Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5778

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
200.030.992
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming bijzonder curator. Art. 1:250 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 250
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/84 met annotatie van J.H. de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof:

200.030.992 (nevenvoorziening bij echtscheiding) en

200.045.615 (benoeming bijzonder curator)

(zaaknummers rechtbank: 238059 / FA RK 07-5843 en 259177 / FA RK 08-7302)

beschikking van de familiekamer van 9 februari 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere te Utrecht,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 23 april 2008 en 14 januari 2009, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2. Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.030.992:

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 april 2009, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 14 januari 2009. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats van de hierna te noemen [dochter], het recht op omgang van de moeder met [dochter], alsmede het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie en opnieuw beschikkende:

- primair te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [dochter] bij de moeder zal zijn en

subsidiair indien het hof van oordeel is dat het in het belang van [dochter] is dat haar gewone

verblijfplaats bij de vader zal zijn, een omgangsregeling vast te stellen die zodanig wordt

opgebouwd dat de moeder [dochter] één weekend per veertien dagen bij zich kan hebben,

alsmede de helft van alle vakanties en feestdagen, dan wel een omgangsregeling zoals het

hof juist acht;

- te bepalen dat de vader aan de moeder € 300,- per maand zal betalen als bijdrage in de

kosten van de verzorging en opvoeding van [dochter], telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- indien het hof niet aanstonds wenst over te gaan tot het bepalen van de gewone verblijf

plaats van [dochter] bij de moeder een deskundige voor een onderzoek naar de opvoedings-

situatie van [dochter] te benoemen, dan wel een ouderschapsonderzoek c.q. deskundigen-

onderzoek met als doel heroriëntatie op het ouderschap te gelasten, om te rapporteren aan

het hof over het verloop en de resultaten van het onderzoek, de in het beroepschrift

geformuleerde vragen te beantwoorden en te adviseren omtrent de verblijfplaats van [dochter]

en de omgangsregeling met de andere ouder; met benoeming van een raadsheer-

commissaris onder wiens leiding het onderzoek plaatsvindt en tevens te bepalen dat de

kosten van de deskundige -in ieder geval voor het aandeel van de moeder- ten laste komen

van ’s rijks kas, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 juni 2009, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

In de zaak met zaaknummer 200.045.615:

2.3 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 september 2009, verzoekt de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een bijzonder curator over [dochter] te benoemen die haar in en buiten rechte kan vertegenwoordigen.

2.4 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2009, heeft de vader het verzoek van de moeder bestreden. De vader verzoekt het hof de procedure van beide zaken wegens verknochtheid te voegen en de moeder in haar verzoek een bijzonder curator over [dochter] te benoemen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dat verzoek af te wijzen.

In beide zaken:

2.5 De volgende stukken zijn ingekomen ter griffie van het hof:

- een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 8 januari 2010, ingekomen op diezelfde

datum, met als bijlage het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht

(verder te noemen "de raad") van 14 november 2008;

- een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 8 januari 2010, ingekomen op 12 januari

2010, met als bijlagen stukken die in de procedure in eerste aanleg zijn overgelegd, en

- een brief namens mr. Van Lockant-Geschiere van 11 januari 2010, ingekomen op diezelfde

datum, met bijlagen.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2010 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, ieder bijgestaan door zijn/haar advocaat. Namens de raad is [A] verschenen.

2.7 De minderjarige [dochter] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft bij brief, ingekomen ter griffie van het hof op 9 januari 2010, laten weten op 11 januari 2010 met het hof te willen praten. Op 11 januari 2010 heeft de vader namens [dochter] telefonisch meegedeeld dat [dochter] in verband met ziekte geen gebruik zal maken van de haar geboden gelegenheid. [dochter] is dan ook niet op de afspraak met het hof verschenen.

2.8 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.9 Desgevraagd hebben mr. Hoppenbrouwers en de raad tijdens de mondelinge behande-ling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de onder 2.5 genoemde brieven van 8 en 11 januari 2009 met bijlagen, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die brieven met bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die brieven met bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 25 april 1990 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is op 20 april 1994 [een dochter] (verder te noemen "[dochter]") geboren, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 6 september 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht voor de duur van het geding met ingang van 6 september 2007, voor zover hier van belang, voorlopig totdat nader wordt beslist, bepaald dat [dochter] zal worden toevertrouwd aan de vader en de behandeling van de zaak aangehouden tot 20 november 2007 (of zoveel eerder c.q. later alsdan noodzakelijk blijkt) voor een definitieve beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de omgangsregeling en de kinderalimentatie in afwachting van het resultaat van de mediation tussen partijen.

