Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5731

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
23-006614-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BB7483, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR3046, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR3046
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft haar twee jonge kinderen met messteken om het leven gebracht. Het hof is van oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten voor de bewezenverklaarde feiten. Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en TBS met bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Verdachte kan worden aangemerkt als weigerachtige observandus. Verweer niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens achterhouden informatie verworpen. Bewijsoverwegingen. Bekennende verklaringen verdachte bruikbaar voor het bewijs?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006614-07

datum uitspraak: 26 februari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 9 november 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-630471-06 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 2 augustus, 15 oktober, 25 en 26 oktober 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 20 november 2009 en 9, 10 en 12 februari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2010 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging, dat:

1.

zij op of omstreeks 14 juni 2006 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer 1] meermalen met een (steak)mes, althans een scherp voorwerp in de borst, althans in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

zij op of omstreeks 14 juni 2006 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer 2] meermalen met een (steak)mes, althans een scherp voorwerp in de borst, althans in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Bij pleidooi in hoger beroep is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De verdediging heeft terzake primair aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het openbaar ministerie in eerste aanleg alsook in hoger beroep opzettelijk ontlastende CIE-informatie buiten het dossier heeft gehouden. De verdediging acht het van groot belang deze informatie zelf op haar betrouwbaarheid te kunnen toetsen en acht de verklaring van de verantwoordelijke CIE-officier van justitie daartoe ontoereikend. Subsidiair heeft de verdediging onder verwijzing naar de "aanbevelingen van Posthumus" bepleit dat in het onderzoek van de politie kort gezegd blijk is gegeven van een aperte tunnelvisie, hetgeen, zo begrijpt het hof, eveneens tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

CIE-officier van justitie [officier van justitie] heeft op 3 november 2008 een memo opgemaakt gericht aan de toenmalige advocaat-generaal, waarin hij relateert dat hem na het wijzen van het vonnis door de rechtbank Haarlem bekend geworden is dat er in de periode juni-juli 2006 bij de CIE van de regiopolitie Noord-Holland Noord (NHN) informatie was ingekomen dat niet de moeder maar een ander verantwoordelijk te houden was voor de moord op de kinderen. Hoewel op enig moment kennelijk door de toenmalige CIE-officier in samenspraak met de toenmalige CIE-chef besloten is deze informatie bij proces-verbaal uit te geven, constateert [officier van justitie] dat dit abusievelijk niet is gebeurd. Van het bewust achterhouden van informatie was hierbij bepaald geen sprake, zo verklaart [officier van justitie] bij de raadsheer-commissaris op 16 december 2009. Bij de raadsheer-commissaris verklaart [officier van justitie] voorts onder verwijzing naar hetgeen hij daaromtrent reeds in voornoemde memo heeft opgemerkt dat hijzelf, indien verantwoordelijk, geen proces-verbaal zou hebben uitgegeven. Hoewel de lat bij het uitgeven van ontlastende informatie aanzienlijk lager wordt gelegd, acht hij de bij de CIE ingekomen informatie in deze zaak eigenlijk te mager, te diffuus en ook te weinig betrouwbaar/aannemelijk om bij proces-verbaal te verstrekken. "Er zit, zoals dat heet, geen onderzoeksrichting in", zo verklaart [officier van justitie] bij de raadsheer-commissaris. Indien er een proces-verbaal zou zijn opgemaakt, aldus [officier van justitie], dan zou de tekst ongeveer als volgt moeten luiden: "Het gerucht gaat dat iemand anders betrokken is, of zou kunnen zijn, bij het doden van de kinderen van [verdachte]". Tenslotte heeft [officier van justitie], reeds voorafgaand aan het afleggen van zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris op 16 december 2009, de toenmalige advocaat-generaal laten weten geen aanleiding te zien tot het (doen) opmaken van (aanvullende) processen-verbaal of ambtsberichten, nu hij van mening is dat zijn memo van 3 november 2008 de informatievoorziening van de CIE in deze strafzaak in voldoende mate relateert, zo blijkt uit een faxbericht van de advocaat-generaal aan de raadsvrouw van de verdachte van 15 juli 2009.

Het voorgaande in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat, voor zover er in eerste aanleg zich al een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering heeft voorgedaan, dit in hoger beroep in voldoende mate is hersteld, nu de verdediging de gelegenheid heeft gekregen de verantwoordelijke CIE-officier van justitie te ondervragen omtrent de in 2006 bij de CIE NHN ingekomen informatie en de door hem hieromtrent opgestelde memo en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt. Redenen om aan de juistheid van de verklaring van de CIE-officier van justitie te twijfelen, zijn het hof geenszins gebleken. Daarbij kan niet gezegd worden dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak. Het feit dat de advocaat-generaal onder de geschetste omstandigheden het alsnog (doen) uitgeven van een proces-verbaal door de CIE-officier van justitie niet noodzakelijk heeft geoordeeld, maakt dit niet anders. Bij die stand van zaken kan hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet leiden tot de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zodat het hof het verweer verwerpt voor zover het op de primaire grondslag berust.

Voor zover het verweer op de subsidiaire grondslag berust, wordt het eveneens verworpen, nu het niet naleven van de aanbevelingen van de commissie Posthumus, voor zover al aannemelijk geworden, op zichzelf geen grond oplevert voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Nu er ook overigens geen andere feiten of omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging aannemelijk zijn geworden, is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn (verdere) vervolging van de verdachte.

Verzoeken

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij gelegenheid van het pleidooi een drietal verzoeken geformuleerd.

1.

De verdediging heeft het hof andermaal verzocht het openbaar ministerie te bevelen de in 2006 beschikbaar gekomen CIE-informatie alsnog bij proces-verbaal uit te geven, mocht het hof het niet-ontvankelijkheidsverweer, voor zover het door de verdediging op de primaire grondslag is gebaseerd, afwijzen.

Het hof heeft dit verzoek eerder, ter terechtzitting van 9 februari 2010, afgewezen op de grond, kort gezegd, dat het hof het alsnog in een proces-verbaal opnemen van deze informatie, gelet op de inhoud van de memo van 3 november 2008 van CIE-officier van justitie [officier van justitie] alsmede de inhoud van zijn verklaring als getuige bij de raadsheer-commissaris op 16 december 2009, niet noodzakelijk achtte. De door de verdediging veronderstelde meerwaarde van het alsnog verbaliseren van de informatie achtte het hof tegen deze achtergrond onvoldoende onderbouwd. Door de verdediging zijn geen argumenten aangevoerd die het hof aanleiding geven thans terug te komen van deze beslissing. Het verzoek wordt op dezelfde gronden afgewezen.

Voor zover de verdediging bij gelegenheid van het pleidooi in afwijking van een eerder verzoek het hof heeft verzocht de advocaat-generaal te bevelen de bedoelde informatie "zoals die er letterlijk lag in de genoemde periode", derhalve letterlijk zoals die informatie in 2006 bij de CIE is ingekomen, te verstrekken, acht het hof de noodzaak hiertoe evenmin gebleken, nog daargelaten dat het hof over een dergelijke bevoegdheid niet beschikt. Er is immers geen aanleiding om aan te nemen dat de informatie zoals die letterlijk is ingekomen, enige relevante meerwaarde inhoudt ten opzichte van de reeds bekendgemaakte inhoud ervan.

