Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BL0867

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200.033.048 en 200.039.496
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwonen met een ander als waren zij gehuwd. Het hof oordeelt dat het bewijs van samenwoning in de zin van art 1:160 BW op alle onderdelen is geleverd, wat betreft de gemeenschappelijke huishouding op basis van het rechterlijk vermoeden en laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.033.048 en 200.039.496

(zaaknummer / rekestnummer rechtbank 254724 / FA RK 08-5436)

beschikking van de familiekamer van 12 januari 2010

in de zaak met zaaknummer 200.033.048

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "de man",

advocaat: mr. I.L. Ortelee,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. G. de Gelder.

in de zaak met zaaknummer 200.039.496

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "de man",

advocaat: mr. I.L. Ortelee,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. G. de Gelder.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 4 februari 2009 en 6 mei 2009, laatstgenoemde hersteld bij beschikking op 5 augustus 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer / rekestnummer.

2. Het geding in hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.033.048

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 april 2009, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 4 februari 2009. Hij verzoekt het hof voor recht te verklaren dat de vrouw met haar vriend samenwoont als waren zij gehuwd en dat om die reden de alimentatieverplichting van de man van rechtswege is beëindigd per 1 juli 2008, de datum dat er met ingrijpende verbouwingswerkzaamheden aan de woning van de vrouw door haar nieuwe partner is begonnen, althans per de datum die het hof juist acht en de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van beide instanties, voor zover de wet dit toelaat.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 juni 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep, dan wel het (gewijzigde) verzoek van de man af te wijzen, als zijnde onvoldoende gegrond en bewezen, kosten rechtens.

in de zaak met zaaknummer 200.039.496

2.3 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 augustus 2009, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 6 mei 2009. Hij verzoekt het hof primair voor recht te verklaren dat de vrouw met haar vriend samenwoont als waren zij gehuwd en dat om die reden de alimentatieverplichting van de man van rechtswege is beëindigd per 1 juli 2008, de datum dat er met ingrijpende verbouwingswerkzaamheden aan de woning van de vrouw door haar nieuwe partner is begonnen, althans per de datum die het hof juist acht, subsidiair de beschikking van 6 mei 2009 nietig te verklaren en te beschikken dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld wegens het ontbreken van de behoefte daaraan, dan wel op een zodanig bedrag als het hof juist acht, en de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van beide instanties, voor zover de wet dit toelaat.

2.4 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 september 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep, dan wel het (gewijzigde) verzoek van de man, zowel primair alsook subsidiair, af te wijzen, als zijnde onvoldoende gegrond en bewezen.

in beide zaken

2.5 Het hof heeft voorts kennis genomen van de stukken eerste aanleg en van

- de brief van 10 augustus 2009, ingekomen op 11 augustus 2009, van mr. Ortelee met bijlagen;

- de brief van 27 november 2009, ingekomen op 30 november 2009, van mr. Ortelee met bijlagen;

- de brief van 1 december 2009, ingekomen op 2 december 2009, van mr. De Gelder met bijlagen.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 10 december 2009 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. I.L. Ortelee, advocaat te Houten, en de vrouw bijgestaan door mr. G. de Gelder, advocaat te Woudenberg.

2.8 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.9 Desgevraagd heeft mr. Ortelee tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van de brief van 1 december 2009 met bijlagen, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 8 juli 1995 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 18 september 2002 heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 september 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1996 en

- [kind 2], op [geboortedatum] 1998,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij voornoemde beschikking van 18 september 2002 heeft de rechtbank bepaald dat de

regeling, zoals tussen partijen op 25 augustus 2002 is overeengekomen in het convenant, deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking.

