Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3972

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
08/01104
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt, na verwijzing door de Hoge Raad, dat er sprake is van een schenking door de grootmoeder aan de moeder, onder de voorwaarde dat de moeder de schenking vrij van recht schenkt aan haar dochter. Dit betekent dat sprake is van een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 van het Burgerlijk Wetboek. Door ondertekening van de overeenkomst heeft de dochter het derdenbeding aanvaard. De schenking valt hierdoor niet onder de vrijstelling van artikel 33, lid 1, onder 50, 2e volzin, van de Successiewet 1956 zoals belanghebbende betoogt, maar is naar het oordeel van het Hof belast naar het tarief voor schenkingen door grootouders aan kleinkinderen, dat in dit geval 8% beloopt.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 40
Successiewet 1956 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2010/12.12
V-N 2010/34.3 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep, na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, van

[X] te [Y], belanghebbende,

gemachtigde [A] (Adviesbureau BAS),

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Haaglanden/kantoor Den Haag,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 17 augustus 2004 een beroepschrift ingekomen, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 augustus 2004, inzake de met dagtekening 16 maart 2004 aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van schenking ten bedrage van € 1.768 (aanslagnummer 3.04.066.00215.001), wegens een verkrijging in het jaar 2003 van € 21.600 van [B] (hierna: de aanslag). Na bezwaar heeft de inspecteur bij de uitspraak van 16 augustus 2004 de aanslag gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 8 december 2005, nr. BK-04/02624, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 te vergoeden.

1.3. De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 oktober 2008, nr. 42.993, BNB 2008/298 (hierna: het arrest), de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd, behoudens de beslissing inzake het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.4. De inspecteur heeft bij brief van 16 december 2008 gereageerd op het arrest. De brief is in afschrift aan de wederpartij verzonden.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Geding in cassatie

De Hoge Raad heeft in het arrest het volgende overwogen:

“4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Het middel, dat zich richt tegen het onder 3.2 vermelde oordeel van het Hof, slaagt. Nu de persoon van de schenker een essentieel element is van de aanslag (HR 3 februari 1988, nr. 24823, BNB 1988/131), kunnen de onderhavige aan belanghebbende opgelegde aanslagen die uitgaan van verschillende schenkers niet betrekking hebben op dezelfde verkrijging. Indien de eerste aan belanghebbende opgelegde aanslag een verkrijging betrof uit een schenking die in werkelijkheid niet had plaatsgevonden, stond het de Inspecteur dan ook vrij haar vervolgens aan te slaan voor een verkrijging uit de schenking die wél had plaatsgevonden. Het Hof heeft dit miskend.

4.2. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een beoordeling van de subsidiaire en de meer subsidiaire grief van belanghebbende in beroep, alsmede van de - kennelijk vooropgestelde - grief dat de schenkingsakte twee schenkingen behelst.

5. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

5.1. Belanghebbende klaagt in cassatie erover dat het Hof, na te hebben geoordeeld dat het beroep van belanghebbende doel treft, geen termen aanwezig heeft geacht voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende voert aan dat sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

5.2. Het middel slaagt. De gemachtigde van belanghebbende bezigde in de procedure voor het Hof briefpapier van Adviesbureau BAS met daarop een zogenoemd beconnummer. Daarin ligt de stelling besloten dat de gemachtigde belanghebbende in dit geding beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur daaromtrent een ander standpunt heeft ingenomen. Het Hof heeft ook geen enkel feit vastgesteld dat in andere richting wijst. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende voor het Hof werd vertegenwoordigd door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geven voorts geen aanleiding voor de veronderstelling dat voor het Hof geen aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

Indien belanghebbendes beroep door het verwijzingshof gegrond wordt verklaard, dient de Inspecteur ter zake van het geding voor het Hof alsnog in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden veroordeeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 37440, BNB 2003/15).”