3.3 Bij verzoekschrift van 3 oktober 2007 heeft de vader, voor zover hier van belang, verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat [dochter] haar hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben en ten aanzien van de omgang tussen [dochter] en de moeder te bepalen dat er omgang zal plaatsvinden na overleg daartoe tussen de betrokkenen.

3.4 Bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 2 januari (het hof begrijpt:) 2008 heeft de moeder het verzoek van de vader bestreden en bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [dochter] bij haar zal zijn en de vader aan haar € 300,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter], bij vooruitbetaling te voldoen.

3.5 Ter mondelinge behandeling van 11 maart 2008 heeft de rechtbank beslist dat de zaak pro forma wordt aangehouden met verzoek aan de raad een onderzoek in te stellen naar de vraag:

of sprake is van bezwaren die in de weg staan aan het recht op omgang met elkaar, dat de moeder en [dochter] hebben, en zo nee, welke omgangsregeling het meest in het belang van [dochter] moet worden geacht, waarbij de rechtbank ervan uit is gegaan dat -indien de raad dit nodig acht- er maximaal drie proefcontacten gerealiseerd zullen worden, om vervolgens ten minste 7 dagen voor de nader te bepalen zittingsdatum schriftelijk te rapporteren en te adviseren.

3.6 Bij beschikking van 23 april 2008 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 juni 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.7 Bij die beschikking heeft die rechtbank de behandeling van de zaak voor het overige pro forma aangehouden tot 8 juli 2008 in afwachting van het onderzoek van de raad en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.8 De raad heeft op 14 november 2008 een rapport uitgebracht en geadviseerd om het recht op omgang dat de moeder heeft voor een periode van tenminste één jaar op te schorten, omdat omgang ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van [dochter].

3.9 Bij brief aan de rechtbank van 25 november 2008 heeft de vader, voor zover hier van belang, zijn verzoek met betrekking tot de omgang gewijzigd in die zin dat hij heeft verzocht het recht op omgang tussen de moeder en [dochter] voor een periode van twaalf maanden op te schorten.

3.10 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat [dochter] haar gewone verblijfplaats bij de vader heeft, het recht op omgang van de moeder met [dochter] voor de duur van één jaar geschorst, bepaald dat de vader gehouden is om de moeder éénmaal per maand schriftelijk op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [dochter] en met name betreffende: de gezondheid, de gang van zaken op school en de hobby’s van hun dochter en daarbij elk kwartaal een recente foto van [dochter] aan de moeder dient te sturen en het verzoek tot kinderalimentatie en tot verdeling aangehouden en het meer of anders verzochte afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen zijn in geschil het verzoek tot benoeming van een bijzonder curator over [dochter], de hoofdverblijfplaats van [dochter], de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [dochter] en eventueel de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie.

4.2 Op grond van artikel 1:253a BW, zoals dat sinds 1 maart 2009 luidt, kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en

uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder

om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de

persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet

zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.

4.3 Ingevolge artikel 1:250 BW, zoals dat sinds 1 maart 2009 luidt, benoemt de rechtbank, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding, dan wel de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

4.4 De moeder stelt dat de zorg- en opvoedingstaken tijdens het huwelijk van partijen voornamelijk op haar schouders neerkwamen, waardoor zij in het verleden een hechte band met [dochter] heeft gehad. Hierin is verandering gekomen toen zij in mei 2007 in verband met psychische klachten moest worden opgenomen. Vanaf dat moment is [dochter] bij de vader gaan wonen en heeft de vader het contact tussen [dochter] en haar gefrustreerd. De vader geeft weliswaar aan omgang tussen hen belangrijk te vinden, maar zijn handelswijze doet anders vermoeden. Hij komt zijn informatieverplichting niet na en is niet bereid medewerking te verlenen aan enig vorm van contactopbouw. Voor de moeder is dit onbegrijpelijk, temeer nu geen sprake is van contra-indicaties die aan het contact tussen haar en [dochter] in de weg staan. [dochter] heeft bij de raad te kennen gegeven dat [dochter] de moeder mist en uit het overgelegde mutatierapport van 16 december 2009 volgt dat [dochter] tegenover de politie heeft verklaard contactherstel te wensen. Bovendien zijn er aanwijzingen dat het in de huidige situatie niet goed met [dochter] gaat. De negatieve houding van de vader jegens de moeder voedt het loyaliteitsconflict van [dochter] en het afgelopen jaar heeft [dochter] haar na een ruzie met de vader tweemaal overstuur opgebeld, aldus de moeder. Nu hieruit volgt dat het belang van de vader tegenstrijdig is met dat van [dochter], verzoekt zij het hof een bijzonder curator te benoemen om het standpunt van [dochter] te verwoorden. Daarnaast is het naar de mening van de moeder in het belang van [dochter] om een deskundigenonderzoek te gelasten. Primiar stelt zij dat er een ouderschapsonderzoek moet komen om de verstandhouding tussen partijen te verbeteren. Subsidiair verzoekt zij het hof een niet eerder bij de zaak betrokken onafhankelijk onderzoeker een aanvullend raadsonderzoek uit te laten voeren.

