Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3467

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200.038.808-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie, onvoldoende financiële stukken overgelegd, komt voor rekening en risico appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 9 februari 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.038.808/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. M.E. van Waart te Bussum,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. van Riet-Holst te Utrecht.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 27 juli 2009 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 29 april 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerken 387073 / FA RK 07-9489 en 387126 /FA RK 07-9501.

1.3. De man heeft op 3 augustus 2009 nadere stukken ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 16 september 2009 een verweerschrift ingediend.

1.5. De man heeft op 4 november 2009 en 6 november 2009 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 16 november 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1983 in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 18 augustus 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 april 2009 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 1989 en […] (hierna: [kind B]) [in] 1992 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2. Partijen zijn in mei 2007 feitelijk gescheiden gaan leven. Op dat moment woonden beide kinderen nog thuis.

2.3. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is nog niet geëffectueerd.

2.4. Bij beschikking van 21 november 2007 van de rechtbank te Amsterdam zijn, op verzoek van de vrouw, voorlopige voorzieningen getroffen, onder meer inhoudende dat aan de vrouw een door de man te betalen voorlopige uitkering tot haar levensonderhoud werd toegekend van € 690,- per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1959 en hij woont samen met zijn nieuwe partner, die in eigen levensonderhoud voorziet.

Hij is directeur-grootaandeelhouder van [naam onderneming] te […], welke vennootschap op haar beurt alle aandelen in

[BV A] te […] en [BV B] te […] houdt. In [BV A] worden sinds 2006 geen activiteiten meer verricht en geen omzet meer gegenereerd.

Blijkens de jaaropgaven 2006, 2007 en 2008 ontving hij uit [naam onderneming] een fiscaal loon (managementfee) van respectievelijk € 59.531,-- € 59.571,- en € 57.580,-.

Tot november 2007 genoot hij, samen met de vrouw, inkomsten uit verhuur van enkele aan hen toebehorende panden. Deze inkomsten bedroegen € 2.275,- netto per maand.

2.6. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1960 en zij vormt samen met [kind B] een eenoudergezin.

Zij ontvangt blijkens de jaaropgaaf 2008 een WAO/WIA uitkering van € 11.015,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de haar bewoonde voormalig echtelijke woning betaalt zij de helft van de rentelasten, te weten € 754,- per maand. Zij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 127,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding € 3.500,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de uitkering te bepalen op € 5.000,- bruto per maand.

3.2. De man verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen, althans een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op € 690,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten;

- (voorwaardelijk) de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan partneralimentatie door de vrouw op hem zal zijn verhaald dan wel door hem aan de vrouw zal zijn betaald, vermeerderd met de ten laste van hem gebrachte kosten van een eventueel beslag op zijn inkomen of vermogen, en vermeerderd met wettelijke rente over alle hiermee gemoeide bedragen vanaf de datum waarop ze zijn uitbetaald c.q. geïncasseerd.

3.3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans hem deze te ontzeggen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn grief met betrekking tot het verzoek tot uitstel van de behandeling ingetrokken. Deze grief behoeft derhalve geen bespreking meer.

4.2. Tussen partijen is thans in geschil de behoefte van de vrouw aan de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot haar levensonderhoud, alsmede de draagkracht van de man.

Behoefte

4.3. Mede bepalend voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is de welstand waarin partijen gedurende hun huwelijk hebben geleefd. Daarnaast zijn alle relevante omstandigheden van belang, waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk. Omdat partijen in mei 2007 feitelijk gescheiden zijn gaan leven, zal het hof het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2006/2007 voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw als uitgangspunt nemen. Teneinde inzicht te verkrijgen in de financiële positie van partijen destijds, dient het hof te beschikken over de stukken van de BV’s van de man over die periode. Bij brief van 4 november 2009 heeft de man weliswaar voorlopige jaarstukken over 2006 en 2007 van zijn BV’s aan het hof doen toekomen, doch deze stukken zijn zodanig voorlopig van aard dat daar, zonder onderliggende fiscale bescheiden, niet zonder meer van uit kan worden gegaan. Voorts ontbreken in het dossier de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van de man met betrekking tot de jaren 2006 en volgende.

Voor het bepalen van het netto gezinsinkomen van partijen zoekt het hof derhalve aansluiting bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 21 november 2007, omdat partijen de hoogte van het door de voorzieningenrechter vastgestelde netto gezinsinkomen niet hebben betwist. Als uitgangspunt wordt genomen een gezinsinkomen van € 3.730,- netto per maand, verminderd met de kosten van de kinderen van € 820,- per maand. De man heeft onweersproken gesteld dat partijen tot november 2007 huurinkomsten genoten van € 2.275,- netto per maand, zodat het hof dit bedrag bij het netto gezinsinkomen zal optellen. Aangezien de vrouw heeft nagelaten haar behoefteoverzicht met stukken te onderbouwen, wordt voor het vaststellen van haar behoefte de gebruikelijke norm van 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen gehanteerd.

Het hof zal geen rekening houden met eigen vermogen van de vrouw, omdat nog niet bekend is wat de omvang van het haar toekomende vermogen uit de gemeenschap is. Met de opbrengst van circa € 145.000,- die de vrouw heeft ontvangen uit de verkoop van twee panden aan de [a] en een aantal garages in de [b] op respectievelijk 5 november 2007 en 18 maart 2008, zal het hof evenmin rekening houden, nu aannemelijk is dat de vrouw, gelet op de hoogte van haar uitkering en de maandelijkse lasten, op dit vermogen heeft ingeteerd. Niet gebleken is bovendien dat zij nog over een zodanig vermogen beschikt dat zij daar rendement op ontvangt.

Gelet op het vorenstaande heeft de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte die in feite hoger is dan door de rechtbank vastgesteld. Nu de vrouw tegen de vaststelling door de rechtbank van haar behoefte niet in hoger beroep is gekomen zal het hof, evenals de rechtbank, uitgaan van een behoefte van de vrouw van € 3.500,- per maand. De tweede grief van de man faalt derhalve.

Draagkracht

4.4. Op grond van de voorliggende stukken is het hof niet in staat de draagkracht van de man te beoordelen. Gezien de voorlopige aard van de stukken en de ondernemingsstructuur van de man, dient het hof te beschikken over alle relevante fiscale stukken betreffende de jaren 2006, 2007 en 2008, zoals aangiftes inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en de bijbehorende aanslagen. Deze heeft de man niet aan het hof ter beschikking gesteld. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stellingen derhalve onvoldoende met in rechte verifieerbare stukken onderbouwd. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen zijn gemis aan draagkracht aan te tonen. De man is ruimschoots in de gelegenheid geweest alle relevante stukken in het geding te brengen. Desondanks heeft hij nagelaten voldoende inzicht te verschaffen in zijn financiële situatie in de afgelopen jaren. Dit komt voor zijn rekening en risico. Hieraan doet niet af de stelling van de man dat hij door veranderingen die zich in zowel zijn privéleven als op zakelijk gebied hebben voltrokken, en als gevolg van het feit dat een administratief medewerker in 2007 ontslag nam, er nog niet in is geslaagd om samen met zijn accountant en zijn financieel adviseur de (definitieve) jaarstukken van 2006, 2007 en 2008 op te stellen en in te dienen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de man in hoger beroep dient te worden afgewezen en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.M.A. Gerritzen-Gunst en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van

mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2010.