Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL1507

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
09/00020
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en in het bijzonder op grond van de waarneming ter zitting van het door belanghebbende getoonde monster - waarvan partijen eenstemmig verklaard hebben dat het representatief is voor de ingevoerde voertuigen - is de Douanekamer, anders dan de rechtbank, tot de overtuiging gekomen dat de ingevoerde driewielige voertuigen minder geschikt zijn voor vervoer van volwassen personen met een normaal postuur. De bouw en de afmetingen zijn, ook in geheel uitgeschoven positie, te gering om voor volwassenen een normaal, veilig en ergonomisch verantwoord vervoer over grotere afstanden mogelijk te maken. De ter zitting overgelegde foto’s van kinderen en van volwassen personen die op de voertuigen hebben plaatsgenomen, sterken de Douanekamer in deze overtuiging. Hieruit volgt dat de voertuigen veeleer de objectieve kenmerken en eigenschappen van kinderfietsen hebben dan van fietsen voor anderen (volwassenen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk DK 09/00020

datum uitspraak: 14 januari 2010

uitspraak van de Douanekamer

op het hoger beroep van

H B.V. te E, belanghebbende,

gemachtigde A,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/6361 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 10 april 2007 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (UTB) voor een bedrag van € 771,85 aan douanerechten uitgereikt.

1.2. Tegen die UTB heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt, dat door de inspecteur bij uitspraak van 5 september 2007 is afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 17 september 2007, ontvangen bij de rechtbank op 19 september 2007, beroep ingesteld.

1.4. Bij uitspraak van 2 december 2008 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak is op 4 december 2008 aan partijen verzonden. Het door belanghebbende tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is op 12 januari 2009 bij de Douanekamer ingekomen.

Het is aangevuld bij brief van 5 februari 2009.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft gedagtekend 23 september 2009 een ‘aanvulling c.q. reactie op verweerschrift’ aan de Douanekamer ingezonden. Het stuk is ter kennis van de inspecteur gebracht.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2009. Verschenen zijn A namens belanghebbende, en mr. E en mr. J namens de inspecteur.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De Douanekamer neemt - met instemming van partijen - over hetgeen de rechtbank onder de feiten heeft opgenomen:

“2.1. Op 10 april 2007 heeft eiseres (Douanekamer: belanghebbende) ten behoeve van de importeur I B.V. een aangifte gedaan tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer van goederen, op de aangifte omschreven als fitnessapparaten. Het land van oorsprong is China. De aangegeven goederencode is : 9506 9110 90.

2.2. Het ingevoerde goed is, blijkens het ter zitting getoonde monster, een product bestaande uit een gebogen verstelbaar frame, gemaakt van staal. De minimale lengte over alles is 109 centimeter en de maximale lengte is 117 centimeter. Aan de voorzijde is een tandwiel met trappers gemonteerd. Met een ketting wordt de trapkracht overgebracht op een in een vaste voorvork gemonteerd wiel met een diameter van 21,5 centimeter, voorzien van een terugtraprem. Op de achterzijde van het frame is een zijwaarts kantelbare ligstoel gemonteerd. De ruglengte aan de binnenzijde gemeten is 53 cm. Het zitgedeelte heeft aan de binnenzijde een lengte van 23 centimeter. De breedte is maximaal 39 en minimaal 31 centimeter. Aan de achterzijde van het frame zijn voorts twee wielen aan een starre as door middel van een gebogen buis zijwaarts kantelbaar aan het frame gemonteerd. De uiteinden van de starre as zijn met de ligstoel verbonden door middel van een zuigerstang met veer. Onder het frame ter hoogte van het zitgedeelte van de ligstoel is een U-vormige buis gemonteerd met handgrepen. Deze dienen ter ondersteuning van de gewichtsverplaatsing, waarmee het voertuig kan worden bestuurd. De wielen zijn voorzien van luchtbanden en kogellagers. Bij de maximale lengte van het frame is de afstand tussen de voorzijde van de ligstoel en de verste stand van de trapper 70 centimeter. Bij de minimale lengte is dit 62 centimeter.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een factuur waarop de goederen zijn omschreven als

“12” TRY-RUN Trike 12-1/2 x 2.75” Wheel, Steel Frame Color: Black, 70%SKD”.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is de indeling in het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT) van de onderhavige goederen. De inspecteur bepleit indeling onder post 8712 00 80 van het GDT, belanghebbende staat indeling onder post 9503 00 10 voor.