2.

Ten tweede heeft de verdediging verzocht de deskundige dr. R. Horselenberg ter terechtzitting te horen, als het hof de bevindingen van Horselenberg niet duidelijk zou vinden dan wel aan diens bevindingen zou twijfelen.

Het hof zal op dit verzoek beslissen bij de behandeling van de verweren ten aanzien van de verklaringen van de verdachte.

3.

Voor het geval het hof de bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC) overneemt en tot de zijne maakt, verzoekt de verdediging de deskundigen prof. dr. C. de Ruiter en drs. J.J.F.M. de Man ter terechtzitting te horen onder de in de door de verdediging overgelegde pleitnota genoemde voorwaarden teneinde in de gelegenheid gesteld te worden om haar recht van " challenge and examine" te kunnen uitoefenen.

Het hof wijst dit verzoek af. Op verzoek van de verdediging is na de rapportage van 5 januari 2007 van C.M. van Deutekom en J.M.J.F. Offermans, verbonden aan het PBC, een contra-rapportage opgemaakt door prof. dr. C. de Ruiter en drs. J.J.F.M. de Man. Het hof heeft, na de weigering van de verdachte mee te werken aan het door het hof ter terechtzitting van 20 november 2009 ambtshalve bevolen aanvullende onderzoek van de verdachte door de deskundigen van het PBC, aanleiding gezien beide deskundigen ter zitting van 10 februari 2010 te doen oproepen teneinde de vragen die bij het hof gerezen waren omtrent hun rapportage van 5 januari 2007 te kunnen beantwoorden en ook de verdediging en de advocaat-generaal de gelegenheid te bieden eventuele vragen aan deze deskundigen te stellen. Ter terechtzitting van 9 februari 2010 heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het eveneens horen ter terechtzitting van de deskundigen De Ruiter en De Man onder meer overwogen dat de door deze deskundigen uitgebrachte rapportages het hof voldoende duidelijk waren. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de rechten van de verdediging ten volle zijn gerespecteerd. Het hof zal zich, mocht het hof tot een bewezenverklaring komen, op grond van het beschikbare materiaal zelf een oordeel dienen te vormen over de vraag of en in hoeverre de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Het feit dat de inhoud van de rapporten van de deskundigen De Ruiter en De Man uit praktische overwegingen aan de deskundigen van het PBC ter hand zijn gesteld, voorafgaand aan hun verhoor ter terechtzitting, alsmede dat die inhoud tijdens dit verhoor aan de orde is gekomen, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien noopt de inhoud van hetgeen de deskundigen ter terechtzitting van 10 februari 2010 hebben verklaard, er niet toe daarover andermaal het gevoelen van de deskundigen De Ruiter en De Man te vernemen. De verdediging heeft ook geen concrete punten genoemd die aan laatstgenoemde deskundigen alsnog zouden moeten worden voorgelegd. De noodzaak van het verzochte is derhalve niet gebleken.

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade beide slachtoffers van het leven heeft beroofd, zodat de verdachte van hetgeen haar onder 1 en 2 primair is tenlastegelegd (moord), moet worden vrijgesproken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 14 juni 2006 te Purmerend opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

zij op 14 juni 2006 te Purmerend opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In hoger beroep is in de onderhavige zaak uitgebreid nader onderzoek verricht. Zo is aanvullend forensisch technisch onderzoek verricht, zijn er getuigen gehoord, is er gerapporteerd omtrent de door de verdachte afgelegde verklaringen bij de politie en is er door de politie nader onderzoek verricht naar de persoon die de verdachte in de meeste verklaringen die zij heeft afgelegd, verantwoordelijk houdt voor de dood van haar kinderen en die zij 'Bennie' noemt. Mede als gevolg hiervan is het dossier uitgebreid met een groot aantal stukken.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting allereerst het volgende vast.

Op 14 juni 2006 omstreeks 02.50 uur is door de verdachte een 112-melding gedaan van een steekpartij in haar woning te Purmerend. Zij deelt hierbij mede dat zij ruzie heeft gehad met een jongen en dat deze een mes heeft gepakt en haar kinderen lek heeft gestoken. Bij aankomst in de woning treffen verbalisanten de kinderen van de verdachte, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], dood in hun bedjes aan. De bijna twee jaar oude [slachtoffer 2] is blijkens de sectiebevindingen overleden als gevolg van 60 steekwonden in de borst en hoge buik. [slachtoffer 1], een baby van ongeveer 6 maanden, is, zo blijkt uit het rapport van de patholoog, door 26 steekwonden (25 in de borst en één in de buik) om het leven gekomen.

De verdachte is dezelfde nacht aangehouden. Zij is diverse malen door de politie verhoord en heeft in het 7e en 8ste verhoor van 22 en 29 juni 2006 een bekennende verklaring afgelegd, waarin zij zegt dat niet een onbekende maar zijzelf haar kinderen heeft omgebracht.

In het 7e verhoor van 22 juni 2006 heeft zij onder meer het volgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik sta bij [slachtoffer 1] aan het voeteneind van zijn bed. Ik sta voorovergebogen en toen stak ik hem. Ik weet niet hoeveel keer ik hem gestoken heb. Bij [slachtoffer 2] sta ik aan de zijkant van het bed. Ik sta over het bed heen gebogen en maak een steekbeweging. Zij begint te huilen en ik ging door. Toen ben ik de kamer uitgegaan. Ik had ook even mijn hand op haar mond, omdat ze huilde.

Als ik mezelf dit hoor zeggen, dan kan ik het gewoon niet geloven (p. 22).

Het bloed in de keuken was van mijn hand. Die heb ik onder de kraan gehouden en afgeveegd met de handdoek. Die handdoek heb ik op de wasmachine neergelegd (p. 23).

Een week later, op 29 juni 2006, heeft zij deze verklaring in grote lijnen herhaald.

Ik ben naar mijn slaapkamer gegaan en toen is dat dus gebeurd met [slachtoffer 1]. Ik heb het mes gepakt en toen ben ik mijn slaapkamer ingegaan. En toen begon ik op [slachtoffer 1] in te steken (p. 5). Ik stond aan het voeteneind van het bed bij [slachtoffer 1] (p. 6).

Daarna ben ik naar [slachtoffer 2] haar slaapkamer gegaan en daar deed ik hetzelfde. En toen begon ze te huilen en toen heb ik mijn hand over haar mond gedaan. Toen ik de slaapkamer uitkwam heb ik het mes laten vallen (p. 5). Bij [slachtoffer 2] stond ik aan de zijkant van het bed (p. 6).

De bruikbaarheid voor het bewijs van de bekennende verklaringen en uitlatingen van de verdachte

Door de verdediging zijn naar het hof begrijpt - zakelijk weergegeven - de volgende verweren gevoerd met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van de bekennende verklaringen en uitlatingen van de verdachte.