4.5 De vader stelt dat [dochter] na de echtscheiding en de psychische problemen van de moeder aan hem is toegewezen. [dochter] heeft als gevolg van de psychische gesteldheid van de moeder veel dingen meegemaakt waarvan zij nog steeds last heeft. Om deze reden heeft zij bij de raad en de rechtbank aangegeven dat zij nog niet toe is aan contact met de moeder en rust nodig heeft. Hoewel de vader [dochter] regelmatig voorhoudt dat de moeder altijd haar moeder blijft, is dit standpunt van [dochter] onveranderd gebleven. De mutatierapporten die de moeder heeft overgelegd berusten dan ook niet op de waarheid. In plaats van [dochter] de rust te gunnen die zij nodig heeft en haar standpunt te respecteren, heeft de moeder het afgelopen jaar meerdere malen contact met [dochter] gezocht. Zo heeft zij kaarten gestuurd en haar benaderd via Hyves. Omdat de moeder op die manier ervoor zorgt dat zij op de hoogte blijft van de ontwikkeling van [dochter], valt niet in te zien waarom hij de moeder hierover zou moeten informeren. De vader dringt er bij het hof op aan [dochter] te horen alvorens een bijzonder curator te benoemen. Indien er na afloop van dat verhoor nog onduidelijkheden bestaan over de mening van [dochter], kan het hof alsnog overgaan tot het benoemen van een deskundige. Vooralsnog bestaat hiertoe geen aanleiding. De raad heeft aan de hand van het monitoren van eerdere gesprekken tussen hem en [dochter] immers geconstateerd dat er niets mis is met het contact tussen hen, aldus de vader.

4.6 Ter mondelinge behandeling heeft de raad verklaard dat het jammer is dat [dochter] niet met het hof is komen praten, omdat haar mening in deze zaak een belangrijke rol speelt. Deze mening is echter niet eenvoudig vast te stellen, doordat [dochter] zich ten aanzien van de moeder wisselend opstelt. Enerzijds laat zij weten geen contact met de moeder te willen, anderzijds vertelt zij moeite te hebben om te gaan met de psychische gesteldheid van de moeder. Daarnaast is van belang dat de strijd tussen de ouders een loyaliteitsconflict bij [dochter] teweeg heeft gebracht. Een jaar van rust was dan ook in het belang van [dochter], maar inmiddels moet naar een oplossing worden gezocht aangezien [dochter] klem zit tussen de ouders. De raad adviseert het hof een aanvullend raadsonderzoek te gelasten om vast te stellen in wat voor een situatie [dochter] zich bevindt en of, en zo ja, op welke wijze het contact tussen [dochter] en de moeder op gang kan worden gebracht. Naar verwachting zal dit onderzoek spoedig kunnen aanvangen en de uitvoering daarvan drie maanden in beslag nemen, aldus de raad.

4.7 Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen. Naar het oordeel van het hof is er thans nog veel onduidelijk over het functioneren van [dochter], de thuissituatie waarin zij verkeert en de hulp die de ouders voor hun problemen hebben gezocht. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat [dochter] professionele hulp nodig heeft om inzicht te krijgen in de problemen van de moeder en daarmee te leren omgaan. De vader stelt wel dat [dochter] heeft deelgenomen aan de KOPP-pubergroep en gesprekken heeft gevoerd met een orthopedagoog van Altrecht, maar de inhoud van deze behandelingen en de resultaten daarvan zijn onbekend. Voorts is niet duidelijk hoe het op school met [dochter] gaat, in hoeverre haar mening wordt beïnvloed door de vader en hoe het contact tussen haar en de vader voor het overige verloopt. Ten aanzien van de vader is het de vraag of hij hulp heeft gezocht om te voorkomen dat hij de problemen van partijen met [dochter] bespreekt. Ter mondelinge behandeling heeft de vader te kennen geven dat hij een aantal gesprekken met een maatschappelijk werker heeft gevoerd, maar hiervan zijn geen stukken overgelegd en van het effect van deze behandeling heeft het hof dan ook geen kennis kunnen nemen. Tot slot kan een aanvullend raadsonderzoek inzicht geven in de opvoedingssituatie bij de vader. Dit kan de zorgen van de moeder hieromtrent wegnemen dan wel bevestigen.