Deze posten luiden als volgt:

Post 8712 00 80:

“8712 Rijwielen (bakfietsen daaronder begrepen), zonder motor:

8712 00 10 - zonder kogellagers

- andere:

8712 00 30 -- tweewielige

8712 00 80 -- andere”.

Post 9503 00 10:

“9503 Driewielers, autopeds, pedaalauto’s en dergelijk speelgoed op wielen;

poppenwagens; poppen; ander speelgoed; modellen op schaal en

dergelijke modellen voor ontspanning, ook indien bewegend; puzzels van

alle soorten:

9503 00 10 - driewielers, autopeds, pedaalauto’s en dergelijk speelgoed op wielen;

poppenwagens”.

Aantekening 4 op hoofdstuk 87 luidt:

“Post 87.12 omvat onder meer alle tweewielige kinderfietsen. Andere kinderfietsen worden ingedeeld onder post 95.03.”.

4. De standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de overgelegde stukken en naar het proces-verbaal van de zitting van 19 oktober 2009.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en in het bijzonder op grond van de waarneming ter zitting van het door belanghebbende getoonde monster - waarvan partijen eenstemmig verklaard hebben dat het representatief is voor de ingevoerde voertuigen - is de Douanekamer, anders dan de rechtbank, tot de overtuiging gekomen dat de ingevoerde driewielige voertuigen minder geschikt zijn voor vervoer van volwassen personen met een normaal postuur. De bouw en de afmetingen zijn, ook in geheel uitgeschoven positie, te gering om voor volwassenen een normaal, veilig en ergonomisch verantwoord vervoer over grotere afstanden mogelijk te maken. De ter zitting overgelegde foto’s van kinderen en van volwassen personen die op de voertuigen hebben plaatsgenomen, sterken de Douanekamer in deze overtuiging.

5.2. Uit het sub 5.1. overwogene volgt dat de voertuigen veeleer de objectieve kenmerken en eigenschappen van kinderfietsen hebben dan van fietsen voor anderen (volwassenen). Nu het om driewielige voertuigen gaat dienen zij, gelet op Aantekening 4 op hoofdstuk 87 van het GDT, te worden ingedeeld onder post 9503. De GS-toelichtingen op hoofdstuk 87 en op post 8712, waarin andere dan ‘gewone’ tweewielige kinderfietsen van hoofdstuk 87 zijn uitgezonderd, zijn hiermee in overeenstemming.

5.3. In de systematiek van het GDT worden andere dan ‘gewone’ tweewielige kinderfietsen

mitsdien als ‘dergelijk speelgoed op wielen’ ingedeeld onder post 9503. De onderhavige voertuigen dienen derhalve te worden ingedeeld onder post 9503 00 10.

5.4. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is; de uitspraak van de rechtbank kan niet in stand blijven.

6. Kosten en griffierecht

6.1. De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke als volgt worden vastgesteld:

beroepsmatige rechtsbijstand: 2 (beroepschrift rechtbank, verschijnen zitting rechtbank) x 1 (gewicht) x 322 = € 644; reiskosten van A in beide instanties, NS tweede klasse: € 73,90; verletkosten A, eveneens in beide instanties: 8 x 18,27 = € 146,16; totaal € 864,06.

De voormalige directeur van de importeur is niet door de rechtbank opgeroepen, zodat reeds daarom geen aanspraak bestaat op vergoeding van kosten ter zake van diens verschijnen bij de rechtbank.

Ook van een hogere vergoeding dan de forfaitaire kan geen sprake zijn, nu van bijzondere omstandigheden niet is gebleken.

6.2. Het griffierecht in beide instanties, € 288 respectievelijk € 433, dient aan belanghebbende te worden vergoed.

7. Beslissing

De Douanekamer:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding, groot € 864,06

- gelast de inspecteur het griffierecht in beide instanties, groot € 721, aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en K. Kooijman, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 14 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.