A. Geen cautie gegeven.

Op 22 juni 2006 heeft de verdachte voorafgaand aan het vertrek per auto naar de Associatie in Purmerend, waar zij afscheid van haar kinderen zou gaan nemen, aan verbalisant [verbalisant 1] meegedeeld dat het allemaal anders was gegaan dan - naar het hof begrijpt - zij in het voorafgaande 6e verhoor had gezegd. Door de verbalisanten zijn daarop aan de verdachte enkele vragen gesteld zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2006. Volgens de verdediging had aan de verdachte de cautie moeten worden gegeven, omdat sprake was van een verhoorsituatie. Nu dit niet is gebeurd, kan hetgeen de verdachte heeft verklaard niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat zich tijdens het bedoelde gesprek geen op het 6e verhoor aansluitende, doorlopende verhoorsituatie voordeed. Ook staat niet ter discussie dat aan de verdachte tijdens het gesprek niet de cautie is gegeven. Voor zover het zo-even genoemde proces-verbaal van bevindingen mededelingen van de verdachte naar aanleiding van vragen van de verbalisanten inhoudt, zal het hof deze niet voor het bewijs bezigen. De vraag welk gevolg zou moeten worden verbonden aan het niet geven van de cautie dan wel of er een verhoorsituatie aanwezig was, behoeft dan geen verdere bespreking. Het hof merkt ten overvloede op dat de stelling van de verdediging dat de verbalisanten na de eerste mededeling van de verdachte meteen met de verdachte hadden moeten terugkeren naar de verhoorkamer om hun vragen in een verhoorsetting te stellen, niet kan worden gevolgd. Uit hetgeen door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, is duidelijk geworden dat de verdachte slechts op het afgesproken tijdstip in alle rust en in privacy afscheid van haar kinderen kon nemen. Het zou zeer ongepast zijn geweest als aan de verdachte die gelegenheid toen niet was geboden.

B. Het 7e en het 8ste verhoor van de verdachte kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd.

Door de verdediging is gesteld dat hetgeen in het 7e en 8ste verhoor door de verdachte is verklaard, niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Voorafgaand aan die verhoren is aan de verdachte wel de cautie gegeven. Deze verhoren bouwen echter voort op hetgeen daaraan voorafgaand zonder cautie door de verdachte in een verhoorsituatie is verklaard. Niet kan worden vastgesteld, gelet op de wijze van verbaliseren, dat in het 7e en 8ste verhoor verderstrekkend is verklaard dan tijdens de rit in de auto, zodat niet kan worden uitgesloten dat tijdens de rit in de auto aan de verdachte feiten of omstandigheden zijn kenbaar gemaakt, die later als "daderkennis" aan de verdachte worden toegeschreven.

Het hof stelt voorop dat voor zover de verdediging heeft willen betogen dat hetgeen door de verdachte in het 7e en 8ste verhoor is verklaard, niet voor het bewijs mag worden gebezigd enkel op de grond dat in het voorafgaande gesprek aan de verdachte de cautie niet is gegeven, dit betoog geen steun vindt in het recht. Het hof stelt vast dat een nauwkeurige lezing van de weergave van het 7e verhoor leidt tot de vaststelling dat hetgeen daar wordt gezegd over hetgeen kort voorafgaand aan en tijdens de autorit is besproken, niet op wezenlijke punten afwijkt van hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2006 is neergelegd. Het is - anders dan de verdediging aanvoert - niet aannemelijk geworden dat in de auto aan de verdachte meer inhoudelijke vragen zijn gesteld, dan wel meer feiten of omstandigheden waaruit later daderkennis kon worden afgeleid, kenbaar zijn gemaakt, dan uit dit proces-verbaal blijkt. Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de betrokken verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] daarover ook in gelijke zin en open verklaard, waarbij de verdediging hen daarover heeft kunnen ondervragen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de verbalisanten in het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2006 en ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard. Derhalve is er geen reden de verklaringen van de verdachte in het 7e en 8ste verhoor van het bewijs uit te sluiten. Ten aanzien van het 8ste verhoor merkt het hof ten overvloede nog op dat dit verhoor een week na het 7e verhoor en in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte heeft plaatsgevonden.

C. De verdachte heeft mededelingen gedaan en bekennende verklaringen afgelegd onder subjectieve pressie dan wel ontoelaatbare druk.

De verdediging heeft gesteld dat hetgeen de verdachte volgens het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2006 heeft medegedeeld en hetgeen zij heeft verklaard in het 7e en 8ste verhoor, van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat zij onder subjectieve pressie stond en/of op haar ontoelaatbare druk is uitgeoefend. De verdediging heeft daartoe onder meer gewezen op het feit dat door de verhorende verbalisanten van meet af aan geen geloof is gehecht aan de verklaring van de verdachte dat een zekere Bennie de onderhavige feiten had gepleegd, op hetgeen door de verbalisant [verbalisant 3] aan haar is voorgehouden, alsmede op de intimiderende wijze waarop laatstgenoemde jegens de verdachte is opgetreden.

Het hof merkt op dat gelet op hetgeen onder A is uiteengezet dit verweer geen nadere bespreking behoeft met betrekking tot hetgeen de verdachte volgens het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2006 heeft medegedeeld. Het hof is het met de verdediging eens dat de verdachte onder subjectieve pressie heeft gestaan. Dit kan zich bij iedere verdachte voordoen en zal zich in het onderhavige geval zeker hebben voorgedaan. Niet is echter gebleken dat hetgeen door de verdachte werd verklaard, niet als serieuze mogelijkheid is bezien, zoals de verhorende verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ook ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard. Daaraan doet niet af dat hetgeen de verdachte verklaarde, door de verhorende verbalisanten is getoetst op consistentie en juistheid en dat de aannemelijkheid van die verklaring daarbij aan de orde werd gesteld. Dat is ook niet anders dan passend in het kader van een opsporingsonderzoek. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij weliswaar zelf spanning ondervond en dat het vrij intimiderend is als je tegenover twee mannen zit, maar dat de verhoren in het algemeen in een rustige sfeer verliepen. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte wel onder subjectieve pressie heeft gestaan zoals in elke verhoorsituatie het geval kan zijn en zeker ook in de onderhavige zaak het geval zal zijn geweest, maar dat niet aannemelijk is geworden dat die druk zodanig was dat deze de inhoud van haar verklaring heeft beïnvloed. Tevens stelt het hof vast dat niet aannemelijk is geworden dat door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ontoelaatbare druk op de verdachte is uitgeoefend. Het hof ziet geen reden in hetgeen de verdediging heeft gesteld over de verhoren door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], tot bewijsuitsluiting van het 7e en 8ste verhoor.

Teneinde zich een oordeel te vormen over de vraag of door inspecteur [verbalisant 3] aan het einde van het 6e verhoor ontoelaatbare druk op de verdachte is uitgeoefend, heeft het hof de desbetreffende videobeelden ter terechtzitting bekeken en [verbalisant 3] als getuige gehoord. Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het optreden van [verbalisant 3] ongepast was en plaatsvond op een ongelukkig gekozen moment. Vanuit het oogpunt van aan een verhoor te stellen regels acht het hof dit een ontoelaatbare wijze van verhoor. Echter niet is aannemelijk geworden dat hetgeen de verdachte vervolgens heeft verklaard in het 7e en met name ook, in aanwezigheid van haar raadsman, in het 8ste verhoor, is veroorzaakt door dit optreden van [verbalisant 3] noch dat die verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Het hof ziet derhalve in dit optreden van [verbalisant 3] geen reden tot bewijsuitsluiting van hetgeen de verdachte in die verhoren heeft verklaard. Ook de omstandigheid dat sommige door [verbalisant 3] gedane uitlatingen op onderdelen niet juist waren, biedt daarvoor geen aanknopingspunt.

