Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL1525

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/00627 t/m 08/00629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de maandelijks ingehouden bedragen moeten worden aangemerkt als betaling voor een door belanghebbende aangeschaft OV-abonnement. Deze bedragen vormen geen bijdrage voor de leaseauto en zijn derhalve ten onrechte in mindering gebracht op het autokostenforfait. De inspecteur heeft op goede gronden nagevorderd.

Gelet op de omstandigheden van het geval kunnen de opgelegde vergrijpboeten niet in stand blijven.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.145, geldigheid: 2010-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 1680 met annotatie van Elbert
FutD 2010-0336

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00627, P08/00628 en P08/00629

14 januari 2010

uitspraken van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[A] te [Y], belanghebbende,

tegen de uitspraken in de zaken no. AWB 07/1233, AWB 07/1234 en AWB 07/1235 van de rechtbank Haarlem in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.443, hetgeen neerkwam op een verhoging van het inkomen met € 1.146. Tevens is bij beschikking een boete van € 149 (25%) vastgesteld.

1.2. De inspecteur heeft voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.569, hetgeen neerkwam op een verhoging van het inkomen met € 2.381. Tevens is bij beschikking een boete van € 309 (25%) vastgesteld.

1.3. De inspecteur heeft voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.590, zijnde € 3.243 meer dan belanghebbende had aangegeven.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1. tot en met 1.3. vermelde belastingaanslagen en boetebeschikkingen bezwaarschriften ingediend. Bij uitspraken van 5 januari 2007 heeft de inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 21 april 2008 heeft de rechtbank het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag 2002 ongegrond verklaard, het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag 2003 gegrond verklaard, de navorderingsaanslag 2003 gehandhaafd, de boetebeschikking voor het jaar 2003 verminderd tot € 150 en het beroep met betrekking tot de aanslag 2004 ongegrond verklaard. De inspecteur is daarbij veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 18,30 en tevens is bepaald dat de inspecteur het betaalde griffierecht ad € 38 aan belanghebbende vergoedt.

1.6. De tegen deze uitspraken ingestelde hoger beroepen van belanghebbende zijn vervat in één geschrift bij het Hof ingekomen op 2 juni 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2009. Het is geschorst met het oog op nadere verstrekking van gegevens door de inspecteur betreffende de berekening van het belastbaar inkomen uit werk en woning als onder 4. hierna vermeld. Partijen hebben erin toegestemd dat een nadere mondelinge behandeling achterwege blijft. Het Hof heeft daarop het onderzoek gesloten.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende beschikte in 2002, 2003 en 2004 over een auto van zijn werkgever, [naam]. (hierna: werkgever), welke auto hij ook privé mocht gebruiken. Tevens beschikte belanghebbende over een door zijn werkgever aangeschaft openbaar vervoerabonnement (hierna: OV-abonnement). Maandelijks is door de werkgever een bedrag in mindering gebracht op het netto-salaris van belanghebbende onder de looncode 304 “BIJDR. LEASEKOST”. Het ingehouden bedrag is gelijk aan de maandelijkse kosten van het OV-abonnement.

2.2. In zijn aangiften over de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft belanghebbende telkens het totaalbedrag van de voormelde maandelijkse inhouding als eigen bijdrage in mindering gebracht op de forfaitaire bijtelling wegens privégebruik van zijn leaseauto als bedoeld in artikel 3.82, aanhef en onderdeel a., Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Tevens heeft belanghebbende in de aangiften over de jaren 2003 en 2004 reisaftrek (art. 3.87 Wet IB 2001) geclaimd voor het reizen met het openbaar vervoer naar zijn werk.

2.3. In de berijdersovereenkomst, gesloten tussen de werkgever en belanghebbende, is in artikel 1, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘a. Werkgever zal aan werknemer een leaseauto ter beschikking stellen. Werknemer is in beginsel vrij in de keuze van merk, type en kleur van de leaseauto, zulks met inachtneming van het bepaalde in deze overeenkomst en eventueel nader door werkgever te stellen regels. Werkgever dient de keuze van werknemer goed te keuren. Werkgever behoudt zich evenwel het recht voor de eerste auto, die in het kader van deze overeenkomst aan werknemer ter beschikking wordt gesteld, aan werknemer toe te wijzen.

b. Werkgever stelt aan werknemer ter beschikking de navolgende leaseauto:

Merk : (..)

(...)

