Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3994

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
23-003311-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt terzake van twee overvallen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden.

De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de fotoconfrontaties met de getuigen zonder toestemming van de rechter-commissaris en in strijd met het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit) (Stb. 2002, 46) zouden hebben plaatsgevonden.

Het hof verwerpt de verweren:

1. Bepalingen uit het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek zijn naar het oordeel van het hof niet van toepassing op enkelvoudige of meervoudige fotoconfrontaties met getuigen, waarbij in het geheel geen medewerking is vereist van de verdachte.

2. Niet-naleving van het voorschrift artikel 177a Sv (officier van justitie is verplicht rechter-commissaris te informeren over parallelle opsporing) treft de verdachte niet in zijn belang. De bepaling ziet op positie van de officier van justitie en de rechter-commissaris ten opzichte van elkaar in het onderzoek.

Bewijsoverweging (foto)herkenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003311-08

datum uitspraak: 25 januari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-528356-07 van het openbaar ministerie

tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2010.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging:

1.

dat hij op of omstreeks 18 oktober 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de woning [adres] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere (gouden) sieraden en/of een mobiele telefoon (merk LG) en/of een enveloppe met een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (onder andere) [slachtoffer O], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer O], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) bovengenoemde woning is/zijn binnengedrongen en/of die [slachtoffer O] en/of (een) andere aanwezige(n) in bovengenoemde woning een of meerdere vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), heeft/hebben getoond en/of die [slachtoffer O] en/of (een) andere aanwezige(n) in bovengenoemde woning onder schot heeft/hebben gehouden en/of die [slachtoffer O] met (de kolf van) dat/die vuurwapen(s), althans dat/die op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer O] heeft hebben geslagen en/of geschopt en/of de woning van die [slachtoffer O] heeft/hebben doorzocht en/of de sieraden van die [slachtoffer O] heeft/hebben afgenomen.

2.

dat hij op of omstreeks 8 oktober 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in [reisbureau B] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kistje met een geldbedrag en/of een bakje met een geldbedrag, met een totale waarde van ongeveer 4000 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) het bovengenoemde reisbureau is/zijn binnengegaan en/of (daarbij) zijn/hun vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), heeft/hebben doorgeladen en/of tegen die [slachtoffer B] en/of de andere aanwezigen heeft/hebben gezegd: "dit is een beroving" en/of "beweeg je niet, anders worden jullie geknald" en/of "waar is al jullie geld" en/of de bureaus en/of de laden van het reisbureau heeft/hebben doorzocht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de fotoconfrontaties met de getuigen [getuige O, getuige A en getuige M], zonder toestemming van de rechter-commissaris en in strijd met het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit) (Stb. 2002, 46) zouden hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Toepasselijkheid van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek

Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog voor wat betreft de toepasselijkheid van het Besluit.

Artikel 61a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat tegen de voor onderzoek opgehouden verdachte maatregelen in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen. Gelet op de wetsgeschiedenis wordt met maatregelen in het belang van het onderzoek uitdrukkelijk gedoeld op maatregelen die een verdachte dwingen tot het ondergaan van maatregelen of het meewerken aan deze maatregelen. Het hof wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1999/2000, 26 983, nr. 3, (MvT):

In het onderhavige wetsvoorstel worden voorstellen gedaan die betrekking hebben op de herziening en uitbreiding van het onderzoek aan en in het lichaam, de herziening van de maatregelen in het belang van het onderzoek en de overheveling van deze maatregelen naar het Wetboek van Strafvordering, alsmede een regeling voor het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer bij het vaststellen van de identiteit van een verdachte.

De voorstellen zijn, behoudens het laatstgenoemde onderwerp, gebaseerd op het rapport van de Commissie onderzoek aan het lichaam (Rapport van de Commissie onderzoek aan het lichaam, februari 1997).