D. De bekennende verklaringen van de verdachte in het 7e en 8ste verhoor zijn valse bekentenissen.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte subjectieve pressie ondervond, alsmede dat door voornoemde [verbalisant 3] ontoelaatbare druk is uitgeoefend. De verdachte heeft daardoor niet in vrijheid kunnen verklaren en heeft zich gedwongen gevoeld de onderhavige feiten te bekennen terwijl zij daarvan niet de dader is. Bovendien is ten onrechte aangenomen dat de verdachte in die verhoren over daderkennis bleek te beschikken. De verdediging heeft bij pleidooi daarbij ook met name gewezen op de bevindingen van de deskundige Horselenberg en het hof verzocht de deskundige te doen oproepen ter terechtzitting als het hof de bevindingen van Horselenberg niet duidelijk zou vinden dan wel aan diens bevindingen zou twijfelen.

Zoals hierboven onder C reeds is weergegeven is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in het 7e en 8ste verhoor niet in vrijheid heeft verklaard, zodat niet reeds om die reden kan worden aangenomen dat de verdachte zich gedwongen heeft gevoeld een valse bekentenis af te leggen. Ook overigens ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling dat de bekentenis vals is.

Het hof is, anders dan de verdediging, met de advocaat-generaal van mening dat de verdachte in die verhoren blijk heeft gegeven over daderkennis te beschikken. De verdachte heeft feiten genoemd die aan de verbalisanten - zoals blijkt uit de door hen ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen - niet bekend waren en die uit het dossier, zoals toen beschikbaar, aan de verdachte niet bekend konden zijn. Dit betreft feiten die, naar later bleek, door forensisch technisch onderzoek hoogst aannemelijk werden geacht. Het hof wijst daarbij onder meer op de volgorde waarin de kinderen om het leven zijn gebracht, het feit dat de dader bij [slachtoffer 1] aan het voeteneinde van het ledikantje heeft gestaan en het gegeven dat de dader de hand op de mond van [slachtoffer 2] heeft gelegd. Ten aanzien van dat laatste opvallende gegeven is niet aannemelijk geworden dat de verdachte die wetenschap had verkregen uit het rapport van de lijkschouwer, nog daargelaten dat de verdachte zelf de reden voor het leggen van de hand op de mond van het kind opgeeft, te weten dat het kind huilde.

Het hof ziet derhalve geen aanwijzingen voor de stelling dat door de verdachte een valse bekentenis is afgelegd, en concludeert dat die stelling niet aannemelijk is geworden.

Wat het verzoek inzake de deskundige Horselenberg betreft, het hof vindt de inhoud van diens rapport van 13 augustus 2009 en die van zijn brief van 11 februari 2010 duidelijk, zodat de noodzaak tot het alsnog oproepen ter terechtzitting van deze deskundige niet is gebleken. Het verzoek tot die oproeping wordt afgewezen. Anders dan de verdediging lijkt te veronderstellen spreekt het hof ook geen twijfel uit aan de bevindingen van de deskundige Horselenberg in het zich thans voordoende geval waarin het hof tot de conclusie komt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd. Hieruit kan enkel de gevolgtrekking worden getrokken dat het hof, kennis nemend van het gehele dossier, de rapporten en verklaringen van alle deskundigen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste instantie en in hoger beroep, en dit alles afwegend, tot het standpunt komt dat voor de serieuze vrees die door de deskundige Horselenberg is geuit dat mogelijk sprake is van een valse bekentenis, geen dan wel onvoldoende gronden zijn aangetroffen. Die afweging is voorbehouden aan het hof. Ook in zoverre kan niet de noodzaak blijken tot het alsnog doen oproepen ter terechtzitting van deze deskundige.

E. De aanbevelingen uit het rapport Posthumus zijn niet (geheel) gevolgd.

Door de verdediging is erop gewezen dat een aantal aanbevelingen uit het rapport Posthumus niet is nageleefd. Daarbij is onder meer gewezen op het feit dat bij de video-opnamen van de verhoren de verhoorders niet in beeld zijn en dat geen onderzoek is verricht naar de vraag of - in het bijzonder bij deze sterk emotionele verdachte - de afgelegde bekentenis vals is.

Voor zover de verdediging daarmee heeft willen betogen dat reeds om die reden de verklaringen van de verdachte in het 7e en 8ste verhoor van het bewijs moeten worden uitgesloten, verwerpt het hof dit betoog. Het is juist dat de verhorende verbalisanten niet of nauwelijks in beeld zijn bij de op video opgenomen verhoren. Niet aannemelijk is geworden dat door datgene wat niet in beeld is, de verklaringen van de verdachte zijn beïnvloed dan wel dat daardoor de verdachte ertoe is gekomen een valse bekentenis af te leggen. Voor zover kan worden gesteld dat door de politie onvoldoende is onderzocht of de bekennende verklaring van de verdachte een valse bekentenis is, is naar het oordeel van het hof door het nadien verrichte onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep dat gebrek hersteld en vormt dit geen aanleiding de bekennende verklaringen van de verdachte uit te sluiten van bewijs.

Gelet op hetgeen het hof hierboven onder A tot en met E heeft weergegeven, komt het hof tot de conclusie dat deze verweren, ieder voor zich en ook in onderlinge samenhang bezien, worden verworpen. Het hof acht de door de verdachte in het 7e en 8ste verhoor afgelegde verklaringen bruikbaar voor het bewijs. Het hof heeft geen houvast gevonden voor de stelling van de verdediging dat het in dezen gaat om een valse bekentenis.

Forensisch technisch bewijs

De bekennende verklaringen van de verdachte vinden daarnaast steun in het forensisch technische bewijs. Daarbij acht het hof - onder meer - de navolgende bevindingen van belang:

a. bloed op de joggingbroek van de verdachte

Op de onderzijde van de pijpen van de joggingbroek die de verdachte droeg op 14 juni 2006, zijn bloedsporen aangetroffen. Hoewel de deskundige R. Eikelenboom op dit punt enige reserve in acht neemt, zijn de deskundigen ing. M.J. van der Scheer en G. Leak het erover eens dat een aantal bloedvlekken geprojecteerde bloedspatten zijn. Geprojecteerde bloedspatten ontstaan door het uitoefenen van een kracht op vloeibaar bloed. Het DNA-(hoofd)profiel van deze spatten komt overeen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Van der Scheer heeft in zijn rapport van 30 november 2006 geconcludeerd dat gezien de grootte van de bloedspatten de drager van de joggingbroek zich ten tijde van het ontstaan hiervan dichtbij de bloedbron heeft bevonden. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 oktober 2007 heeft Van der Scheer dit geconcretiseerd en medegedeeld dat hij hierbij denkt aan een afstand van hooguit een halve meter tot een meter. De deskundige Leak concludeert in haar rapport van 10 juli 2009 dat het voorkomen, de grootte en de verspreiding van de bloedspatten op de onderkant van de pijpen van de joggingbroek bij een scenario passen dat de drager van de broek binnen de baan van het rondvliegende bloed stond dat vanuit [slachtoffer 2]'s ledikant op de vloer aan de zijkant spatte en niet bij een scenario waarin de drager de kamer inliep over de met bloed bevlekte vloer. Naar het oordeel van Leak passen de aanwezigheid en verspreiding van de bloedvlekken op de joggingbroek van [verdachte] in combinatie met de resultaten van het DNA-onderzoek in een scenario waarin [verdachte] met haar gezicht naar het ledikant stond toen de aanval op [slachtoffer 2] plaatsvond.