Compleet met kentekenplaten, NL-transfer, conform de vastlegging op het bestelformulier, het bij de auto behorende instructieboekje van de fabrikant, een instructieboekje van ALP, kentekenbewijs deel I, II en III (niet kopie deel III) en het Internationaal motorrijtuigenverzekeringsbewijs en een kopie van de verzekeringspolis.

c. Het maximaal toegestane leasebedrag bedraagt f 1.625,-- per maand. Werknemer zal een bedrag van f 0.00 per maand zelf betalen, zijnde een voorschot op meerkosten, die het maximaal toegestane leasebedrag te boven gaan. Jaarlijks vindt afrekening plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 3. Werknemer machtigt hierbij werkgever om laatstgenoemd bedrag maandelijks in te houden op zijn salaris.

d. (...)’

Deze berijdersovereenkomst is gewijzigd op 28 januari 2002, omdat aan belanghebbende toen een andere (duurdere) auto ter beschikking is gesteld.

2.4. De inspecteur heeft met dagtekening 26 juli 2006 een renseignement ontvangen van Belastingdienst/Amsterdam. Het renseignement is opgesteld naar aanleiding van een in 2005 door Belastingdienst/Amsterdam bij de werkgever van belanghebbende ingesteld boekenonderzoek. Hierin is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

‘Zoals afgesproken met (…..) zend ik je hierbij een renseignement betreffende

Naam: [belanghebbende]

Jaar: 2002 t/m 2004 (…)

Bij een boekenonderzoek bij :

Naam: [naam werkgever]

(…)

Is gebleken dat de in het kader vermelde persoon in dienstbetrekking staat/stond tot [naam werkgever]. In dat kader heeft dit persoon een personenauto ter beschikking gehad gedurende de periode 1 januari 2002 t/m 31 december 2004.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de heer [belanghebbende] aan kasbank een vergoeding heeft betaald voor het gebruik van de auto.

De vergoeding ziet voor een deel op het rijden in een leaseauto die in een duurdere klasse valt, dan hij op basis van zijn functie mag hebben en voor een deel op de verstrekking van een openvervoer abonnement.

De regeling bij de [werkgever] is zo, dat werknemers zonder leaseauto een abonnement verstrekt krijgen voor het woon-werkverkeer. Werknemers die beschikken over een leaseauto, kunnen het abonnement aanschaffen via de werkgever. De kosten van het abonnement wordt dan ingehouden op het nettosalaris onder de omschrijving ‘lease abo’. De bijdrage voor het rijden in een duurdere leaseauto is alleen aftrekbaar van het autokostenforfait ib, voor zover de bijdrage ziet op het privégebruik. De kosten van het abonnement in het geheel niet.

Uit ABS blijkt dat hij de vergoeding volledig af heeft getrokken van het autokostenforfait inkomstenbelasting, derhalve niet uitsluitend dat deel van de vergoeding dat betrekking heeft op de privé-kilometers.

Onderstaand geef ik een overzicht per jaar(..):

(……..)

2002:

Vergoeding voor het rijden in een duurdere auto € 107

Vergoeding voor het OV-abonnement € 2.469

(…….)

2003:

Vergoeding voor het rijden in een duurdere auto € 0

Vergoeding voor het OV-abonnement € 2.702

(……..)

2004:

Vergoeding voor het rijden in een duurdere auto € 0

Vergoeding voor het OV –abonnement € 3.111

(………) ’

2.5. In een e-mailbericht van belanghebbende van 24 januari 2002, gericht aan een collega, schrijft belanghebbende:

“(….) - Ik heb ook weer een bedrijfsauto besteld maar ben wel van plan met de trein te blijven reisen. Ik had al met Marieke afgesproken dat de kosten van mijn treinkaartje ingehouden gaan worden als “bijdrage leaseauto”, zodat die kosten toch nog aftrekbaar zijn voor de belasting. Dat is een constructie die [ twee voornamen] ook al hebben afgesproken en die dus niet onbekend is. Wil jij dat op de juiste plaats aankaarten zodat dat met onmiddelijke ingang gebeurt. (…)”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de boetebeschikking voor het jaar 2003 verminderd en de beroepen van belanghebbende voor het overige ongegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen:

Nieuw feit

4.1. Artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt als volgt:

‘Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.’