De maatregelen in het belang van het onderzoek worden nader uitgewerkt in de Invoeringswet Wetboek van Strafvordering en het daarop gebaseerde Besluit inverzekeringstelling alsmede voor degene die zich in een huis van bewaring bevinden in de Gevangenismaatregel. Ook hier geldt dat sedert de totstandkoming van deze regelingen er in de loop der tijden nieuwe onderzoeksmethoden in gebruik zijn genomen, zoals bij voorbeeld de Oslo-confrontatie en de speurhondenproef. Bovendien rijst ten aanzien van deze maatregelen de vraag of deze in het kader van de opsporing ingezette maatregelen niet beter hun basis in het Wetboek van Strafvordering kunnen vinden.

Met de hiervoor weergegeven opsomming van de maatregelen in het belang van het onderzoek die gedurende de fase van de ophouding voor onderzoek kunnen worden toegepast is al impliciet aangegeven dat deze maatregelen hun basis dienen te vinden in het Wetboek van Strafvordering. De koppeling van deze maatregelen aan de diverse fasen van vrijheidsbeneming en de omstandigheid dat deze maatregelen ten dienste staan van de opsporing rechtvaardigen regeling in het Wetboek. Daarnaast valt op te merken dat de regeling in de Invoeringswet Sv en de diverse lagere regelgeving niet erg overzichtelijk en toegankelijk is. In het kader van het voorstel met betrekking tot ophouding in het belang van het onderzoek zijn een aantal maatregelen in het belang van het onderzoek naar voren geschoven. Dit zijn: het nemen van foto's en lichaamsmaten, het nemen van vingerafdrukken, de confrontatie, de sorteerproef, het afscheren van snor of baard of knippen van het hoofdhaar, het tijdelijk doen aantrekken van bepaalde kleding of het opzetten van bepaalde attributen en de plaatsing in een observatiecel met het oog op opsporingsbelangen. Het betreft hier dus al in de wet genoemde maatregelen ter identificatie en een aantal maatregelen in het belang van het onderzoek die al in de lagere regelgeving met name werden genoemd.

De regeling van de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot een maatregel in het belang van het onderzoek is inhoudelijk niet gewijzigd. De regeling uit de artikelen 222 en 225 Invoeringswet Strafvordering is overgebracht naar het Wetboek van Strafvordering. Wel is de regeling uitgebreid in verband met de bevoegdheid een aantal maatregelen ook gedurende de fase van de ophouding voor onderzoek toe te passen.

Onderdeel D (artikel 61a Sv)

Bij de voorgestelde vervanging van de ophouding voor verhoor door de ophouding voor onderzoek is bekeken of een aantal maatregelen in het belang van het onderzoek ook al in deze fase toepasbaar zouden kunnen zijn. Dit kan het onderzoek versnellen en voor de verdachte als voordeel hebben dat met de toepassing van een minder zwaar vrijheidsbenemend dwangmiddel kan worden volstaan.

Als eerste worden genoemd de maatregelen bestaande uit het maken van fotografische opnamen en het nemen van lichaamsmaten. Onder de huidige regeling is het maken van fotografische opnamen en het nemen van lichaamsmaten in deze fase alleen toegestaan indien zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van de identiteit in het kader van artikel 61a Sv. Voorgesteld wordt deze bevoegdheid in algemene zin, dus losgekoppeld van de voorwaarde dat het moet gaan om de situatie als bedoeld in artikel 61c Sv, toe te staan. Ook in het kader van de opsporing kan het zinvol zijn om al in deze fase deze maatregelen te kunnen toepassen, zonder dat in het belang van het onderzoek moet worden overgegaan tot het zwaardere dwangmiddel van de inverzekeringstelling.