b. volgorde waarin letsel is toegebracht bij de kinderen (rapport G. Leak 10 juli 2009, IFS 26 september 2007)

De prevalentie van bloed van [slachtoffer 2] op het mes duidt er volgens Leak op dat [slachtoffer 1] als eerste is aangevallen. Ook Eikelenboom acht de aangetroffen bevindingen op het mes meer waarschijnlijk indien [slachtoffer 1] als eerste is omgebracht.

c. positie van de dader tijdens het toebrengen van de steekwonden bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (rapport G. Leak 10 juli 2009, IFS 26 september 2007)

Leak en Eikelenboom zijn op grond van hun bevindingen van oordeel dat de aanvaller van [slachtoffer 1] over het voeteneinde van het ledikant heeft geleund. De bevindingen ten aanzien van [slachtoffer 2] zijn het meest waarschijnlijk indien de dader zich naast het ledikant heeft bevonden.

d. linkshandige dader (rapport G. Leak 10 juli 2009, IFS 26 september 2007)

Leak en Eikelenboom concluderen dat de bevindingen met betrekking tot de verwondingen van [slachtoffer 1] het meest waarschijnlijk zijn indien de dader met de linkerhand heeft gestoken, terwijl Eikelenboom zijn bevindingen ten aanzien van [slachtoffer 2] het meest waarschijnlijk acht indien de dader zich aan de rechterzijde van het ledikant heeft bevonden, met de rechterhand de mond van het slachtoffer heeft afgedekt en met de linkerhand heeft gestoken.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij linkshandig is, met haar linker hand schrijft en "de rest" met haar rechter hand doet. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte met haar linker hand ook andere handelingen dan schrijven kan verrichten. De forensisch arts dr. D. Botter heeft op 14 juni 2006 bij verdachte een bonzende pijn aan de binnenzijde van de linkerbovenarm en in de linkeroksel, toenemend bij zijwaarts heffen van de linkerarm, geconstateerd; pijn die zijns inziens kan ontstaan door uitwendige, stompe geweldsinwerking ter plaatse of door overmatige belasting van de strekspier (p. 10-16 dossier). Dat zich een uitwendige, stompe geweldsinwerking heeft voorgedaan, is naar het oordeel van het hof (mede gelet op het hierna, onder g, overwogene) niet aannemelijk geworden.

e. overdrachtspatroon op het gezicht van [slachtoffer 2] (rapport G. Leak 10 juli 2009, IFS 26 september 2007, NFI 13 oktober 2006 en 30 november 2006)

Zowel Leak, Eikelenboom als de deskundige van het NFI ing. M.J. van der Scheer is van oordeel dat de afdruk op het gezicht van [slachtoffer 2] is veroorzaakt dan wel kan zijn ontstaan door contact met een bebloede hand. Eikelenboom vindt steun voor de hypothese dat het overdrachtspatroon is veroorzaakt door een bebloede rechterhand. Zowel Leak als Van der Scheer (de laatste ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 oktober 2007) verklaren daarnaast expliciet deze sporen niet te interpreteren als door een aai veroorzaakt, zoals door de verdachte naar voren is gebracht.

f. bloed op de linkerpols en linker onderarm van de verdachte

Op de linkeronderarm van de verdachte is bloed aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2]. Op de linkerpols van de verdachte is een DNA-mengprofiel aangetroffen met kenmerken van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] (rapport NFI 30 november 2006). Ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 oktober 2007 heeft Eikelenboom hieromtrent opgemerkt dat beide donoren evenveel materiaal geleverd hebben en ook de ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord deskundige dr. R.J. Bink van het NFI concludeert dat het hier sterk aanwezige DNA- kenmerken betreft, hetgeen zo begrijpt het hof te verwachten is als het gaat om een donatie van bloed en niet van huidepitheel.

g. onbekende dader

Door de verdediging is onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in haar vonnis heeft neergelegd, aangevoerd dat de aanwezigheid van een onbekende dader niet kan worden uitgesloten. Het hof merkt hierover het navolgende op.

Naar het oordeel van het hof zijn er geen aanwijzingen in de woning of in het sporenbeeld aangetroffen die wijzen op betrokkenheid van een mogelijke onbekende dader. Het hof wijst daartoe op de volgende aspecten.

* De deskundige Leak merkt op in haar rapport van 10 juli 2009 het volgende op. Er zijn geen contactvlekken in bloed aangetroffen op mogelijke aanrakingsgebieden, gelegen tussen de verschillende gebieden van de aanval en de gemeenschappelijke uitgang van het blok met flats. Nu zij er zeker van is dat de persoon die verantwoordelijk is voor de aanvallen bloed op zijn/haar handen had, zou Leak verwachten dat delen van het bloed overgedragen zijn op oppervlakken zoals deurknoppen, muren en leuningen. Als de verlichting gedimd was in de kamers is deze verwachting nog groter, tenzij de dader een goede kennis van de indeling van de flat had (p. 24);

* Leak concludeert voorts dat de aanvaller van [slachtoffer 2] binnen het met bloed bevlekte gebied van de vloerbedekking moet hebben gestaan/gelopen om de positie te bereiken waar [slachtoffer 2] lag en dat het bijna onmogelijk is dan geen gedeeltelijke afdruk van schoeisel in bloed achter te laten (p. 13);

* Er zijn geen sporen van een worsteling zoals door de verdachte beschreven, in de woning aangetroffen. De forensisch arts dr. D. Botter is van oordeel dat de huidkrassen in de hals en de huidkras en het puntvormige huiddefect in de buik van de verdachte, die volgens de verdachte door degeen die zij Bennie noemt zijn toegebracht, kenmerken vertonen die het in samenhang zeer waarschijnlijk maken dat deze krassen en dit huiddefect zijn veroorzaakt door automutilatie en niet volgens het door de verdachte beschreven scenario (p. 10-16 dossier);

* Dr. R.J. Bink van het NFI heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 oktober 2007 geconcludeerd dat hij - het hof begrijpt naar aanleiding van het door het NFI verrichte DNA-onderzoek in deze zaak - geen DNA-hoofdprofielen heeft gezien van een onbekende man en evenmin een profiel van zwak aanwezige kenmerken. Bink heeft dan ook geen aanwijzingen dat er sprake is van een derde persoon, een onbekende man. Ook prof. dr. P. de Knijff, werkzaam bij het FLDO, heeft op voornoemde terechtzitting verklaard dat er geen enkele aanwijzing is voor de consistente aanwezigheid van Y-chromosomaal DNA-materiaal van een onbekende man. Er is, zo verklaart hij, geen enkel onverklaard Y-chromosoom teruggevonden.