4.2. Eiser stelt dat er in dit geval geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR.

4.3. Voor het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een nieuw feit, geldt dat het stelsel der wet meebrengt dat de inspecteur in de regel met vertrouwen op de aangifte mag afgaan.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat na ontvangst van het renseignement in 2006, toen de primitieve aanslagen over de jaren 2002 en 2003 reeds waren opgelegd, het verweerder duidelijk werd dat eiser voor genoemde jaren de kosten van het ov-abonnement, die waren ingehouden op zijn nettosalaris in verband met de aanschaf hiervan door de werkgever, in mindering had gebracht op het autokostenforfait. Nu verweerder bij het opleggen van de desbetreffende primitieve aanslagen geen reden had te twijfelen aan de juistheid van de aangiften is de rechtbank van oordeel dat het renseignement een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt.

Hoogte (navorderings)aanslagen

4.5. Eiser stelt dat hij in een mondeling overleg met het hoofd Personele Zaken begin 2002 een aanvullende afspraak heeft gemaakt met betrekking tot de eigen bijdrage en de verstrekking van een ov-abonnement. Die afspraak hield in, aldus eiser, dat de kosten in verband met zijn ov-abonnement, voor rekening van zijn werkgever zouden komen en dat in samenhang daarmee zijn eigen bijdrage voor de lease-auto met een gelijkwaardig bedrag zou worden verhoogd. Aldus zouden partijen zijn afgeweken van de berijdersovereenkomst waarin is bepaald dat, behoudens de in het contract benoemde gevallen, eiser geen vergoeding was verschuldigd aan zijn werkgever voor de lease-auto.

4.6 Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in aanvulling op of in afwijking van de berijdersovereenkomst nadere afspraken tussen hem en zijn werkgever zijn gemaakt. De door eiser in het geding gebrachte op briefpapier van de [werkgever] gestelde verklaringen kunnen niet als voldoende bewijs worden aangemerkt. Ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser. Uit het e-mailbericht bedoeld in punt 2.5. volgt veeleer dat eiser wist dat de met ingang van 2002 door hem betaalde vergoeding verband hield met de aanschaf van zijn ov-abonnement. Ook het feit dat eiser in de aangiften over de jaren 2003 en 2004 eveneens de reisaftrek heeft geclaimd, maakt de stelling van eiser onaannemelijk. Immers, indien de vergoeding die hij betaalde uitsluitend zag op het gebruik van de lease-auto, ligt het niet voor de hand dat hij de reisaftrek zou hebben geclaimd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de eigen bijdrage voor het ov-abonnement niet in aftrek heeft toegelaten op de bijtelling voor het privé gebruik van de auto. De navorderingsaanslagen 2002 en 2003 en de aanslag 2004 zijn daarom niet naar een te hoog bedrag aan eiser opgelegd.

4.7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte veronderstelt dat zijn werkgever zou meewerken aan het verdraaien van feiten. Uit een door eiser overgelegde kopie met datum 5 april 2007 volgt, aldus eiser, dat zijn werkgever zich bij haar bedrijfsvoering heeft gehouden aan de fiscale regels.

4.8. Hetgeen eiser ten aanzien van zijn werkgever naar voren heeft gebracht, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Hiervoor is in punt 4.5 en 4.6. overwogen dat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser wist dat hij vanaf 2002 een vergoeding moest gaan betalen voor zijn ov-abonnement. Aan de vraag of en in hoeverre de werkgever van eiser door de aanduiding van de inhouding er zijn medewerking aan heeft verleend om deze inhouding naar verweerder toe te presenteren als een eigen bijdrage voor de leaseauto, komt geen betekenis toe. Eiser is zelf gehouden een juiste aangifte te doen. Dat in 2007 de regeling voor lease-auto’s en/of vergoeding voor een ov-abonnement door de werkgever is aangepast, is voor de onderhavige jaren niet van belang.

4.9. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat informatie die zijn werkgever aan hem heeft verstrekt omtrent de fiscale gevolgen van de eigen bijdragen bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat geen navorderingsaanslagen kunnen worden opgelegd, verwerpt de rechtbank deze stelling. Door de werkgever verstrekte informatie kan verweerder niet worden tegengeworpen.

De boetes

4.10. Verweerder is van mening dat het aan grove schuld van eiser is te wijten dat de aanslagen voor het jaar 2002 en 2003 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Op grond daarvan is aan eiser een boete opgelegd van 25%. Eiser stelt dat hem geen grove schuld kan worden verweten.

