Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3957

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
09/00039
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De echtgenote van belanghebbende heeft bij het invullen van haar aangifte (abusievelijk) het sofinummer van belanghebbende ingevuld. Door de belastingdienst wordt dit niet direct onderkend en de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslagen worden verminderd. De definitieve aanslag (vermeerderd met heffingsrente) wordt conform de aangifte aan belanghebbende opgelegd. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt naar het oordeel van het Hof niet mee dat de omstandigheid dat door de belastingdienst niet (direct) is onderkend dat er een discrepantie bestond tussen het in de aangifte van de echtgenote opgenomen (onjuiste) sofinummer en de verder in de aangifte ingevulde gegevens ertoe moet leiden dat de heffingrente geheel achterwege moet blijven dan wel verder moet worden gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 669 met annotatie van Castelijn
FutD 2010-0460

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00039

vierde meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

X, te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/7473 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 11 december 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Holland-Noord, kantoor Alkmaar,

de inspecteur

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de beschikking heffingsrente over het jaar 2004;

- vermindert de heffingsrente over het jaar 2004 tot een bedrag van € 5.482;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en wel tot een bedrag van € 175 en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht in eerste instantie en in hoger beroep van in totaal € 146 te vergoeden.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 15 augustus 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.013 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.529. Voorts is bij afzonderlijke beschikking een bedrag van

€ 7.621 aan heffingrente opgelegd.

1.2. Na tegen de beschikking heffingsrente gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak op bezwaar van 25 september 2007 de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 11 december 2008 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Overwegingen

2.1. Zowel in beroep als in hoger beroep is in geschil of terecht over de periode 1 januari 2005 tot 15 augustus 2007 heffingsrente in rekening is gebracht.

2.2. Op of omstreeks 31 maart 2005 heeft de inspecteur een papieren aangifte ib/pvv voor het jaar 2004 ontvangen voorzien van het sofinummer van belanghebbende maar met de gegevens van belanghebbendes echtgenote mw. Y. In de aangifte wordt een inkomen uit werk en woning aangegeven van € 27.043. Naar aanleiding van deze aangifte worden de eerder aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslagen bij beschikking van 2 juni 2005 verminderd.

2.3. Op 7 september 2006 dient belanghebbende langs electronische weg zijn aangifte ib/pvv in voor het jaar 2004 waarin is opgenomen een inkomen uit werk en woning van € 142.013 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 3.529. De definitieve aanslag ib/pvv 2004 wordt op 15 augustus 2007 conform deze aangifte opgelegd.

2.4. De inspecteur heeft in een brief van 1 oktober 2009 aan de griffier van het Hof medegedeeld dat het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, aanleiding is zijn standpunt over de verschuldigde heffingrente te herzien. In het arrest is overwogen dat bij aanslagbelastingen een inspecteur in beginsel, op grond van het beleid van de Belastingdienst, binnen een termijn van drie maanden na het indienen van een aangifte een (voorlopige) aanslag dient vast te stellen en het zorgvuldigheidsbeginsel zich in geval van overschrijding van deze termijn zich ertegen verzet dat een belastingplichtige meer heffingsrente in rekening wordt gebracht dan de belastingplichtige verschuldigd zou zijn als er bij het einde van deze driemaandstermijn een (voorlopige) aanslag in overeenstemming met de aangifte zou zijn opgelegd. Nu de aangifte van belanghebbende op 7 september 2006 is ingediend dient, volgens het nader standpunt van de inspecteur, de heffingsrente berekend te worden over de periode 1 januari 2005 tot en met 7 december 2006. De inspecteur heeft vervolgens de over deze periode verschuldigde heffingsrente berekend op € 5.482. De berekening van de hoogte heffingsrente over deze periode als zodanig is tussen partijen niet in geschil en zal door het hof worden gevolgd.

2.5. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt naar het oordeel van het Hof niet mee dat de omstandigheid dat door de belastingdienst niet (direct) is onderkend dat er een discrepantie bestond tussen het in de aangifte van de echtgenote opgenomen (onjuiste) sofinummer en de verder in de aangifte ingevulde gegevens ertoe moet leiden dat de heffingrente geheel achterwege moet blijven dan wel verder moet worden gematigd. In het massale proces van verwerking van ingediende aangiften en vaststellen van voorlopige aanslagen kan niet van de belastingdienst worden verlangd na te gaan of de in de aangifte opgenomen gegevens kloppen met het ingevulde sofinummer. De gevolgen van het onjuist invullen van de aangifte van de echtgenote komen derhalve voor rekening van belanghebbende. Daarbij merkt het Hof op dat belanghebbende, nadat hij met de verminderingsbeschikking van 2 juni 2005 had ontvangen, had kunnen verzoeken om een nadere voorlopige aanslag. Een dergelijk verzoek is niet gedaan. Gelet op het voorgaande ziet het Hof geen aanleiding om de heffingsrente verder te matigen. Een verdere matiging is ook niet geboden in hetgeen overigens door belanghebbende naar voren is gebracht nu deze stellingen de heffingsrente niet raken.

2.6. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak van de inspecteur vernietigen en de heffingrente verminderen tot een bedrag van € 5.482.

2.7. Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het onderhavige geval komen voor vergoeding in aanmerking de in onderdeel c van het Besluit vermelde reiskosten van belanghebbende. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting van de rechtbank Haarlem en ter zitting van het Hof gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, ad, afgerond, € 175.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 26 januari 2010 door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en A.M. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S.E.S. Snoey Kiewit als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter van de belastingkamer en de griffier.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.