Het hof acht op grond van het voorgaande de aanwezigheid van een onbekende dader in voldoende mate uitgesloten.

h. afwezigheid van bloed onder de nagels van de verdachte

Ook heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet de dader kan zijn omdat er geen bloed(sporen) onder de nagels van de verdachte zijn aangetroffen. Het hof merkt hierover het navolgende op.

Anders dan de verdediging acht het hof het ontbreken van bloed(sporen) onder de nagels van de verdachte - mede gelet op hetgeen onder a tot en met f is vastgesteld - niet doorslaggevend, nu zowel de deskundige Van de Scheer ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 oktober 2007 als de deskundige Leak ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2010 heeft geoordeeld dat bij de dader - mede gelet op de wijze van bemonstering - niet noodzakelijkerwijs bloedsporen onder de nagel(s) hoeven te worden aangetroffen.

i. misslagen in het technisch onderzoek

Ten slotte heeft de verdediging ten aanzien van het forensisch technische bewijs aangevoerd dat daarin ernstige misslagen zijn begaan. Zij wijst daarbij onder meer op de wijze van veiligstellen van de kleding van de verdachte en andere stukken van overtuiging, waardoor mogelijk contaminatie is ontstaan en stelt dat de 'chain of custody' is verbroken. Het hof oordeelt op dit punt als volgt.

Niet ter discussie staat dat de joggingbroek en het t-shirt van de verdachte aanvankelijk bij gebreke aan forensisch verpakkingsmateriaal binnenstebuiten zijn gekeerd en zijn verpakt in aan elkaar geniete A-4-vellen papier. Anders dan de verdediging acht het hof niet aannemelijk geworden dat daardoor contaminatie en vervorming van de aangetroffen bloedsporen heeft plaatsgevonden. Het betreft zeer kleine bloedsporen die binnen enkele minuten zijn opgedroogd, zoals de deskundigen Leak en Eikelenboom ter terechtzitting in hoger beroep op 10 februari 2010 ook hebben verklaard. Contaminatie is dan niet te verwachten. Hetzelfde geldt voor de vraag of vervorming heeft plaatsgevonden. De deskundige Leak heeft ten aanzien van het uitgesneden stuk zeil uit de slaapkamer van [slachtoffer 2] dat kennelijk opgerold is bewaard, opgemerkt dat die bewaarmethode ook door haar zou zijn gevolgd en dat daarbij enkel ten aanzien van grote en zware bloedvlekken de mogelijkheid bestaat dat schilfers opgedroogd bloed afbreken, maar dat dan de omtrek van het bloedspoor zich niet wijzigt en zichtbaar blijft. Dergelijke grote bloedvlekken zijn in deze zaak ook niet aangetroffen. Voor zover bij de wijze van veiligstellen van de stukken van overtuiging niet is of zou zijn gehandeld in lijn met de aanbevelingen van de commissie Posthumus, is niet gebleken dat daardoor uitslagen van de forensisch technische onderzoeken zijn beïnvloed. Het hof merkt op dat aan het enkele feit dat aan de deskundige Leak geen labjournaals of logboeken zijn ter hand gesteld, niet de conclusie mag worden verbonden dat deze niet zijn bijgehouden. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan volgen dat dit niet is gebeurd. Anders dan de verdediging acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden dat bij het veiligstellen, bewaren en onderzoeken van de stukken van overtuiging zich omstandigheden hebben voorgedaan die zouden moeten leiden tot de vaststelling dat, zoals door de verdediging aangeduid, de 'chain of custody' is doorbroken met als gevolg dat aan de juistheid van de bevindingen in de diverse forensisch technische onderzoeken moet worden getwijfeld.

Gelet op het voorgaande, alsmede op de overige feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, alles in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde:

doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte ten aanzien van het haar ten laste gelegde vrijgesproken.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het - na wijziging van de tenlastelegging - onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, alsmede dat het hof de terbeschikkingstelling zal gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege van de verdachte. Voorts heeft de advocaat-generaal bij bewezenverklaring de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 14 juni 2006 haar twee kinderen van bijna zes maanden en twee jaar oud met een groot aantal messteken in hun bedjes om het leven gebracht. Verdachte heeft aldus niet alleen een einde gemaakt aan het leven van deze weerloze kinderen die zij uit de aard van hun relatie nu juist had dienen te beschermen, maar tevens onnoemelijk leed toegebracht aan de nabestaanden en relaties van de kinderen. Ook de rechtsorde is door deze op niet invoelbare wijze gepleegde levensmisdrijven in ernstige mate geschokt.

Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met het feit dat de verdachte blijkens een haar betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 februari 2010 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Ook laat het hof meewegen dat de inhoudelijke behandeling in hoger beroep lang op zich heeft laten wachten waardoor de verdachte geruime tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de uitkomst van haar zaak. Daarnaast realiseert het hof zich dat ook de verdachte door het verlies van haar kinderen zwaar is gestraft en dat zij haar gruwelijke handelen en de gevolgen daarvan altijd met zich mee zal moeten dragen.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van de navolgende, de persoon van de verdachte betreffende stukken:

- een voorgeleidingsconsult van de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD) Utrecht van 23 juni 2006, opgemaakt door drs. N.A.J. van de Laar;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 17 juli 2006, opgemaakt door W.J.S. Stet, reclasseringswerker;

- een Pro Justitia rapportage van 5 januari 2007 van C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog, en J.M.J.F. Offermans, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht;

- een brief van voornoemde rapporteurs van het Pieter Baan Centrum aan de rechter-commissaris van 25 april 2007;

- een rapport van prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach en dr. T. Smeets van 20 juni 2007;

- een rapport van prof. dr. C. de Ruiter, psycholoog, van 23 oktober 2007;

- een Pro Justitia rapport van drs. J.J.F.M. de Man, psychiater, van 24 oktober 2007;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 8 oktober 2009, opgemaakt door M.E. Broere;

- een brief van voornoemde rapporteurs van het Pieter Baan Centrum aan de advocaat-generaal van 4 februari 2010.

Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen de deskundigen Van Deutekom en Offermans ter terechtzitting in hoger beroep op 10 februari 2010 hebben verklaard.

In de Pro Justitia rapportage van 5 januari 2007 wordt kort samengevat als diagnose gesteld dat betrokkene lijdend is aan een borderline-persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken - ook wel als-of-persoonlijkheid genoemd - en is geadviseerd tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep is gebleken dat voornoemde rapporten omtrent de persoon van de verdachte meer dan een jaar oud waren en derhalve niet meer voldeden aan het actualiteitsvereiste van artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) dat in artikel 37a, derde lid, van overeenkomstige toepassing is verklaard in geval een last tot terbeschikkingstelling wordt gegeven. Nu de verdediging evenmin instemde met het gebruik van deze rapporten, heeft het hof ter terechtzitting van 20 november 2009 beslist dat door de deskundigen Van Deutekom en Offermans van het PBC aanvullend diende te worden gerapporteerd ter actualisering van het PBC-rapport van 5 januari 2007. Bij brief van 4 februari 2010 hebben de deskundigen de advocaat-generaal geïnformeerd dat de verdachte aan dit onderzoek geen medewerking heeft willen verlenen. Deze weigering blijkt eveneens uit het in kopie aan het hof verzonden faxbericht van de verdediging aan de advocaat-generaal van 21 januari 2010 (18.30 uur) en het in kopie aan het hof verzonden faxbericht van 27 januari 2010 aan de advocaat-generaal, waarin de verdediging voorts te kennen geeft dat de verdachte slechts bereid is mee te werken aan een aanvullend ambulant onderzoek door de deskundigen De Ruiter en De Man.