3.4 In voornoemd echtscheidingsconvenant is omtrent een bijdrage in de kosten van

levensonderhoud van de vrouw het navolgende overeengekomen:

“2. Partneralimentatie

2.1 Hoogte

A. Tot 1 januari 2003, althans tot de datum waarop de vrouw de echtelijke woning zal hebben verlaten om andere passende woonruimte te betrekken (uiterlijk per 1 januari 2003) zal de beschikking voorlopige voorzieningen gelden, waarbij is bepaald dat de man geen partneralimentatie aan de vrouw verschuldigd is;

B. De man zal met ingang van 1 januari 2003, althans zoveel eerder als dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten om andere woonruimte te betrekken (uiterlijk per 1 januari 2003) maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoen een bedrag van € 600,- bruto, als bijdrage in haar levensonderhoud. Bij de hoogte van laatstgenoemd bedrag is uitgegaan van het vaste salaris van de man, dat ten tijde van de ondertekening van het convenant € 6.501,60 bruto per maand bedroeg exclusief emolumenten. Naast voornoemde partneralimentatie ad € 600,- per maand, dient de man 30% te voldoen van de jaarlijks aan hem toekomende netto bonus/tantième c.q. eindejaarsuitkering. De man is verplicht daarin jaarlijks aan de vrouw inzage te verschaffen door overlegging van de salarisspecificatie(s)/loonstroken, waarop de afrekening van de bonus plaatsvindt. De man zal daartoe jaarlijks uiterlijk per 1 mei gehouden zijn, voor het eerst per 1 mei 2003;

2.1. Indexering

De hiervoor bedoelde alimentatie (met uitzondering van de bonusaanspraken van de vrouw) zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2003.

2.2. Eigen inkomsten van de vrouw

Ten aanzien van eventuele aanvullende eigen inkomsten van de vrouw geldt dat haar inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen geen aanleiding kunnen zijn tot verlaging van de voornoemde alimentatie, mits haar eigen inkomen (waarbij de alimentatie buiten beschouwing blijft) niet meer bedraagt dan € 50.000,- bruto per jaar. Desgewenst verschaft de vrouw aan de man inzage in de hoogte van haar inkomsten, binnen 14 dagen nadat de man daarom schriftelijk heeft verzocht.”

2.1 Partijen zijn in 2003 nader overeengekomen dat de man aan de vrouw als bijdrage in

haar levensonderhoud € 965,- per maand betaalt en de man heeft dit bedrag tot de datum van de mondelinge behandeling betaald.

3.6 Bij verzoekschrift van 3 september 2008, ingekomen bij de rechtbank Utrecht, heeft de man verzocht de bijdrage in het levensonderhoud, die hij maandelijks betaalt aan de vrouw, met ingang van 1 september 2008 op nihil te stellen, dan wel op de datum die de rechtbank juist acht. De man heeft ter mondelinge behandeling op 8 januari 2009 de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat zijn alimentatieverplichting op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW met ingang van 1 september 2008 is vervallen, omdat de vrouw een nieuwe partner heeft met wie zij samenwoont als waren zij gehuwd.

3.7 Bij verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoek van 4 november 2008 heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens een zelfstandig verzoek ingediend. De vrouw heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht het verzoek van de man af te wijzen en de beschikking van de rechtbank Utrecht van 18 september 2002, c.q. het aan die beschikking gehechte convenant te wijzigen, en wel in die zin dat de man ter zake haar levensonderhoud maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag dient te voldoen van € 1.750,- bruto, met ingang van heden, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht.

3.8 Ter mondelinge behandeling op 8 januari 2009 heeft de man het zelfstandige verzoek van de vrouw bestreden. Hij heeft de rechtbank verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandig verzoek.

3.9 Bij de bestreden beschikking van 4 februari 2009 heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen en voorts de behandeling van het verzoek van de vrouw aangehouden met verzoek aan partijen tot overlegging van stukken en verhinderdata.

3.10 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 6 mei 2009, zoals hersteld bij beschikking van 5 augustus 2009, heeft de rechtbank de beschikking van 18 september 2002 met ingang van 4 februari 2009 gewijzigd en bepaald dat de man moet bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met € 1.750,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.11 De man vormt samen met zijn partner en [kind 2] een gezin. In het kader van omgang verblijft [kind 1] op maandag en dinsdag de hele dag bij de man en woensdagochtend en 50% van de weekeinden ingaande vrijdagmiddag. De partner van de man voorziet in haar eigen levensonderhoud.