3. Feiten

3.1. In de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage zijn de volgende feiten vermeld:

“3.1. Op 22 december 2003 heeft belanghebbende tezamen met haar grootmoeder, mevrouw [B], alsmede met haar moeder, mevrouw [C] en met toestemming van haar vader, de heer [A], een onderhandse akte van schenking ondertekend, in welke akte – voor zover te dezen van belang – het volgende is opgenomen:

“SCHENKING

Ondergetekenden:

[B], geboren op (…), wonende te (…), hierna te noemen: Schenker A

en

[C], geboren op (…), wonende te (…), hierna te noemen: Begiftigde A en Schenker B;

en

[X] (Hof : belanghebbende), geboren [in 1979], wonende te (…), hierna te noemen: Begiftigde B;

zijn het volgende overeengekomen:

Schenker A schenkt aan haar dochter, begiftigde A, een bedrag van € 20.000 (twintigduizend euro), zonder ontbindende voorwaarden, doch onder de volgende voorwaarde:

• Begiftigde A dient als schenker B een bedrag van € 20.000 (twintigduizend euro) vrij van recht te schenken aan haar dochter, begiftigde B onder de volgende ontbindende voorwaarden:

• Dat begiftigde B eerder overlijdt dan schenker A;

• Dat begiftigde B eerder overlijdt dan begiftigde A of dier echtgenoot;

• Dat begiftigde B beroep doet op een instantie waar een vermogenstoets geldt;

• Dat begiftigde B de schenking niet accepteert, dan wel het geschonken bedrag restitueert.”

3.2. Op de voet van artikel 40, tweede lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) is bij brief van 7 januari 2004 namens schenker(s) en belanghebbende gezamenlijk aangifte gedaan van het recht van schenking onder bijvoeging van de hiervoor vermelde onderhandse akte.

3.3.1. Met dagtekening 10 februari 2004 heeft de Inspecteur naar aanleiding van de aangifte aan de moeder van belanghebbende een definitieve aanslag in het recht van schenking 2003 opgelegd. De verkrijging waarover het recht van schenking is geheven, is als volgt berekend:

Gift € 20.000

Af: vrijstelling € 4.143

Maatstaf heffing € 15.857

Het bijbehorende recht van schenking heeft de Inspecteur op € 792 berekend.

3.3.2. Met dagtekening 17 februari 2004 heeft de Inspecteur naar aanleiding van de aangifte tevens aan belanghebbende een definitieve aanslag in het recht van schenking 2003 opgelegd, waarbij de verkrijging waarover het recht van schenking is geheven, als volgt is berekend:

Totale verkrijging € 20.792

Af: vrijstelling € 4.143

Maatstaf van heffing € 16.649

Het bijbehorende recht van schenking heeft de Inspecteur op € 832 berekend.

3.4. Op het daartegen tijdig ingediend bezwaar heeft de Inspecteur de hiervoor vermelde aanslagen bij uitspraken met dagtekening 16 maart 2004 verminderd tot nihil.

3.5. Vervolgens heeft de Inspecteur eveneens met dagtekening 16 maart 2004 de onderhavige (definitieve) aanslag in het recht van schenking 2003 opgelegd aan belanghebbende, waarbij de verkrijging waarover het recht van schenking is geheven, als volgt is berekend:

Totale verkrijging: € 21.600

Af: vrijstelling nihil

Belaste verkrijging € 21.600

Het bijbehorende recht van schenking heeft de Inspecteur berekend op € 1.768.

De Inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij bij nadere beschouwing van de schenkingsakte tot het inzicht is gekomen dat belanghebbende het bedrag van € 20.000 als lastbevoordeelde heeft verkregen van haar grootmoeder en wel vrij van recht.”

De onder 3.1 van de uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage bedoelde akte zal hierna als de 'schenkingsakte' worden aangeduid.

4. Geschil

Na cassatie is in geschil of de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld.

Dienaangaande stelt belanghebbende primair dat sprake is van een schenking aan haar door haar moeder, [C] (hierna: de moeder) en dat zij derhalve recht heeft op de vrijstelling ex artikel 33, lid 1, onder 50, 2e volzin, van de Successiewet (verder de Wet). Belanghebbende betoogt dat de aanslag om die reden moet worden vernietigd, aangezien de verkrijging lager is dan het maximaal vrijgestelde bedrag.