In aanmerking genomen dat de verdachte alleen aan een aanvullend onderzoek wil meewerken op de door haar gestelde voorwaarde dat het onderzoek niet door voornoemde deskundigen verbonden aan het PBC zal geschieden, is het hof van oordeel dat de verdachte als weigerende observandus moet worden aangemerkt.

Een last tot terbeschikkingstelling kan ook worden gegeven indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het multidisciplinair onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht; artikel 37a, derde lid, WvSr verklaart artikel 37, derde lid, WvSr van overeenkomstige toepassing. De eis van recente multidisciplinaire rapportage geldt in een dergelijk geval niet. Wel dient het hof zich zoveel mogelijk te doen voorlichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een terbeschikkingstelling en moet een psychische stoornis zijn vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de verdachte een last tot terbeschikkingstelling gegeven moet worden alsmede, met het oog op de noodzakelijke behandeling, een bevel tot verpleging. Het hof legt aan dat oordeel het volgende ten grondslag.

De Pro Justitia rapportage van C.M. van Deutekom en J.M.J.F. Offermans van 5 januari 2007 houdt als diagnostische overwegingen, conclusie en advies het volgende in - zakelijk weergegeven - :

Bij betrokkene is sprake van een borderline-persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken. Ze heeft een zwakke persoonlijkheidsstructuur met een beperkte draagkracht waarbij ze negatieve gevoelens en haar impulsen geheel uit het bewustzijn houdt. Desondanks ervaart ze een diffuus gevoel van onrust, somberheid en knagende leegheid (borderline-trekken) die ze zelf labelt als depressieve gevoelens. Ze heeft een zeer zwakke identiteit en er zijn problemen in de agressiehuishouding. Door zich oppervlakkig aan te passen en negatieve spanning te mijden door problemen uit de weg te gaan, houdt ze zich staande (vermijdende trekken). Op grond van het testmateriaal is het redelijk aan te nemen dat er bij haar sprake is van een complexe posttraumatische stresstoornis (PTSS) die zich in een vroege fase van haar ontwikkeling heeft aangediend en die niet geïntegreerd en verwerkt is. Tot slot is er, passend bij het persoonlijkheidsbeeld, sprake van misbruik van cocaïne.

Om zich te handhaven maakt ze veelvuldig gebruik van loochening en ontkenning. Ze had al vroeg pseudologe verhalen nodig om aandacht te krijgen en haar negatieve zelfbeeld enigszins op te poetsen. Betrokkene leeft vaak 'ad hoc' en tracht zich zo goed en zo kwaad mogelijk aan te passen aan de situatie van het moment. Ze beschikt slechts over een geringe draagkracht, wat ertoe bijdraagt dat ze al snel overvraagd wordt, waarbij eerdergenoemde matige intelligentie en haar gebrek aan overzicht ook nog een rol van betekenis spelen. Vanuit haar zwakke identiteit is betrokkene voorts zeer verleidbaar voor middelengebruik, zeker in periodes dat zij zich ongelukkig en leeg voelt of aan grote stress bloot staat.

Betrokkene kan zich als persoon maar moeilijk afgrenzen, ze staat los van haar gevoelswereld en splitst haar gevoelens ook regelmatig af, waarbij ze tevens gebruik maakt van genoemde afweermechanismen als loochening en ontkenning. Ze komt emotioneel vaak uitgesproken vlak over. Vanuit het gebrek aan contact met haar gevoelswereld heeft zij ook geen contact met haar agressieve gevoelens, waardoor gesproken kan worden van een gestoorde agressiehuishouding. Betrokkene is, gelet op haar ontwikkelingspsychologische onrijpheid en wankele psychische evenwicht met soms heftige stemmingsschommelingen, door de komst van en zorg voor twee kinderen chronisch overvraagd, al wil ze dat niet erkennen.

Mochten de tenlastegelegde feiten bewezen worden geacht, dan kan als verklaring vooral gedacht worden aan een combinatie van het chronische overbelast en overvraagd zijn (waarbij negatieve gevoelens ook nog geloochend en ontkend worden), een toestand van depersonalisatie (waarschijnlijk mede gerelateerd aan de borderline-kenmerken in de persoonlijkheidsstructuur) en cocaïnegebruik. In deze toestand is aannemelijk dat vrij geringe interne prikkels of frustraties of ogenschijnlijk relatief onbeduidende externe oorzaken (bijvoorbeeld een huilend kind) zeer grote gevolgen kunnen hebben, waarbij vooral gedacht kan worden aan een gedaald bewustzijn gepaard gaande met een impulsdoorbraak.

Het effect van cocaïne is in sterke mate afhankelijk van de kwaliteit van de persoonsstructuur. Dit betekent dat op momenten dat betrokkene meer onder druk staat en overbelast is en te kampen heeft met negatieve en onlustgevoelens, de mogelijkheden van een affectieve gevoelsdoorbraak aanzienlijk groter zijn dan wanneer ze in rustiger vaarwater verkeert. Met andere woorden: onder ongunstige omstandigheden kan het, vermoedelijk overvloedig, cocaïnegebruik geleid hebben tot een stuwing van agressieve gevoelens en uiteindelijk tot een impulsdoorbraak, waarbij niet geheel duidelijk is geworden waardoor deze - naast het cocaïnegebruik - is 'getriggerd'. Het cocaïnegebruik verklaart zeker niet de 'omvang' en het moment van betrokkenes geweldsexplosie naar haar kinderen, die ook niet - althans niet volledig - tot de persoonlijkheidsstoornis herleid kan worden.

Betrokkene wordt op grond van bovenstaande overwegingen verminderd toerekeningsvatbaar geacht voor het haar tenlastegelegde.

De rapportage houdt voorts ten aanzien van de kans op recidive en als advies het volgende in - zakelijk weergegeven -:

Gelet op betrokkenes geringe draagkracht, de belastende omstandigheden waarin ze vaak verzeild raakt, haar geringe overzicht en matige intelligentie, haar problemen met haar agressiehuishouding in de vorm van weinig contact met haar emoties en ontkenning en loochening van agressieve en negatieve gevoelens, en haar verleidbaarheid tot middelengebruik in het algemeen en cocaïne in het bijzonder (wat haar al geringe stabiliteit en draagkracht verder ondermijnt), wordt de kans groot geacht dat betrokkene zonder adequate behandeling opnieuw kan komen in voor haar ongunstige omstandigheden tot een impulsdoorbraak met ernstige gevolgen voor haarzelf of haar omgeving.

Vanwege de kans op herhaling van een ernstig geweldsdelict wordt TBS met dwangverpleging geadviseerd.