Ten aanzien van de vrouw

3.12 De vrouw vormt samen met [kind 1] een gezin. In het kader van omgang verblijft [kind 2] op woensdagmiddag en donderdag en vrijdag de gehele dag en 50% van de weekenden bij de vrouw. Haar inkomen bedraagt blijkens de salarisspecificatie van september 2008 € 890,80 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Volgens de jaaropgave over 2007 bedroeg haar inkomen € 14.216,- in dat jaar. De vrouw heeft, naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, recht op extra heffingskortingen, in 2008: de alleenstaande ouderkorting, de aanvullende alleenstaande ouderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting en in 2009; de alleenstaande ouderkorting, de aanvullende alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vrouw ontvangt in 2008 een kindertoeslag en in 2009 een kindgebonden budget.

3.13 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 566,67 aan hypotheekrente;

- € 183,39 aan ziektekosten in 2008:

- € 97,16 premie basisverzekering ZVW,

- € 63,59 premie aanvullende verzekering,

- € 12,50 eigen risico,

- € 64,14 door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met in 2008 in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW € 54,- alleenstaande.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man en de vrouw zijn allereerst verdeeld over de ontvankelijkheid van de man ter zake zijn beroep van de beschikking van 4 februari 2009. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uitspraken in een verzoekschriftprocedure kunnen worden onderscheiden in eindbeschikkingen, tussenbeschikkingen en de combinatie van beide, de deelbeschikking. Van een eindbeschikking is sprake indien de rechter in zijn uitspraak met een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het gehele geding of een gedeelte daarvan maakt. Een deelbeschikking bevat in het dictum een definitieve afdoening van enig deel van het verzochte en voor het overige een aanhouding van iedere verdere beslissing, een beschikking is in zijn geheel een tussenbeschikking indien in het dictum geen uitdrukkelijke af- of toewijzing van enig deel van het verzochte voorkomt.

4.2 In dit kader is van belang dat de rechtbank over de door de man verzochte beëindiging van de onderhoudsverplichting aan de vrouw op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW in het dictum van de beschikking van 4 februari 2009 een eindbeslissing heeft genomen door het verzoek van de man af te wijzen. Omdat met deze beslissing een einde is gemaakt aan het door de man verzochte, dient die beschikking ten aanzien van het verzoek van de man te worden aangemerkt als een eindbeschikking. Hieruit volgt dat de man ontvankelijk is in zijn beroep van de beschikking van 4 februari 2009. Dat de griffie onder de beschikking geen melding heeft gemaakt van de mogelijkheid van hoger beroep doet aan het vorenstaande niet af.

4.3 In geschil is voorts of de onderhoudsverplichting van de man is geëindigd omdat de vrouw samenwoont met [A.] als bedoeld in artikel 1:160 BW. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is (geweest) van een samenwoning van de vrouw met [A.] in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 13 juli 2001, NJ 2001, 586 en HR 3 juni 2005, NJ 2005, 381). Het uitgangspunt dient te zijn – zo blijkt uit voornoemde beschikkingen – dat artikel 1:160 BW restrictief wordt uitgelegd. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

4.4 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing gegeven moet worden aan artikel 1:160 BW en zij heeft daarbij overwogen dat de man met de gestelde feiten weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zekere verstrengeling van de financiële situatie van de vrouw met die van [A.], maar dat hij onvoldoende heeft gesteld om de samenwoning van de vrouw met [A.] vast te stellen. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat [A.] een huurwoning heeft.

4.5 De man stelt dat de vrouw en [A.] samenwonen in het huis van de vrouw in [woonplaats] en hij heeft, om het vermoeden van de samenleving te toetsen, recherchebureau De Leeuw & Partners ingeschakeld. Van dat bureau heeft [B.], hierna te noemen [B.], het onderzoek verricht, daarvan een observatieverslag gedateerd 1 juni 2009 gemaakt en op 5 juni 2009 gerapporteerd. Er is geobserveerd van zaterdag 21 februari 2009 tot en met donderdag 28 mei 2009. De man heeft deze beide stukken bij brief van mr. Ortelee van 10 augustus 2009 in het geding gebracht.