Daarnaast kan het nemen van foto's in deze fase van belang zijn om bij twijfel de juiste identiteit te kunnen vaststellen van degene die is aangehouden. In de praktijk doet zich nog al eens het fenomeen voor dat pas in een laat stadium van de procedure, bij voorbeeld na een eerste veroordeling bij verstek, in appel het verweer wordt gevoerd dat de gedagvaarde persoon niet degene is die terzake van het ten lasten gelegde door de politie is aangehouden. Dit heeft tot gevolg dat na verloop van tijd alsnog bij de politie nadere inlichtingen omtrent de identiteit van de aangehouden persoon moeten worden gevraagd. Door het lange tijdsverloop is een dergelijk onderzoek naar de identiteit van de destijds door de politie aangehouden persoon vaak niet of moeilijk uit te voeren. Ook blijkt een aanzienlijk deel van de bij de Hoge Raad ingediende herzieningsverzoeken te worden ingediend met als grond dat degene die veroordeeld is, niet degene was die door de politie terzake van het feit is aangehouden. Dergelijke misverstanden kunnen worden voorkomen indien bij de politie bijvoorbeeld door middel van een foto direct duidelijkheid kan worden verschaft omtrent de identiteit van de verdachte. Overigens staat het ook thans de opsporingsambtenaren vrij om bij degenen die wel hun personalia opgeven bij twijfel nader onderzoek naar de juistheid van de opgegeven gegevens te verrichten.

In onderdeel b van het eerste lid wordt genoemd het nemen van de vingerafdrukken. In het derde lid is voorzien in de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen omtrent de toepassing van deze bevoegdheid. Ook deze bevoegdheid is naar voren gehaald.

In de onderdelen c en d van het eerste lid worden vervolgens genoemd de confrontatie en de sorteerproef. Ook hier geldt dat ingevolge het derde lid nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de toepassing van deze maatregelen.

In lid 3 van artikel 61a Sv wordt de mogelijkheid gegeven om bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels te stellen omtrent de toepassing van genoemde maatregelen. Daarin is voorzien met het Besluit.

Paragraaf 3 van het Besluit (de toepassing van de confrontatie) ziet expliciet op een enkelvoudige of meervoudige confrontatie. Verplichte medewerking van de verdachte is vereist. Dit volgt uit definities van artikel 1, sub c en d van het Besluit, uit de bepalingen zelf (zie bijvoorbeeld artikel 10 van het Besluit), maar ook uit de toelichting op de bepalingen.

Uit het Besluit, noch uit de toelichting daarop volgt dat de bepalingen uit het Besluit eveneens van toepassing zouden zijn op enkelvoudige of meervoudige fotoconfrontaties met getuigen waarbij in het geheel geen medewerking is vereist van de verdachte. Wel wordt in de toelichting verwezen naar een aantal rapporten dat is verschenen, waarin handreikingen voor de praktijk worden gegeven.

Voor een uitvoerige beschrijving van hoe te handelen bij een confrontatie en voor de toepassing van de confrontatie buiten het kader van de toepassing als maatregel in het belang van het onderzoek zullen deze rapporten als leidraad kunnen blijven dienen, aldus de wetgever. Naar het oordeel van het hof dienen dergelijke fotoconfrontaties, meervoudig dan wel enkelvoudig, dan ook te worden aangemerkt als maatregelen die buiten het kader vallen van artikel 61a Sv en het genoemde Besluit.

Gelet hierop wordt het verweer van de raadsman verworpen nu de aangehaalde wettelijke voorschriften toepassing ontberen.

Uitvoering fotoconfrontaties doorkruist terugverwijzing rechter-commissaris

De raadsman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg gesteld dat de officier van justitie de getuigen (getuige O, getuige A en getuige M) heeft geconfronteerd met foto’s zonder de toestemming van de rechter-commissaris, dit terwijl de verdediging herhaaldelijk schriftelijk heeft verzocht de confrontaties conform het voormelde Besluit te laten plaatsvinden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de rechtbank de zaak verwijst naar de rechter-commissaris de officier van justitie niet onbevoegd maakt tot het verrichten van onderzoekshandelingen en verwerpt hiermee het verweer.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de raadsman van oordeel dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat een dergelijk parallel onderzoek van het openbaar ministerie wel degelijk aan de beginselen van een behoorlijke procesorde moet voldoen. Door de ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak op een doelbewuste en/of grove wijze veronachtzaamd.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 316 Sv heeft de rechtbank op 28 januari 2008 bepaald dat nader onderzoek door een rechter-commissaris diende te worden verricht. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het nader onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en dat de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en de achtste afdeling van de Derde Titel Sv overeenkomstig van toepassing zijn.

