Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5211

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
07/00652
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO1449, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof is er geen sprake van een naar willekeur vastgesteld tarief en is de onderhavige tariefbepaling niet in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Tevens is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van een regeling waarvan op voorhand duidelijk is dat zij moet leiden tot een heffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Gelet op het vorenstaande is er geen grond om onderdeel 3.1 van de bij de Verordening behorende tarieventabel onverbindend te verklaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:1
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Gemeentewet 216
Gemeentewet 217
Gemeentewet 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00652

uitspraak: 18 februari 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Y], belanghebbende,

gemachtigde E.P. Blaauw,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/6693 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag precariobelasting/liggeld woonschepen opgelegd, betrekking hebbende op de ligplaats, plaatselijk bekend als [A 1] te [Y]. De aanslag bedraagt € 1.144,92.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 30 mei 2006, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 10 augustus 2007 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 september 2007 en de nadere motivering is ingekomen bij het Hof op 16 oktober 2007. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een woonschip gelegen aan de [A 1], te [Y].

2.2. Relevante regelgeving

2.2.1. Artikel 216 van de Gemeentewet luidt als volgt:

De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening.

2.2.2. Artikel 217 van de Gemeentewet luidt als volgt:

Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Evenals in eerste aanleg bij de rechtbank is in geschil of onderdeel 3.1 van de tarieventabel, behorende bij de “Verordening op de heffing en invordering van Precariobelasting stadsdeel Amsterdam Centrum 2006”, als vastgesteld door de deelraad van het stadsdeel Amsterdam Centrum in zijn vergadering van 15 december 2005, (hierna: de Verordening), verbindend is.

3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van 20 februari 2009.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Verordening vindt haar grondslag in artikel 228 van de Gemeentewet. Daarin is de bevoegdheid van de gemeente neergelegd om precariobelasting te heffen voor het hebben van voorwerpen op, onder of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.

4.2. In de tarieventabel behorende bij de Verordening is onder punt 3.1 het tarief voor woonschepen bepaald op € 8,12 per m² per jaar.

4.3. In zijn arrest van 8 oktober 2004, nr. 37.631, BNB 2005/22, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de billijkheid van verordeningen in het algemeen aan het oordeel van de rechter is onttrokken en dat eerst aan onverbindendverklaring kan worden toegekomen ingeval er een regeling zou zijn getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, of waarvan het op voorhand duidelijk is dat zij moet leiden tot een heffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.

4.4. Nu de Verordening met inbegrip van de daarbij behorende tarieventabel een besluit is, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, is op grond van artikel 3:1 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hierop, anders dan door appellant is aangevoerd, het motiveringsvereiste van artikel 3:46 Awb niet van toepassing.

4.5. Blijkens het verslag van zijn vergadering van 15 december 2005 heeft de stadsdeelraad bij het vaststellen van het tarief van het liggeld voor woonschepen een vergelijking gemaakt met de tarieven in de stadsdelen die aan het stadsdeel Centrum grenzen. Hierbij heeft de raad besloten aansluiting te zoeken bij het hoogste in een omringend stadsdeel geldende tarief, te weten het tarief in het stadsdeel Westerpark. De raad achtte dit gerechtvaardigd, gelet op de financiële krapte waarvoor het stadsdeel zich zag geplaatst en op de omstandigheden dat de huizen- en kantorenprijzen in het centrum van Amsterdam hoger zijn dan in de omringende stadsdelen en de binnenstad een gewilde woon- en werklocatie blijkt te zijn. Gelet hierop is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een naar willekeur vastgesteld tarief en is de onderhavige tariefbepaling niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.

4.6. Evenmin is sprake van een regeling waarvan op voorhand duidelijk is dat zij moet leiden tot een heffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Het bedrag van de aanslag is op zichzelf niet extreem hoog en het is ook niet onredelijk om binnen het stadsdeel een uniform tarief toe te passen, ongeacht de aantrekkelijkheid van de ligplaats.

4.7. Gelet op het vorenstaande is er geen grond om onderdeel 3.1 van de bij de Verordening behorende tarieventabel onverbindend te verklaren.

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, W.M.G. Visser en P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland, als griffier. De beslissing is op 18 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.