4.6 Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is verklaard voldoende is komen vast te staan dat tussen de vrouw en [A.] sprake is van een affectieve relatie. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij reeds vijf jaar een relatie met [A.] heeft en zij noemt hem ‘haar vriend’. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een affectieve relatie die gekwalificeerd kan worden als duurzaam.

4.7 Uit het voornoemde observatieverslag blijkt volgens de man dat de vrouw en [A.] samenwonen te [woonplaats] aan de [adres 1] en dat [A.] niet (meer) woont in zijn woning aan de [adres 2] c te [plaatsnaam].

4.8 In grote lijnen komt uit deze observaties in de observatieperiode vanaf zaterdag 21 februari tot en met donderdag 28 mei 2009 naar voren dat de vrouw en [A.] elke dag bij elkaar verbleven, in de woning van de vrouw aan de [adres 1], en dat gedurende de gehele observatieperiode de voertuigen van [A.], een Dodge Nitro met kenteken

[...] en een Renault Trafic met kenteken [...], bij de woning van de vrouw stonden. Geconstateerd werd dat als [A.] in de woning van de vrouw werd waargenomen, nadat ’s avonds de verlichting in de woonkamer was uitgegaan, vrijwel aansluitend de verlichting op de slaapkamer aanging of dat de TV werd aangezet. De volgende ochtend werd dan waargenomen dat [A.] uit de woning van de vrouw kwam, in zijn Renault Trafic stapte en wegreed. Gedurende de gehele observatieperiode heeft [A.] de nachten in de woning van de vrouw doorgebracht en werd hij nimmer op zijn officiële woonadres in [plaatsnaam] aangetroffen. Ook de door [A.] gebruikte voertuigen werden nimmer bij of in de nabijheid van de woning van [A.] in [plaatsnaam] aangetroffen. Voorts is gebleken dat gedurende een vakantieweek van de vrouw in Turkije [A.] de gehele week in de woning van de vrouw in [woonplaats] verbleef.

Op 19 mei 2009 constateert [B.] dat de ramen van woning van [A.] aan de [adres 2] te [plaatsnaam] een stukje openstaan en dat er licht brandt. [B.] belt daarop aan, een man doet open en antwoordt op de vraag of [A.] thuis is: “[A.] woont hier niet meer.” Op de vraag of dit de [adres 2] is antwoordt de man: “Ja, je zit hier wel goed en hij heeft hier wel een tijdje gewoond maar zeker sinds (de man denkt even na) 2 weken al niet meer.” Op de vraag of de man weet waar [A.] woont, zegt de man: “Je zou kunnen informeren bij de makelaar hier beneden.” Op woensdag 20 mei 2009 neemt [B.] telefonisch contact op met [...] Makelaars, [adres 2]. Een medewerker van [...] Makelaars deelt mede dat [A.] al zeker een maand niet meer woonachtig is op het adres [adres 2] c te [plaatsnaam] en dat in de woning van [A.] al een nieuwe huurder zit.

4.9 De vrouw betwist dat er sprake is van samenwoning. Zij stelt dat [A.] nog steeds in de woning aan de [adres 2] c te [plaatsnaam] woont. De constateringen van [B.] zijn niet juist. De onjuistheid daarvan wordt ondersteund door een tweetal verklaringen die de vrouw in de procedure heeft overgelegd van onderscheidenlijk 3 juli 2009 en 4 juli 2009. Uit de eerstgenoemde verklaring blijkt dat [C.] en [D.] van [...] Makelaar zich beiden niet kunnen herinneren ooit een gesprek te hebben gevoerd over de woonruimte van [A.]. Zij verklaren gezamenlijk dat dit ook niet kan, omdat [A.] wel degelijk op het adres [adres 2] woont en dat hij een woonruimte van [...] huurt en ook zeer regelmatig in deze woonruimte aanwezig is, met name ’s avonds en ’s nachts. Voorts blijkt uit de schriftelijke verklaring van 4 juli 2009 dat de heer [E.] nooit heeft verklaard dat [A.] niet woonachtig zou zijn op de [adres 2] te [plaatsnaam] en dat hij ten zeerste bestrijdt hetgeen door het recherchebureau wordt gesuggereerd. Tot slot stelt de vrouw dat de Dodge Nitro vanaf 1 dan wel 2 april 2009 tot en met 29 mei 2009 bij HPR Autoschade Houten heeft gestaan. Dat wordt volgens de vrouw ondersteund door de verklaring van de garagehouder van 22 juli 2009.