4.11. Van grove schuld is sprake bij een onachtzaamheid die zo ernstig is, dat zij in laakbaarheid aan opzet grenst. In dit geval is daarvan sprake. Eiser heeft de door hem betaalde vergoeding in aftrek gebracht op het autokostenforfait terwijl hij wist dat deze geen verband hield met het privé gebruik van de leaseauto. Voorts heeft hij in 2003 ten onrechte de reisaftrek geclaimd. Daarbij heeft hij niet de zorgvuldigheid betracht die van hem verwacht had mogen worden door onder meer de toelichting bij de aangifte niet te raadplegen. Door deze onachtzaamheid van eiser zijn de primitieve aanslagen tot te lage bedragen vastgesteld. De rechtbank is op basis van de genoemde feiten van oordeel dat de opgelegde boetes in beginsel passend en geboden zijn.

Nu echter ter zake van dezelfde gedraging in twee jaren een boete is opgelegd is sprake van cumulatie. De rechtbank ziet hierin reden de boete voor het jaar 2003 te matigen tot € 150.

4.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen tegen de navorderingsaanslagen 2002 en 2003 en tegen de aanslag 2004 ongegrond. Het beroep tegen de voor het jaar 2003 opgelegde boete wordt gegrond verklaard.

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de inspecteur het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning voor de jaren 2002, 2003 en 2004 terecht heeft verhoogd met de bedragen welke belanghebbende in mindering heeft gebracht op het autokostenforfait. Tevens is in geschil of de voor 2002 en 2003 opgelegde boetebeschikkingen terecht zijn vastgesteld. De overige correcties zijn niet in geschil. Bij brief, ingekomen ter griffie op 11 december 2009, hebben partijen verklaard dat tussen hen niet in geschil is dat bij gegrondverklaring van het hoger beroep het inkomen uit werk en woning na interne compensatie van de reisaftrek dient te worden vastgesteld op respectievelijk € 93.297 (2002), € 113.237 (2003) en € 94.882 (2004).

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende heeft over de jaren 2002, 2003 en 2004 in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen de door hem onder de noemer “bijdr. leasekost” aan zijn werkgever betaalde bedragen in mindering gebracht op de bijtelling voor privégebruik auto als bedoeld in artikel 3.145 van de Wet IB 2001. Naar aanleiding van een belastingcontrole bij de werkgever van belanghebbende door Belastingdienst/Amsterdam is de inspecteur middels een renseignement er op geattendeerd dat de inhouding onder de noemer “bijdr. leasekost” in werkelijkheid een vergoeding is voor het verstrekte OV-abonnement. Op basis van dit voor hem nieuwe feit is de inspecteur overgegaan tot navordering over de jaren 2002 en 2003. Tevens heeft hij in het renseignement aanleiding gevonden om bij de vaststelling van de primitieve aanslag 2004 af te wijken van de aangifte van belanghebbende.

6.2. Belanghebbende bestrijdt dat de kosten van zijn OV-abonnement onder de noemer “bijdr. leasekost” op zijn salaris werden ingehouden. Belanghebbende stelt dat genoemde inhouding wel degelijk betrekking had op de kosten van de auto en niet op het OV-abonnement.

6.3. Het Hof stelt vast dat deze stelling van belanghebbende zich niet verdraagt met de tussen belanghebbende en zijn werkgever overeengekomen ‘berijdersovereenkomst’, waarin is vastgelegd dat belanghebbende geen eigen bijdrage verschuldigd is voor het privégebruik van de hem ter beschikking gestelde lease-auto. Het Hof stelt daarenboven vast dat de stelling van belanghebbende evenmin te rijmen valt met zijn in 2.5. aangehaalde e-mailbericht van 24 januari 2002, waarin hij schrijft dat zijn OV-kosten “ingehouden gaan worden als ‘bijdrage leaseauto’, zodat die kosten toch nog aftrekbaar zijn voor de belasting”. Zelfs indien wordt meegewogen dat dit bericht onder grote tijdsdruk is geschreven, zoals belanghebbende heeft betoogd, kan in dit bericht niet worden gelezen dat er in de jaren 2002, 2003 en 2004 reeds sprake zou zijn geweest van een ‘mobiliteitsbudget’ dat deels werd aangewend voor betaling van een OV-abonnement, waardoor belanghebbende voortaan een eigen bijdrage voor de hem ter beschikking gestelde auto zou moeten gaan betalen.

