwarden door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzitter, mr. J.C.G. Leijten, mr. H. Ph. Breuker, mr. E.M.W. de Lange en mr. N. Th. Vink, leden, bijgestaan door mr. M.A. Fokkens-Kelder, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2009.