4.10 Het hof is van oordeel dat veel waarde kan worden gehecht aan de observaties van [B.] van recherchebureau De Leeuw & Partners. [B.] heeft beroepsmatig geobserveerd zoals blijkt uit het verslag en de waargenomen feiten zijn in dat verslag vermeld. Dat [B.] niet objectief is omdat bij het observatieverslag een “rapportage” van [B.] is gevoegd waarin hij beschrijft welke informatie hij van de man heeft ontvangen en hoe hij, [B.], de situatie mede op basis van de observatie beoordeelt, onderschrijft het hof niet. Het hof legt het observatierapport wel maar de rapportage van [B.] niet aan zijn beslissing ten grondslag. De feiten zoals weergegeven in het observatieverslag heeft de vrouw niet dan wel onvoldoende weerlegd. De vrouw heeft onvoldoende betwist de constateringen van [B.] over de aanwezigheid van de vrouw en [A.] in de woning van de vrouw in de observatieperiode en het vertrek ’s ochtends van [A.] uit de woning. Dat [B.] niet opschrijft wanneer welke kinderen van partijen daar zijn, doet niet ter zake. In de observatieperiode was [A.] steeds in [woonplaats] en niet in [plaatsnaam]. Op basis daarvan oordeelt het hof dat de man heeft bewezen dat er in de onderzochte periode sprake is van samenwoning van de vrouw en [A.]. Het verweer van de vrouw dat [A.] een bepaalde periode bij haar verbleef in verband met zijn gebroken kuitbeen gaat niet op, omdat zij ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat dit in 2008 heeft plaatsgevonden. Ook het verweer dat de gehele bodem onder het onderzoeksrapport is komen te vervallen, omdat [B.] heeft gerapporteerd dat de Dodge Nitro tijdens het gehele onderzoek op de [adres 1] heeft gestaan, gaat niet op. De vrouw heeft verklaard dat de Dodge Nitro in de periode van 1 of 2 april tot en met 29 mei 2009 bij de garage heeft gestaan en de garagehouder heeft schriftelijk verklaard dat de Dodge Nitro in de periode van 30 maart tot en met 12 juni 2009 in zijn garage heeft gestaan. Uit het observatieverslag blijkt dat de Dodge Nitro vanaf 16 april 2009 tot aan het einde van de observatieperiode in het geheel niet meer is waargenomen, terwijl de Renault Trafic onverminderd werd aangetroffen. Hoewel de verklaringen van de vrouw en de garagehouder met betrekking tot de periode niet eensluidend zijn, blijkt uit het observatieverslag dat de Dodge Nitro in ieder geval vanaf 16 april tot en met de laatste dag van de observatie op 28 mei 2009 in het geheel niet meer is waargenomen. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk dat de Dodge Nitro voor een aaneengesloten periode bij de garage is geweest, hetgeen de conclusie gerechtvaardigd maakt dat het observatieverslag zijn waarde, anders dan de vrouw stelt, niet heeft verloren. De schriftelijke verklaring van 3 juli 2009 van de makelaar en de medewerkster van [...] B.V. ontkracht de bevindingen van [B.] niet, nu zij in deze verklaring slechts verklaren dat zij niet kunnen herinneren ooit een gesprek te hebben gevoerd over de woonruimte van [A.]. Dat is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te concluderen dat dit gesprek dan ook niet heeft plaatsgevonden. Tot slot blijkt uit de verklaring van [E.] van 4 juli 2009 niet dat hij degene is met wie [B.] heeft gesproken. Het hof kan daarom geen betekenis aan deze verklaring ontlenen, noch in bekrachtigende zin, noch in ontkrachtende zin.