Het hof stelt voorop dat opsporingsambtenaren bevoegd zijn tot het verrichten van opsporingsonderzoek in de strafzaak waarvoor een GVO geldt (HR 22 november 1983, NJ 1984, 805). Artikel 177a Sv verplicht de officier van justitie wel de rechter-commissaris te informeren over de zogenoemde parallelle opsporing en deze de desbetreffende processtukken toe te zenden.

De uitoefening van een dergelijk parallel onderzoek is onderworpen aan beginselen van een behoorlijke procesorde (HR 2 juni 1987, NJ 1988, 180).

Op basis van de stukken van het dossier kan het hof afleiden dat, zoals door de verdediging is gesteld, de officier van justitie op het moment dat de getuigen (getuige O, getuige A en getuige M) werden geconfronteerd met de foto’s van verdachte, op de hoogte was van het verzoek van de verdediging aan de rechter-commissaris om de confrontaties conform het Besluit te laten plaatsvinden.

Daartoe geldt het volgende. Eventuele niet (spoedige) melding van de parallelle opsporing aan de rechter-commissaris kan de verdachte niet baten nu het niet de verdachte is die door niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Artikel 177a Sv codificeert immers de ongeschreven regel dat de officier van justitie met respect voor de verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris het parallelle opsporingsonderzoek verricht (Kamerstukken II 1992/93, 23 251, nr. 3, p. 9). De bepaling ziet derhalve op de posities van de officier van justitie en de rechter-commissaris ten opzichte van elkaar in het onderzoek.

Wel is het hof van oordeel dat sprake is geweest van niet zorgvuldig handelen, te meer, nu naderhand door onderzoek van de deskundige prof. dr. P.J. van Koppen (zie het zich bij de stukken van het geding bevindende rapport van 22 september 2009) is gebleken dat aan de betreffende gehouden fotoconfrontaties het nodige mankeerde. Niettemin is aannemelijk geworden dat doelbewust of met grove veronachtzaming is gehandeld om de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort te doen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewijsuitsluiting

De verdediging stelt zich op standpunt dat de (foto)herkenningen door [getuige A] en [getuige M] dienen te worden uitgesloten van het bewijs wegens schending van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb. 2002, 46).

Gelet op hetgeen onder de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is besproken, laat het hof de bespreking van dit verweer achterwege en volstaat met de mededeling dat het Besluit niet van toepassing is op fotoconfrontaties. Het verweer wordt aldus verworpen.

Bewezen verklaarde (feiten 1 en 2)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op 18 oktober 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander in de woning adres met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen gouden sieraden en een mobiele telefoon (merk LG) en een enveloppe met een geldbedrag, toebehorende aan onder andere [slachtoffer O], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer O], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader bovengenoemde woning zijn binnengedrongen en die [slachtoffer O] en andere aanwezigen in bovengenoemde woning vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, hebben getoond en die [slachtoffer O] en andere aanwezigen in bovengenoemde woning onder schot hebben gehouden en die [slachtoffer O] met de kolf van (een van) die vuurwapens, althans die op een vuurwapen gelijkende voorwerpen, tegen het hoofd hebben geslagen en die [slachtoffer O] heeft hebben geslagen en geschopt en de woning van die [slachtoffer O] hebben doorzocht en de sieraden van die [slachtoffer O] hebben afgenomen.

2.

dat hij op 8 oktober 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, in [reisbureau B] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kistje met een geldbedrag en een bakje met een geldbedrag, met een totale waarde van ongeveer 4000 euro, toebehorende aan [slachtoffer B], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededaders het bovengenoemde reisbureau zijn binnengegaan en daarbij hun vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, hebben doorgeladen en tegen die [slachtoffer B] en andere aanwezigen hebben gezegd: "Dit is een beroving." En: "Beweeg je niet, anders worden jullie geknald." en "Waar is al jullie geld?" en de laden van het reisbureau hebben doorzocht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat de verdachte wegens het ontbreken van voldoende overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken voor het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

[Slachtoffer O] heeft aangifte gedaan van een overval op 18 oktober 2007 in de woning van zijn vriendin [getuige M] aan het adres (dossierpagina’s 1 tot en met 5). Hij heeft verklaard dat de overval door twee mannen is gepleegd. Allebei de mannen hadden een vuurwapen in hun handen. Bij de overval is [slachtoffer O] door één van de mannen met de kolf van het vuurwapen tegen het hoofd geslagen en geschopt.

