Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:932

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
200.015.254-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting STICHTING DE STADHOUDER,

gevestigd te Zandvoort,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.D. Flesseman, gevestigd te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OBERON BOUW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. D. De Jong, gevestigd te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna De Stadhouder en Oberon genoemd.

1.1.

Bij dagvaarding van 5 september 2008 is De Stadhouder in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 30 juli 2008, in deze zaak onder nummer 230946/HA ZA 01-2854 gewezen tussen haar als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Oberon als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1.2.

De Stadhouder heeft van grieven gediend en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad – de vordering van De Stadhouder zal toewijzen, met veroordeling van Oberon in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3.

Daarop heeft Oberon geantwoord en daarbij producties in het geding gebracht, met conclusie, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van De Stadhouder in de kosten van het hoger beroep.

1.4.

Vervolgens heeft De Stadhouder een akte uitlating producties tevens aanvulling op het bewijsaanbod genomen.

1.5.

Ten slotte zijn de stukken van beide instanties overgelegd en is arrest gevraagd.

2 Grieven

De Stadhouder heeft twee grieven aangevoerd, waarvoor wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 14 mei 2003 onder 1 a tot en met h en in het eindvonnis van 30 juli 2008 onder 2.2 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4 Beoordeling

4.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Oberon heeft tot de hieronder sub g vermelde overdracht van De Stadhouder bedrijfsruimte gehuurd, gelegen op de eerste verdieping van het pand aan de [ adres 1] . De tweede en derde verdieping van dat pand waren door De Stadhouder als woning verhuurd aan mevrouw [A] .

b. Met ingang van 1 augustus 2000 heeft mevrouw [A] een serviceflat aan de [adres 2] gehuurd.

c. Vanaf 20 september 2000 staat mevrouw [A] in het bevolkingsregister niet meer ingeschreven op het adres [ adres 1] .

d. Op 21 september 2000 hebben [B] , bestuurder van De Stadhouder, en [C] , directeur van Oberon, namens partijen overeenstemming bereikt over de koopprijs van het appartementsrecht, te weten NLG 880.000,--, betreffende de eerste, tweede en derde verdieping van het pand aan de [ adres 1] verder ook te noemen het pand.

e. Op 26 oktober 2000 is de akte van de desbetreffende koopovereenkomst door beide partijen getekend.

f. Op 15 november 2000 is mevrouw [A] verhuisd van de [ adres 1] naar de [adres 2] .

g. Op 29 december 2000 heeft De Stadhouder het appartementsrecht van het pand aan Oberon geleverd.

h. Op 27 september 2001 is op verzoek van De Stadhouder ten laste van Oberon conservatoir beslag gelegd op het pand.

i. Op 14 september 2001 heeft mevrouw [A] bij een notaris onder ede een verklaring afgelegd. De daarvan opgemaakte akte luidt als volgt.

“Ik huurde van de Stichting De Stadhouder een woning in het pand aan de [ adres 1] te Amsterdam. Een andere huurder in het pand was de heer [C] . In juli 2000 heb ik een andere woning gehuurd aan de [adres 2] te Amsterdam. De huurovereenkomst ging op 1 augustus 2000 in. Ik heb de heer [C] omstreeks het moment dat ik de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres 2] sloot, laten weten dat ik zou gaan verhuizen. De heer [C] heeft mij toen een bedrag van f 25.000,- geboden om mijn verhuizing nog enige tijd uit te stellen. Tevens was hij bereid mij de huur van mijn woning aan de [ adres 1] vanaf 1 augustus 2000 tot aan het moment dat ik zou verhuizen naar de [adres 2] te vergoeden. Uiteindelijk ben ik in november 2000 verhuisd naar de woning aan de [adres 2] . Op verzoek van de heer [C] heb ik hierover geen contact gehad met de Stichting De Stadhouder. Dat hoefde ook niet, want de huur liep nog door en toen ik verhuisde was inmiddels de heer [C] eigenaar geworden van het pand aan de [ adres 1] te Amsterdam.”

j. Mevrouw [A] is in 2008 overleden.