4.11 Het hof is voorts van oordeel dat er sprake is van wederzijdse verzorging op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Blijkens de brief van de vrouw van 30 juli 2008 heeft zij vanaf 27 juni 2008 [A.] in haar huis verzorgd vanwege een gebroken kuitbeen bij [A.]. De vrouw en [A.] hebben verschillende vakanties met elkaar en soms ook met de kinderen van partijen doorgebracht. [A.] heeft de vakantie naar Disneyland voor de vrouw en de kinderen bekostigd en de vrouw heeft, als gift van haar vader aan haar, het verblijf in een chalet tijdens een skivakantie voor haar en [A.] bekostigd. De stelling van de man dat de vrouw en [A.] gemeenschappelijke activiteiten ondernemen in de zin dat zij samen familieverjaardagen vieren en gezamenlijke vrienden ontvangen en bezoeken, alsook dat ten behoeve van de Koikarper hobby van [A.] een vijver in de tuin van de vrouw is aangelegd, heeft de vrouw niet betwist. Vast staat voorts op basis van de verklaring van de vrouw en het observatieverslag, namelijk dat de vrouw gedurende een lange periode gebruik heeft gemaakt van de Dodge Nitro van [A.] nadat haar eigen auto, een Renault Twingo, eind augustus 2008 was gestolen. Begin januari 2006 heeft de vrouw volgens haar verklaring aan [A.] circa € 20.000,- geleend, zonder onderpand en zonder schriftelijke overeenkomst. De vrouw stelt dat zij [A.] dat geld heeft geleend voor het starten van zijn onderneming. Blijkens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel is de onderneming van [A.] reeds op 19 april 2004 opgericht. Teneinde [A.] dat bedrag te kunnen lenen heeft de vrouw, naar zij stelt, de hypotheek op haar huis verhoogd met een bedrag van € 26.867,24, hetgeen naar het oordeel van het hof duidt op een financiële ondersteuning, en dat duidt weer op wederzijdse verzorging. De geldlening kan niet louter worden gezien als een zakelijke transactie, omdat de vrouw [A.] dat geld, zoals hiervoor overwogen, heeft geleend zonder onderpand of onderliggende overeenkomst. Dat [A.] volgens de vrouw de lening heeft terugbetaald door middel van een verbouwing van de woning van de vrouw in 2008 heeft zij, tegenover de betwisting van de man, niet aannemelijk gemaakt. Tot slot is gebleken dat de vrouw samen met [A.] veelvuldig gebruik maakt van de stacaravan van [A.] op een camping te [plaatsnaam]. Het hof verwerpt het verweer van de vrouw en acht de man dan ook geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat er tussen de vrouw en [A.] sprake is van wederzijdse verzorging.

4.12 Al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, brengen het hof tot het rechterlijk vermoeden dat ook aan het vereiste van een gemeenschappelijke huishouding is voldaan. Nu de vrouw uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden zal het hof haar in de gelegenheid stellen tegen dit rechterlijk vermoeden tegenbewijs te leveren.

Zou de vrouw slagen in dit tegenbewijs, dat wil zeggen zou zij zodanige twijfel zaaien dat de op het vermoeden rustende vaststelling onhoudbaar wordt, dan leidt dit tot afwijzing van het verzoek van de man en komt beoordeling van het verzoek van de vrouw tot verhoging van de alimentatie aan de orde.

Zou de vrouw niet slagen in dit tegenbewijs dan ligt het verzoek van de man voor toewijzing gereed met dien verstande dat het hof de samenwoning van de vrouw met [A.] in de zin van artikel 1:160 BW bewezen acht ingaande 1 maart 2009, de eerste van de maand volgend op de start van het onderzoek van [B.], met als gevolg dat vanaf die datum de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

de zaak met zaaknummer 200.033.048

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat tussen de vrouw en [A.] sprake is van een gemeenschappelijke huishouding;

verzoekt de vrouw eventuele bewijsstukken toe te zenden aan het hof, met kopie aan de wederpartij, uiterlijk op 24 januari 2010;

bepaalt, indien de vrouw dit bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. B.M. Mens, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door haar vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden februari en maart 2010 zullen worden opgegeven door de advocaten van partijen uiterlijk op 24 januari 2010, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

in beide zaken

houdt iedere verdere beslissing in beide zaken aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mens, C.W.P. van Gelder en A.L.H. Ernes, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, en is op 12 januari 2010 uitgesproken ter openba-re terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.