[Getuige M] heeft tegenover de politie verklaard dat zij de jongens, die de overval hebben gepleegd, kent (dossierpagina’s 153 tot en met 157). Het zijn [verdachte] en een vriend van hem. Voorts heeft zij verklaard zij dat ze op de avond van de overval nog met deze [verdachte], met wie zij een relatie heeft, en zijn vriend had gesproken. Ze hadden het over het geld dat ze van plan waren uit de woning van haar moeder, [getuige M], te stelen. Wanneer [getuige S] een foto van [verdachte] (fotonummer PL 130006022506) wordt getoond, verklaart dat zij de persoon op de foto kent. Het is de door haar genoemde [verdachte] (dossierpagina’s 158 tot en met 160).

Ook de verdachte heeft in eerste instantie verklaard een relatie met [getuige S] te hebben. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij de overval heeft gepland en gepleegd (dossierpagina’s 170 tot en met 174). Echter op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 2008 kwam de verdachte op zijn bekennende verklaring terug; hij noemde in verband met de overval toen de [P], een neef van hem. Ook ter terechtzitting in hoger beroep (11 januari 2010) verklaart de verdachte dat voormelde [P], de overval zou hebben gepleegd. Deze [P] zou de overval begaan hebben, omdat hij geen geld van [getuige S] voor het vervoeren van cocaïne zou hebben gekregen. Door de schuld op zich te nemen zou hij, verdachte, zorgen dat [getuige S], die op de hoogte was van de overval, niet in de problemen zou raken.

Het hof acht deze op de terechtzittingen afgelegde verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig, reeds omdat zijn verklaring bij de politie, op details, overeenkomt met de verklaringen van zijn vriendin [getuige S].

Op grond van vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte samen met een ander de overval op donderdag 18 oktober 2007 tussen middernacht en kwart over twaalf ’s nachts in de woning aan het adres heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 2

Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak betoogd, nu de herkenningen door [getuige S] zijns inziens niet tot overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de overval op [reisbureau B] kan leiden.

Op 8 oktober 2007 is [slachtoffer B] door drie jongens overvallen in zijn [reisbureau B] te Amsterdam. [Slachtoffer B] doet hiervan aangifte bij de politie (dossierpagina’s 172 tot en met 176). Hij heeft verklaard dat de jongens gewapend waren en dat ze hem, [slachtoffer B], en de andere aanwezigen hebben bedreigd met geweld. Voorts heeft [slachtoffer B] verklaard dat ze een kistje met daarin ongeveer 4.000 euro, de opbrengst van zaterdag en maandag, hebben meegenomen. Van de overval zijn digitale videobeelden gemaakt.

Op enig moment worden aan [getuige S] twee printuitdraaien van de videobeelden van de overval getoond (dossierpagina’s 195 en 196). Zij verklaart dat zij de jongen die achter de voorste man loopt herkent. Hij heet [verdachte]. Zij kent [verdachte] heel goed. Aan zijn postuur en kleding kan zij zien dat het [verdachte] is. Vervolgens beschrijft zij gedetailleerd de kleding die de verdachte tijdens de overval droeg.

De deskundige Van Koppen heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 28 oktober 2009 over de herkenning van deze videobeelden verklaard dat voor herkenning van belang is hoe goed de getuige de persoon op de beelden kent. In zijn hiervoor vermelde rapport schrijft deskundige Van Koppen dat de meervoudige confrontatie slechts dan zinvol kan bewijzen dat de verdachte de dader is als het de enige keer in het leven van een getuige was dat hij de dader van het misdrijf zag (pagina 4). Als de getuige de verdachte allang kende voor het misdrijf en de waarneming niet kwestieus was dient de confrontatie slechts ter voorkoming van administratieve misstanden, aldus de deskundige Van Koppen. Een enkelvoudige confrontatie is in een dergelijke situatie de aangewezen methode (pagina 6).

