Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3491

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200.052.002/01 en 200.052.005/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

appelverbod en deelbeschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 9 februari 2010 in de zaak met landelijk zaaknummers 200.052.002/01 en 200.052.005/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. M Koudstaal te Haarlem,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE ,

advocaat: mr. M. van Gemert te ‘s-Gravenhage.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde, worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 21 december 2009 in hoger beroep gekomen van een tweetal beschikkingen van de rechtbank Haarlem van respectievelijk 30 september 2009 en 21 oktober 2008, beide met kenmerk 135595/07-1778.

1.3. Bij brief van 7 januari 2010 heeft het hof partijen opgeroepen voor de zitting van 10 februari 2010, 14.30 uur met daarin de mededeling dat tijdens deze behandeling slechts de ontvankelijkheid van het hoger beorep aan de orde zou komen.

1.4. Bij brief van 14 januari 2010 heeft de advocaat van de man bericht dat namens de man wordt afgezien van de zitting en dat de man zich refereert aan het oordeel van het hof.

1.5. Bij brief van 19 januari 2010 heeft de advocaat van de vrouw met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep inhoudelijk verweer gevoerd en voorts bericht zat zij geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.

1.6. Bij brief van 20 januari 2010 heeft het hof partijen bericht dat de behandeling die was bepaald op 10 februari 2010 geen doorgang zou vinden en dat de beschikking zo spoedig mogelijk zal worden afgegeven.

1.7. De advocaat van de man heeft het hof bij brief van 22 januari 2010 het namens de vrouw in de brief van 19 januari 2010 gestelde bestreden en het hof gevraagd op welke datum uitspraak zal worden gedaan. De uitspraak is daarna bepaald op heden.

2. De feiten

Partijen zijn [in] 1982 gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Dit huwelijk is op 7 februari 2005 omgezet in een geregistreerd partnerschap, waardoor de huwelijksvoorwaarden zijn omgezet in partnerschapsvoorwaarden. Hun geregistreerd partnerschap is inmiddels op 17 oktober 2009 ontbonden door inschrijving van de ontbindingsbeschikking van 20 november 2007 in de daartoe bestemde registers. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren […] ([kind A]) [in] 1989, […] ([kind B]) [in] 1991 en […] ([kind C]) [in] 1994.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking van 30 september 2009 is het verzoek van de vrouw een voorschot op de verrekening op grond van de partnerschapsvoorwaarden te bepalen van € 350.000,- afgewezen en is in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden – kort gezegd – een deskundigenonderzoek bevolen naar de omvang van het te verrekenen eindvermogen. Voor het overige is de zaak, ook met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind B] en [kind C], aangehouden.

3.2. De bestreden beschikking van 21 oktober 2008 is een tussenbeschikking waarvan bladzijde 4 niet door de man bij zijn appelschrift is overgelegd, waardoor het dictum van deze beschikking voor het hof niet volledig leesbaar is en derhalve niet kan worden weergegeven.

3.3. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen – zakelijk weergegeven – dat het hof:

- de vrouw zal veroordelen aan de man een gebruiksvergoeding te betalen met betrekking tot het woonhuis aan het [straatnaam] te […] over een door hem genoemde periode;

- de vrouw zal veroordelen tot betaling van de volledige makelaarscourtage verband houdende met de verkoop van de voormalig echtelijke woning;

- de vrouw zal veroordelen haar medewerking te verlenen aan teruggave van de ballonboeken aan de man, subsidiair een taxateur zal aanwijzen die de ballonboeken dateert, alles op straffe van een door de vrouw te verbeuren dwangsom;

- zal bepalen dat de postzegelverzameling geen gemeenschappelijk vermogen betreft en/of de vrouw zal veroordelen tot teruggave van de postzegels aan de man op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- de wijze van verdeling zal gelasten van de resterende gemeenschappelijke activa en passiva;

- de vrouw zal veroordelen tot afgifte van het persoonlijk archief van de man en al zijn persoonlijk materiaal op straffe van een dwangsom;

- alimentatie zal vaststellen ten laste van de vrouw met betrekking tot [kind B] over de periode maart 2007 tot en met juli 2007;

- de alimentatie voor [kind C] zal verlagen tot een bedrag van € 200,- per maand;

- ten laste van de vrouw de kosten van de huisvesting en inrichting van [kind A] zal verrekenen.

3.4. De vrouw verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1. De vragen die het hof dient te beantwoorden zijn of het onderhavige hoger beroep tegen de deelbeschikking van 30 september 2009 mogelijk is en voorts of het hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 21 oktober 2008 mogelijk is. Het hof beantwoordt deze vragen ontkennend gelet op het navolgende.

4.2 Partijen strijden in deze zaak onder meer over de afwikkeling van hun partnerschapsvoorwaarden, over de verdeling van de tussen hen bestaande (beperkte) gemeenschap, alsmede over enkele andere geschilpunten en over en weer te verrekenen posten. Teneinde het te verrekenen eindvermogen vast te stellen heeft de rechtbank bij beschikking van 30 september 2009 een deskundige benoemd. De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de man, bij wijze van voorschot op de uiteindelijke verrekening, een bedrag van € 350.000,- aan haar betaalt, welk verzoek bij laatstgenoemde beschikking is afgewezen op de grond dat de wet er niet in voorziet dat de rechter naast de in artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bedoelde gevallen een voorlopige voorziening kan treffen. Slechts met betrekking tot dit geschilpunt heeft de rechtbank in het dictum van de beschikking van 30 september 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. Voor het overige is sprake van een tussenbeschikking.

4.3. Naar het geldende procesrecht wordt het wettelijk verbod om hoger beroep in te stellen tegen een tussenbeschikking doorbroken in een geval waarin tussen dezelfde partijen meer verzoeken ter beoordeling stonden en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde heeft gemaakt, maar voor een ander gedeelte een tussenbeschikking wees. In een zodanig geval moet worden aangenomen dat tussentijds beroep tegen de beschikking, ook wat betreft het interlocutoire gedeelte daarvan, steeds mogelijk is.

In het onderhavige geval is van belang dat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een voorschot op de uiteindelijke verrekening tussen partijen heeft afgewezen. Blijkens de inhoud van het appelschrift richt het hoger beroep van de man zich niet deze afwijzing: daartegen zijn geen grieven gericht en het verzoek van de man in hoger beroep strekt evenmin tot vernietiging van die beslissing (overigens valt ook niet in te zien welk belang de man zou kunnen hebben bij ongedaanmaking van die beslissing in hoger beroep) Het hoger beroep van de man richt zich, wat betreft de beschikking van 30 september 2009, blijkens de inhoud van het appelschrift slechts tegen het interlocutoire gedeelte daarvan.

Dit brengt, in aanmerking genomen dat de rechtbank tussentijds beroep tegen genoemde beschikking niet heeft opengesteld, mee dat de man in zijn appel niet kan worden ontvangen (vgl. HR 7 december 1990. NJ 1992,85). Niet kan immers worden aanvaard dat de man op deze wijze kan ontkomen aan de – strakke – wettelijke regel dat van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking kan worden ingesteld (art. 358, lid 4 Rv.)

4.4. Het voorgaande brengt mee dat de man evenmin hoger beroep kan instellen tegen de tussenbeschikking van

21 oktober 2008.

4.5. De man zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de bestreden beschikkingen.

4.6 Dit leidt tot de volgende beslissing

5. Beslissing

Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikkingen van respectievelijk

21 oktober 2008 en 30 september 2009.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.N. van de Beek en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2010.