6.4. Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt evenmin dat de inhoudingen die hebben plaatsgevonden onder de noemer “bijdrage leasekost” daadwerkelijk betrekking hebben op de kosten van de auto. Nu belanghebbende kon beschikken over een autobudget van € 940 en een leaseauto van € 928,47 per maand had uitgekozen, zou bij een daadwerkelijke besteding van het autobudget voor het OV-abonnement maandelijks een eigen bijdrage van € 224,28 - € 11,53 = € 212,75 verschuldigd zijn geweest. De inhouding in februari 2002 onder looncode 304 “BIJDR. LEASEKOST” bedraagt echter € 224,28 en is daarmee exact gelijk aan de inhouding voor het OV-abonnement welke in januari 2002 nog plaatsvond onder looncode 302 “KOSTEN ABONN.”.

6.5. De werkgever heeft op 30 mei 2008 op verzoek van belanghebbende een schriftelijke verklaring afgelegd, inhoudende dat met een aantal werknemers, waaronder belanghebbende, in het verleden reeds afspraken waren gemaakt over betaling van een additionele maandelijkse bijdrage voor privégebruik van de ter beschikking gestelde auto. Uit de door belanghebbende overgelegde brief van zijn werkgever van 20 mei 2008 volgt echter dat de werkgever eerst per 1 juli 2007 haar leaseauto-regeling heeft vervangen door een ‘mobiliteitsbudget’, dat door haar werknemers naar eigen inzicht kan worden aangewend voor een leaseauto en/of een OV-abonnement. Ook het gestelde in onderdeel 6 van het door de inspecteur overgelegde controlerapport van 13 augustus 2007, betreffende een bij de werkgever ingesteld boekenonderzoek loonbelasting, duidt erop dat wel degelijk sprake is geweest van een wijziging in de regeling van de mobiliteitsvergoedingen van de werkgever.

6.6. Uit de feiten blijkt dat eerst een overeenkomst tot stand kwam over het ter beschikking stellen van een leaseauto zonder eigen bijdrage en pas (korte tijd) daarna een overeenkomst op grond waarvan de werkgever voor belanghebbende een OV-abonnement zou aanschaffen en de kosten daarvan in maandtermijnen op het salaris van belanghebbende zou inhouden. Belanghebbende heeft niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat bij of voorafgaand aan het sluiten van de eerstgenoemde overeenkomst belanghebbende en de werkgever een regeling overeenkwamen die, zoals het latere “mobiliteitsbudget”, voorzag in een hoger of lager maximum leasebedrag afhankelijk van het door de werkgever voor haar rekening verstrekken van een OV-abonnement (“de uitruil”). Het Hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de maandelijks ter zake ingehouden bedragen moeten worden aangemerkt als betaling voor een voor rekening van belanghebbende aangeschaft OV-abonnement. Daaraan doet niet af dat de werkgever en belanghebbende afspraken de inhouding als een bijdrage in de kosten van de leaseauto te beschouwen. Nu de kosten van een OV-abonnement niet in mindering mogen worden gebracht op de bijtelling voor privégebruik auto, is de inspecteur terecht tot correctie overgegaan.

6.7. Uit de gedingstukken blijkt dat zowel belanghebbende als zijn werkgever in de veronderstelling verkeerde dat belanghebbende door de destijds gehanteerde wijze van inhouding van de kosten van het OV-abonnement in aanmerking zou komen voor de gewenste aftrek. Met ingang van 1 juli 2007 is de werkgever met de Belastingdienst een nieuwe werkwijze overeengekomen, waardoor de facto alsnog het door belanghebbende en zijn werkgever beoogde resultaat wordt bereikt. Belanghebbende is fiscaal niet onderlegd en doet jaarlijks zelf zijn aangifte inkomstenbelasting. Gelet op de omstandigheden van het geval kan niet gezegd worden dat belanghebbende dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat sprake is van in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De opgelegde vergrijpboeten van 25% dienen derhalve te vervallen.

Slotsom

6.8. De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de opgelegde boeten niet in stand kan blijven en dat het beroep in zoverre gegrond is.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor vergoeding komen in aanmerking de door belanghebbende gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, door het Hof begroot op € 14,60. Van overige, voor nadere opgaaf vatbare, kosten is niet gebleken.

7.2. Ook het in hoger beroep betaalde griffierecht, groot € 107, dient aan belanghebbende te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de

boetebeschikkingen betreffende de jaren 2002 en 2003;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur voor zover deze de boetebeschikkingen betreft;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag groot € 14,60;

- gelast de inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht, groot € 107, aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 14 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.