Uit het dossier volgt dat de [getuige S] de verdachte kende. Verdachte heeft immers tegenover de politie verklaard dat hij een relatie heeft met [getuige S] (dossierpagina’s 226 tot en met 230). Ook de [getuige S] heeft hierover verklaard (dossierpagina 154). Gelet hierop kan de herkenning van [verdachte] door [getuige S] meewerken aan het bewijs.

Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de overval op het [reisbureau B], op maandag 8 oktober 2007 rond half vijf ’s middags, wettig en overtuigend is bewezen.

Strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door de verdediging is aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met onder meer de lange duur van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op 26 juni 2008 is door de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 19 juni 2008. Gelet op het feit dat de verdachte in verband met de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis verkeerde had het dossier binnen zes maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof moeten binnenkomen. Het dossier echter is door het hof ontvangen op 9 maart 2009.

Het hof volstaat met het constateren van de overschrijding van de inzendingstermijn, doch verbindt hieraan geen rechtsgevolgen, nu de zaak na binnenkomst met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld en de overschrijding van de inzendingstermijn daardoor is gecompenseerd (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358).

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee gewapende overvallen.

De verdachte en een mededader hebben een overval in een woning gepleegd. Ze hebben de aanwezigen, waaronder jonge kinderen, onder schot gehouden en bedreigd. Hierbij is geroepen dat één van de kinderen in de ijskast zou worden gestopt, indien geen gevolg zou worden gegeven aan de eisen van de overvallers. Bovendien is de aangever [slachtoffer O] met de kolf van het vuurwapen tegen het hoofd geslagen en beroofd van zijn geld, gouden sieraden en mobiele telefoon.

Voorts hebben de verdachte en zijn mededaders de eigenaar van een reisbureau, [slachtoffer B], in zijn reisbureau bedreigd met een vuurwapen en beroofd van een geldbedrag van ongeveer 4.000 euro.

Overvallen behoren tot de categorie ‘zware’ criminaliteit. Van algemene bekendheid is dat dergelijke feiten vergaande economische en psychische gevolgen voor de slachtoffers kunnen hebben. Voorts versterken feiten als de onderhavige in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid.

Het hof hanteert als uitgangspunt dat voor overvallen als de onderhavige, waarbij vuurwapens ter bedreiging zijn gebruikt en meerdere daders betrokken zijn geweest, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. Voor twee overvallen acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van vijf jaren een passende straf.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 januari 2010 is verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld, doch niet voor een soortgelijk feit.

Het feit dat één van de overvallen in een woning is gepleegd, waar zich op dat moment jonge kinderen bevonden, een plek waar mensen zich vertrouwd en veilig zouden moeten kunnen voelen, acht het hof een strafverzwarende omstandigheid.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vorderingen benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij [M]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a Sv heeft zich overeenkomstig artikel 51b Sv in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met een vordering van EUR 1300,00,- zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [O]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a Sv heeft zich overeenkomstig artikel 51b Sv in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met een vordering van EUR 3824,73 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [B]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a Sv heeft zich overeenkomstig artikel 51b Sv in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- biljet van 20 euro;

- biljet van 10 euro;

- 2 biljetten van 5 euro;

- 3,10 euro muntgeld;

- gouden ring;

- gouden hanger;

- Motorola telefoon;

- Telfort simkaart.

Ten aanzien van de benadeelde partij [M]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 1 bewezen verklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [M], wonende te [adres], een bedrag van EUR 700,00 (zevenhonderd euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij terzake van het onder 1 bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 700,00 (zevenhonderd euro), zulks ten behoeve van [M].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [O]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 1 bewezen verklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [O], wonende te [adres], een bedrag van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij terzake van het onder 2 bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 2.000,00 (tweeduizend euro), zulks ten behoeve van [O].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [B]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 2 bewezen verklaarde en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [B], wonende te [adres], een bedrag van EUR 309,00 (driehonderdnegen euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 309,00 (driehonderdnegen euro), zulks ten behoeve van [B].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.W.J. den Ottolander, mr. R.C.P. Haentjens, en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. J. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 januari 2010.