4.2

De Stadhouder heeft – in conventie - gevorderd dat Oberon zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van in hoofdsom een bedrag van NLG 370.000,--. Daaraan legt zij ten grondslag dat Oberon haar heeft bedrogen en misleid door opzettelijk belangrijke informatie met betrekking tot het vertrek van mevrouw [A] voor De Stadhouder verborgen te houden, waardoor De Stadhouder de appartementsrechten voor een te lage prijs aan Oberon heeft verkocht, terwijl De Stadhouder de appartementsrechten bij een juiste voorstelling van zaken –dus zonder dwaling- slechts zou hebben verkocht voor NLG 370.000,-- meer dan met Oberon was overeengekomen.

Oberon heeft in reconventie, kort gezegd, vergoeding van schade op te maken bij staat gevorderd, verbandhoudende met het door De Stadhouder gelegde beslag.

4.3

Gelet op de gemotiveerde betwisting door Oberon heeft de rechtbank bij genoemd tussenvonnis – daarin onder 7. oordelend dat bovengenoemde verklaring van mevrouw [A] een begin van bewijs oplevert voor de stellingen van De Stadhouder - De Stadhouder met aanvullend bewijs van de aan haar vordering ten grondslag gelegde stellingen belast.

4.4

De door de rechtbank aan De Stadhouder gegeven bewijsopdracht luidt dat [C] mevrouw [A] geld heeft geboden om haar geplande verhuizing per 1 augustus 2000 uit te stellen tot na het sluiten van de koopovereenkomst tussen [C] (namens Oberon) en De Stadhouder en hierover geen mededeling te doen aan De Stadhouder, alsmede dat [C] De Stadhouder hierover – desgevraagd – in strijd met de waarheid heeft geïnformeerd.

4.5

Nadat getuigen waren gehoord heeft de rechtbank in het vonnis waarvan beroep overwogen dat er te veel twijfel bestaat om te kunnen vaststellen dat [C] mevrouw [A] een verhuispremie heeft geboden om haar geplande verhuizing per 1 augustus 2000 uit te stellen tot na sluiting van de koopovereenkomst en hierover geen mededeling te doen aan De Stadhouder en dat evenmin is komen vast te staan dat [C] De Stadhouder in strijd met de waarheid heeft geïnformeerd.

De rechtbank heeft dan ook de vorderingen van De Stadhouder afgewezen en de reconventionele vordering toegewezen.

4.6

In haar eerste grief klaagt De Stadhouder erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en dat de vordering tot schadevergoeding is afgewezen.

4.7

Op basis van de tot dusver aangedragen bewijsmiddelen acht het hof het door de Stadhouder te leveren bewijs vooralsnog niet geleverd. De Stadhouder heeft evenwel gemotiveerd nader bewijs aangeboden. Het hof zal haar daartoe toelaten, zoals in het dictum is weergegeven.

4.8

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

5 Beslissing

Het hof:

laat De Stadhouder toe tot het leveren van nader bewijs van hetgeen is weergegeven in rechtsoverweging 4.4;

bepaalt dat daartoe getuigen kunnen worden voorgebracht voor mr. A. Bockwinkel, die daartoe tot raadsheer-commissaris wordt benoemd, in het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op donderdag 27 mei 2010 om 09.30 uur;

bepaalt dat voor het geval de raadslieden van weerszijden of partijen op evenvermeld tijdstip volstrekt verhinderd zijn, uiterlijk op 20 april 2010 schriftelijk aan het enquêtebureau van het hof kan worden verzocht om bepaling van een andere datum, onder opgave van de verhinderdata van alle partijen en raadslieden in de maanden juni, juli en augustus 2010;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Bockwinkel, S. Clement en P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2010 door de rolraadsheer.