Gezien de ernst van betrokkenes problematiek c.q. stoornis, de vooralsnog moeilijk te schatten duur van een (klinische) behandeling en de ernst van het tenlastgelegde wordt gemeend dat met het oog op het terugdringen van recidive niet kan worden volstaan met een behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden.

De rapporteurs van het Pieter Baan Centrum zijn ter terechtzitting van het hof van 9 februari 2010 als deskundigen gehoord omtrent de door hen opgemaakte rapportage van 5 januari 2007. Beide deskundigen hebben bij die gelegenheid verklaard te blijven bij de inhoud van deze rapportage, ook na te hebben kennisgenomen van voornoemde rapporten van prof. dr. C. de Ruiter, drs. J.J.F.M. de Man alsmede prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach en dr. T. Smeets.

Van Deutekom heeft ter terechtzitting - onder meer - nog het volgende verklaard - zakelijk weergegeven - :

Het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum berust op drie pijlers: de gesprekscontacten met betrokkene, de testresultaten en de observaties in de groep en het milieuonderzoek. Deze leveren alle drie een stukje van de puzzel.

Bij betrokkene is sprake van een als-of-persoonlijkheid. Ze past zich aan haar omgeving aan. Alle negatieve gevoelens die inherent zijn aan het leven in het algemeen en die nog versterkt worden door haar 'pleasende' gedragspatroon, worden gladgestreken en verdwijnen ver onder het oppervlak van haar persoonlijkheid. Ze is afgesneden van negatieve gevoelens, heeft daar geen voeling mee. Een gestoorde agressiehuishouding wil niet zeggen dat iemand agressief gedrag vertoont in het dagelijks leven. Vanuit haar persoonlijkheid laat betrokkene anderen over haar grenzen gaan, ze levert zich uit en wil aardig gevonden worden. Dat levert spanningen op, maar zij voelt deze spanning niet en heeft daar geen sturing over. De vraag is dan waar deze spanningen blijven. Deze lopen op. Iemand met een als-of-persoonlijkheid merkt daar pas in een zeer laat stadium iets van. Dat vergroot de kans op een impulsdoorbraak. Het kan soms lijken of het met zo iemand goed gaat, terwijl dat helemaal niet het geval is.

Er zijn duidelijke aanwijzingen voor een PTSS die in de vroege jeugd is ontstaan en heeft geleid tot de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Uit het onderzoek is beslist niet gebleken van een PTSS die pas is ontstaan na de dood van haar kinderen. Er zijn stringente criteria voor het vaststellen van een PTSS en daar wordt, wat dit laatste betreft, niet aan voldaan.

Een eetstoornis past bij een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Dit is een middel om de spanningen en agressie te reguleren. Iemand met deze stoornis is ook extra gevoelig voor middelengebruik als middel om de spanningen te dempen. Dit zijn onbewuste uitingen om met spanningen om te kunnen gaan. Vanuit de cognitieve kant kan er sprake zijn van acting-out, tekeer gaan of een impulsdoorbraak. De dynamiek is er wel, ook al treffen we die niet aan in het dagelijks leven. Als de remmen minder goed werken door bijvoorbeeld overbelasting, vermoeidheid of middelengebruik, dan is er bij iemand met deze psychologische make-up een risico.

We hebben niet alle stukjes van de puzzel. De ernstige persoonlijkheidsstoornis en het middelengebruik werken op elkaar in, maar de stap naar het excessieve geweld hebben wij niet kunnen maken. Ook bij betrokkene ontbreekt een deel van wat er gebeurd is. Waardoor een en ander - indien bewezen - is 'getriggerd', weten wij niet.

Voor post-partum-problematiek zoals door prof. Merckelbach in zijn rapport is geopperd, heb ik geen enkele aanwijzing gevonden, ook niet in het milieuonderzoek.

Ten aanzien van onze conclusie dat betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden, kan ik nog het volgende opmerken. Uitgangspunt is dat iemand volledig toerekeningsvatbaar is. Bij betrokkene hebben wij een ernstige persoonlijkheidsstoornis geconstateerd die haar hele functioneren beïnvloedt. Verdovende middelen hebben een ontregelend effect op het gedrag. Omdat het gebruik van cocaïne zo met haar persoonlijkheidsproblematiek is verweven, leidt dat bij betrokkene tot de eerder genoemde conclusie. We hebben geen indicatie dat zij volledig psychotisch is geweest. In de testen heb ik daar geen aanwijzingen voor gevonden.

De stoornis van betrokkene is lastig te behandelen. Ik acht een intensieve behandeling nodig in een intramurale setting. Een schatting van de duur van de behandeling kan ik niet geven, maar u moet eerder aan jaren dan aan maanden denken.

De psychiater Offermans heeft ter terechtzitting in aanvulling hierop - onder meer - nog het volgende verklaard - zakelijk weergegeven - :

Het gebruik van cocaïne speelt naast de persoonlijkheidsstoornis een rol bij het verklaren van het ten laste gelegde, indien bewezen. Betrokkene is in staat de afweging te maken dat cocaïne slecht is. Tegelijkertijd maakt haar stoornis haar gevoelig voor middelengebruik en is zij niet geheel vrij in haar keuzemogelijkheden. Gelet op deze verwevenheid zijn wij van oordeel dat betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar geacht kan worden. Ik onderschrijf de conclusie dat betrokkene een intensieve behandeling nodig heeft.

Ik denk dat ik uit diagnostisch oogpunt niet tot geheel andere conclusies kom dan de andere deskundigen die omtrent de persoon van de betrokkene hebben gerapporteerd. De Ruiter heeft meer een psychiatrische stoornis in engere zin geconstateerd, zoals een eetstoornis, terwijl wij de problematiek meer hebben opgehangen aan de persoonlijkheidsstoornis.

Anders dan door de verdediging is betoogd, ziet het hof geen aanleiding aan de kwaliteit van het onderzoek en de juistheid van de inhoud van de rapportage alsmede van de hierop ter terechtzitting gegeven toelichting van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum te twijfelen. De bevindingen van de rapporteurs De Ruiter, De Man en Merckelbach en Smeets hebben het hof niet tot een ander oordeel gebracht.

Het hof neemt de conclusie van de deskundigen Van Deutekom en Offermans dat het tenlastegelegde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, over, maakt deze tot de zijne en verenigt zich met het advies. De verdachte, bij wie tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, hetgeen mogelijk is nu de door haar begane feiten misdrijven zijn, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

Het hof acht het hierbij wenselijk dat op korte termijn met de behandeling van de verdachte, die hoogstwaarschijnlijk van lange duur zal zijn, wordt aangevangen. Tegen deze achtergrond en mede gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, is het hof van oordeel dat aanleiding bestaat om ten aanzien van de op te leggen gevangenisstraf af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd en zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 1 en 2 bewezen verklaarde met betrekking tot die voorwerpen is begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 37, 37a, 37b, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00 STK Broek Kl: blauw, jogging;

1.00 STK T-shirt Kl: grijs.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, met ingang van 1 maart 2010, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. J.M.J. Chorus en mr. R.P. IJland-van Veen, in tegenwoordigheid van mr. N.C. Laatsch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2010.