4.8 Naast het gelasten van een aanvullend raadsonderzoek ziet het hof aanleiding een bijzondere curator over [dochter] te benoemen. Uit de parlementaire geschiedenis bij het onder 4.3 vermelde artikel 1:250 lid 1 BW volgt dat met de herziening van het artikel is beoogd de benoeming van een bijzondere curator in scheidings- en omgangszaken te bevorderen. In dergelijke zaken kan een bijzondere curator een bemiddelende rol in een procedure vervullen en de stem van het kind met name bij zijn ouders naar voren brengen. De bijzondere curator kan bijvoorbeeld wijzen op het recht van het kind om contact te hebben met beide ouders. Ingevolge het artikel kan de rechter slechts tot benoeming overgaan, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, mede gezien de aard van de belangenstrijd. In het onderhavige geval is aan dit criterium voldaan. Vast staat dat sprake is van een hevige strijd tussen de ouders die al drie jaar onverminderd voortduurt en waaraan ernstige problemen ten grondslag liggen. De strijd heeft een negatieve weerslag op de ontwikkeling van [dochter]. Zij is klem komen te zitten tussen de ouders en bevindt zich in een loyaliteitsconflict dat haar het uiten van haar eigen mening moeilijk maakt. Van tegenstrijdige belangen is dan ook sprake. De bijzondere curator zal [dochter] vanaf heden voor de duur van deze procedure bijstaan, ondersteunen en haar in en buiten rechte vertegenwoordigen. Daarnaast wordt van de bijzondere curator verwacht de authentieke mening van [dochter] te achterhalen. Zo is het belangrijk te weten hoe [dochter] staat tegenover contact met de moeder en hoe zij zich voelt in de thuissituatie bij de vader. Het hof zal mw. mr. A.M.C.J. Klostermann, advocaat te Utrecht, tot bijzondere curator benoemen.

4.9 Anders dan de moeder acht het hof geen termen aanwezig om een ouderschapsonderzoek te gelasten. In dit kader overweegt het hof dat gebleken is dat de standpunten van partijen dermate uiteen liggen dat niet valt te verwachten dat een heroriëntatie op het ouderschap hierin verandering zal brengen. De vader heeft ter mondelinge behandeling verklaard niet open te staan voor een dergelijk onderzoek en mediation heeft in het verleden geen oplossing gebracht. Daarbij komt dat het doel van het ouderschapsonderzoek niet geheel aansluit bij de omstandigheden van het onderhavige geval. [dochter] is immers al bijna zestien jaar oud, zodat partijen hetgeen zij zouden leren bij heroriëntatie op het ouderschap nog slechts gedurende een beperkte periode in de praktijk zouden kunnen brengen. Een onderzoek naar het opvoedingsklimaat en de mening van [dochter] is wel van belang, maar zoals hiervoor in 4.7 is overwogen is een aanvullend raadsonderzoek daartoe het geëigende middel. Het hof acht het niet opportuun [dochter] te horen alvorens het raadsonderzoek is afgerond.

4.10 De moeder zal binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator ter beschikking moeten stellen.

4.11 Ten overvloede overweegt het hof dat de vader ervoor dient te zorgen dat de moeder minimaal één keer per maand de nodige informatie over [dochter] krijgt. De vader dient de moeder op de hoogte te houden van de gezondheid en de ontwikkeling van [dochter], zodat zij zich een beeld kan vormen van haar opgroeien. Daarnaast dient de vader elk kwartaal een recente foto van [dochter] aan de moeder te versturen.

4.12 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verzoekt de raad een nader onderzoek in te doen stellen als hiervoor onder 4.7 omschreven en daaromtrent uiterlijk op 18 mei 2010 te rapporteren;

bepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van dit hof: mr. C.W.P. van Gelder;

bepaalt dat de raad zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

benoemt tot bijzondere curator:

mw. mr. A.M.C.J. Klostermann

Groenmarktstraat 20

3521 AV Utrecht

telefoonnummer: 030-2316569;

bepaalt dat de moeder binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de bijzondere curator zal stellen;

bepaalt dat de behandeling van de zaak na ontvangst van het rapport van de raad zal worden voortgezet op 15 juni 2010 om 11.45 uur in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem, waarvoor partijen en hun advocaten, de raad en de bijzondere curator bij deze worden opgeroepen;

wijst het verzoek van de moeder een ouderschapsonderzoek te gelasten af;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.W.P. van Gelder, B.M. Mens en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. A. Mul als griffier, en is op 9 februari 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.