Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL1887

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/00004
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak rechtbank kan niet in stand blijven omdat rechtbank geen beslissing heeft gegeven. De omstandigheid dat een zaak (i.c. een op implantaten in de mond bevestigde brug) zijn zelfstandigheid verliest verhindert niet dat sprake is van een hulpmiddel in de zin van art. 6.17 aanhef en onderdeel a Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/443 met annotatie van vanArnhem
FutD 2010-0332
Belastingadvies 2010/12.6
V-N 2010/52.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P 08/4

vierde meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Haarlem,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer 06/11398 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 13 november 2007 in het geding tussen

X te Y,

belanghebbende,

en

de inspecteur

en op het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen voormelde uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010 waarbij zijn verschenen B. Dijkhuis, namens belanghebbende, en T. van der Veen, namens de inspecteur.

Beslissing in het hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens voor zover deze betrekking heeft op het griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond;

- stelt het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek (artikel 6.2a, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001) vast op € 992;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende in beroep en in de procedure bij het gerechtshof tot een bedrag van € 78,24;

- bepaalt dat van de inspecteur ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 428.

Gronden

1. Vooraf en ambtshalve

De rechtbank heeft op het beroep van belanghebbende als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 4,80, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden, en

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.”

De rechtbank heeft derhalve geen beslissing gegeven op hetgeen partijen in beroep (en ook in de procedure bij het Hof) verdeeld houdt, te weten de hoogte van het bedrag waarop de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld dient te worden, noch heeft de rechtbank de inspecteur opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen.

De uitspraak van de rechtbank kan reeds hierom niet in stand blijven.

2. Het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek

2.1. Tot de op belanghebbende in het onderhavige jaar 2004 drukkende persoonsgebonden aftrekposten behoren uitgaven wegens ziekte als bedoeld in artikel 6.17, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). De inspecteur heeft het bedrag van de in 2004 niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 115. Volgens de aangifte zou dit bedrag € 881 moeten zijn. Het verschil wordt gevormd door de omstandigheid dat de inspecteur de opgevoerde algemene ziektekosten met € 10 heeft verhoogd en geen uitgaven wegens chronische ziekte (artikel 6.20a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, in verbinding met lid 2, van de Wet) in aanmerking heeft genomen.

2.2. Belanghebbende heeft onder andere uitgaven gedaan voor het plaatsen van een zogenaamde ‘Branemarkbrug’. Een Branemarkbrug (hierna: brug) is een op implantaten geplaatste gebitsprothese die kan worden bevestigd door middel van magneten, drukknoppen, een staaf-hulsconstructie, of schroeven. In het geval van belanghebbende is de brug geplaatst door middel van schroeven en kan de brug uitsluitend geplaatst en verwijderd worden door een tandarts.

2.3. Belanghebbende lijdt aan een aandoening van het gebit waardoor zich na het uitvallen van het melkgebit nauwelijks nieuwe tanden en kiezen hebben gevormd. Tot 2004 heeft zij een uitneembare gebitsprothese gedragen maar omdat deze structurele klachten veroorzaakte is overgaan tot plaatsing van de brug.

2.4. In de procedure voor het Hof heeft belanghebbende verzocht wegens uitgaven van vervoer van en naar de tandarts en het implantologiecentrum € 111 als uitgaven voor ziekte in aanmerking te nemen. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof te kennen gegeven dat het standpunt van belanghebbende in zoverre kan worden gevolgd.

2.5. Tussen partijen is in geschil of de brug moet worden aangemerkt als een hulpmiddel in de zin van artikel 6.17, aanhef en onderdeel a, en lid 2 van de Wet. Indien deze vraag bevestigd wordt beantwoord heeft belanghebbende recht op het in aanmerking nemen van uitgaven wegens chronische ziekte (artikel 6.20a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, in verbinding met lid 2, van de Wet), en dient de door de in 2004 niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek behalve met de onder 2.4. gemelde uitgaven van vervoer ook met de door de inspecteur aangebrachte correctie van € 766 te worden verhoogd.

2.6. De brug stelt belanghebbende in staat elementaire lichaamsfuncties – het bijten en kauwen van voedsel – te vervullen waartoe zij anders als gevolg van haar aandoening niet in staat zou zijn. De inspecteur heeft dit ook niet betwist. Voor het aanmerken van de brug als hulpmiddel in de zin van artikel 6.17, aanhef en onderdeel a, van de Wet is dan – anders dan de rechtbank kennelijk meent – niet vereist dat de brug een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat zij alleen gebruikt wordt door zieke en/of invalide personen (Hoge Raad, 3 december 1997, nr. 33 024, BNB 1998/206). Ook indien die eis wel zou moeten worden gesteld staat dat in dezen aan het aanmerken van de brug als hulpmiddel niet in de weg omdat de brug – naar de inspecteur evenmin betwist - alleen wordt gebruikt door personen die zonder voorziening niet in staat zouden zijn voedsel op min of meer normale wijze te bijten en te kauwen.

2.7. De inspecteur verdedigt echter dat de brug desalniettemin niet kan worden aangemerkt als hulpmiddel omdat daartoe vereist is dat sprake is van een zelfstandige zaak en de brug na plaatsing geen zelfstandige zaak meer is.

2.8. Het Hof deelt het standpunt van de inspecteur niet.

Het arrest van de Hoge Raad van 21 november 1990, nr. 26895, BNB 1991/36,waar de inspecteur zich op beroept moet in de visie van het Hof worden beoordeeld in het kader van de desbetreffende casus en rechtvaardigt niet het oordeel dat – in afwijking van eerdere jurisprudentie ten aanzien van bijvoorbeeld aanpassingen van woningen – zaken die hun zelfstandigheid verliezen in geen geval als hulpmiddel kunnen worden aangemerkt. Overigens is dit kennelijk ook de in het besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2720M neergelegde visie van de staatssecretaris van Financiën.

Ook de parlementaire geschiedenis van artikel 6.17, tweede lid, van de Wet of de toelichting bij het Koninklijk besluit van 12 maart 2003 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2003, 112), waarbij artikel 20a aan voormeld uitvoeringsbesluit is toegevoegd, geven geen grond tot het oordeel dat de wetgever een beperking zoals door de inspecteur voorgestaan heeft gewild.

2.9. Het Hof vindt in de omstandigheid dat de brug na plaatsing zijn zelfstandigheid verliest dan ook geen aanleiding de brug niet als hulpmiddel in meerbedoelde zin van artikel 6.17, aanhef en onderdeel a, en lid 2 van de Wet aan te merken. Het gelijk ter zake is derhalve aan belanghebbende.

3. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is en het hoger beroep van de inspecteur faalt heeft belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht aanspraak op vergoeding van de proceskosten in beide instanties. Belanghebbende heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte slechts een reiskostenvergoeding van € 4,80 heeft toegekend. Ook op dit punt is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Indien – zoals zich in dezen voordoet – een belanghebbende zelf niet ter zitting is verschenen maar namens hem een gemachtigde is opgetreden die daarbij niet beroepsmatig rechtsbijstand verleend, dienen de reiskosten van die gemachtigde worden aangemerkt als reiskosten van een partij in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tussen partijen is niet in geschil dat die reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank € 37,92 en voor het bijwonen van de zitting van het Hof € 40,32 belopen. Belanghebbende heeft derhalve recht op een kostenvergoeding van € 78,24.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 26 januari 2010 door mr.drs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, mrs, A.M. van Amsterdam en M.J. Leijdekker lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S.E.S. Snoey Kiewit als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.