Subsidiair stelt zij dat sprake is van twee schenkingen, één schenking door [B] (hierna: de grootmoeder) aan de moeder en één schenking door de moeder aan belanghebbende (hierna ook de dochter). Belanghebbende neemt het standpunt in dat zij ook in die situatie recht heeft op de eerdergenoemde vrijstelling, hetgeen volgens haar betekent dat de aanslag moet worden verminderd tot € 792.

De inspecteur meent dat de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 6 februari 2009.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Voor de beoordeling van het geschil is allereerst van belang hoe de overeenkomst die vastgelegd is in de schenkingsakte (verder de Overeenkomst) voor de toepassing van de Successiewet 1956 moet worden geduid.

6.2. Naar het oordeel van het Hof houdt de Overeenkomst in dat de grootmoeder en moeder zijn overeengekomen dat de grootmoeder € 20.000 aan de moeder schenkt onder de voorwaarde dat de moeder € 20.000 vrij van recht aan haar dochter schenkt. Dit betekent dat sprake is van een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 van het Burgerlijk Wetboek. Door de ondertekening van de akte heeft de dochter het derdenbeding aanvaard. Niet in geschil is dat de Overeenkomst vervolgens door betrokken partijen is uitgevoerd.

6.3. Voor de toepassing van de Wet betekent dit dat de grootmoeder een bedrag van € 20.000 rechtstreeks aan belanghebbende (de dochter) heeft geschonken. De inspecteur heeft deze schenking met de aanslag in de heffing willen betrekken.

6.4. De aanslag van € 1.768 is berekend naar een belaste verkrijging van € 21.600, dat is de som van het vrij van recht geschonken bedrag ad € 20.000 en het over dit bedrag berekende primaire recht ad € 1.600. Terzake van deze verkrijging heeft de inspecteur geen vrijstelling in aanmerking genomen.

6.5. Uit rechtsoverwegingen 6.2 en 6.3 vloeit voort dat op basis van de Overeenkomst € 20.000 uit het vermogen van de grootmoeder is overgegaan naar dat van belanghebbende (de dochter). Dat de moeder krachtens de Overeenkomst tevens gehouden is het door belanghebbende (de dochter) verschuldigde schenkingsrecht voor haar rekening te nemen, doet hier niet aan af. Dit laatste bedrag komt immers niet ten laste van het vermogen van de grootmoeder en is niet verkregen uit hoofde van de schenking door de grootmoeder aan belanghebbende. Wel zou in zoverre sprake kunnen zijn van een schenking door de moeder aan belanghebbende, maar de aanslag heeft geen betrekking op een zodanige schenking.

6.6. Belanghebbende beroept zich ter zake van de verkrijging op de vrijstelling ex artikel 33, lid 1, onder 50, 2e volzin, van de Wet. Dienaangaande overweegt het Hof dat de onderhavige schenking belast is naar het tarief voor schenkingen door grootouders aan kleinkinderen, dat in dit geval 8% beloopt. Op die schenking is de (eenmalig verhoogde) vrijstelling voor schenkingen door ouders aan kinderen niet van toepassing. Het verschuldigde schenkingsrecht bedraagt derhalve € 1.600. De aanslag ten bedrage van € 1.768 dient te worden verminderd met € 168. Het beroep is in zoverre gegrond.

7. Kosten

7.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Mede gelet op rechtsoverweging 5.2 uit het arrest van de Hoge Raad is het Hof van oordeel dat belanghebbende kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt, welke kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

7.2. Belanghebbende heeft aanspraak op vergoeding van proceskosten voor de gedingen voor beide hoven. Deze komen uit op 3,5 punten (voor het opstellen van het beroepschrift, de conclusie van repliek, het verschijnen ter zitting bij Hof ’s-Gravenhage en het verschijnen ter zitting van het Hof) maal € 322, dat is € 1.127.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verminderd de aanslag met € 168 tot een bedrag van € 1.600; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.127.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, P.F. Goes en W.M.G. Visser, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland, als griffier. De beslissing is op 11 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.