Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:3136

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
200.045.095-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1401, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bestuurder voor huurachterstand stichting afgewezen. Relevante stellingen – gezien het verweer – ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Herhaling van wat in eerste aanleg naar voren is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.045.095/01

12 oktober 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER


ARREST

in de zaak van:

  1. [Appellant sub 1] en

  2. [Appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. R.F. Meijer, te Haarlem,


t e g e n

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam.

Appellanten zullen in dit arrest (gezamenlijk in mannelijk en-kelvoud) [appellanten] worden genoemd, geïntimeerde zal [geïntimeerde] worden genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

[appellanten] is bij exploot van 24 juni 2009 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat door de rechtbank te Haarlem, (sec-tor kanton, locatie Haarlem), hierna: de kantonrechter, onder zaak/rolnr.403342/CV EXPL 08-13455 tussen [appellanten] als eisen-de partij in conventie, verwerende partij in reconventie en

[geïntimeerde] als gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie is gewezen en dat is uitgesproken op 8 april 2009, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

1.2.

[appellanten] heeft bij memorie tegen het vonnis waarvan beroep grieven aangevoerd en bewijs aangeboden, met conclusie

als verwoord in die memorie.

1.3.

[geïntimeerde] heeft bij memorie de grieven bestreden, inci-denteel appel ingesteld, bewijs aangeboden en een productie overgelegd, met conclusie als in die memorie omschreven.

1.4.

[appellanten] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel gereageerd op het incidenteel appel, met conclusie als weergegeven in deze memorie.

1.5.

[geïntimeerde] heeft hierna op 11 mei 2010 een akte houdende uitlating genomen en op 13 juli 2010 een akte houdende pro-ducties, met daarop vermeld 6 juli 2010.

1.6.

[appellanten] heeft op 6 juli 2010 de stukken gefourneerd en het hof gevraagd arrest te wijzen op de stukken van beide in-stanties.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbe-treffende memories.

3 Waarvan het hof uitgaat

3.1.

In het vonnis waarvan beroep is een aantal feiten vast-gesteld, onder 1 tot en met 15. In het incidenteel appel wordt erover geklaagd, naar het hof begrijpt, dat de vaststelling van de feiten niet compleet is. Deze klacht zal bij de behan-

deling van de grieven in het incidenteel appel, voor zover van belang, aan de orde komen.

3.2.

Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

[appellanten] is eigenaar van een monumentaal pand aan de [adres] (hierna: het pand) te [plaats].

3.2.2.

[appellanten] heeft per 1 september 2000 aan de Stichting W.I.A. (hierna: de Stichting) de bedrijfsruimte aan de achter-zijde van het pand, in casco staat, verhuurd. De huurprijs voor de bedrijfsruimte bedroeg € 4.094,92 exclusief BTW per maand.

3.2.3.

De Stichting houdt zich bezig met het creëren van ge-subsidieerd werk voor werklozen. Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst was [geïntimeerde] penningmeester en bestuurslid van de Stichting.

3.2.4.

In de schriftelijke huurovereenkomst en de daarvan deel

uitmakende algemene bepalingen is onder meer bepaald:

- het gehuurde is contractueel bestemd voor gebruik als

kantoorruimte;

- het is de Stichting toegestaan een gedeelte van de

kantoorruimte als onzelfstandige woonruimte te laten bewonen

door haar bestuurslid [geïntimeerde];

  • -

    over de huurprijs is omzetbelasting verschuldigd;

  • -

    indien het optieverzoek voor met BTW belaste verhuur niet

wordt ingewilligd, is de Stichting boven de huurprijs een

bedrag verschuldigd dat overeenkomt met het bedrag aan

omzetbelasting dat verschuldigd zou zijn indien het verzoek

wel was ingewilligd;

- de kosten van het aanbrengen van voorzieningen die van

overheidswege in verband met het gebruik van het gehuurde

worden verlangd komen voor rekening van de Stichting; (…).

3.2.5.

De Stichting heeft drie van de vijf verdiepingen van

het gehuurde in eigen beheer tot woonruimte verbouwd voor

[geïntimeerde] en diens gezin, die de woonruimte (hierna: de woning) direct na september 2000 hebben betrokken.

3.2.6.

De Stichting heeft het resterende gedeelte van het gehuurde niet als bedrijfsruimte in gebruik genomen.

3.2.7.

De Stichting heeft vanaf enig moment haar huurver-plichtingen opgeschort, omdat zij het gehuurde niet in ex-ploitatie kon en mocht nemen in verband met, volgens de Stichting, aan [appellanten] verwijtbare omstandigheden, bestaande uit ernstige vochtproblemen en het ontbreken van een brand-meldinstallatie en vluchtweg.

3.2.8.

Vanaf juli 2002 heeft [geïntimeerde] de huurpenningen uit de onderhuurovereenkomst met de Stichting, te weten € 333,21 per maand, direct aan [appellanten] betaald.

3.2.9.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 april 2003 de Stichting veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van achter-stallige huur. Ook heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [appellanten] en de Stichting met betrekking tot de bedrijfsruimte, met inbegrip van de onzelfstandige woonruimte, ontbonden. De Stichting is tevens veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte onder verbeurte van een dwangsom.

Bij arrest van 26 mei 2005 heeft dit hof voornoemd vonnis bekrachtigd. Het door de Stichting ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 1 december 2006 verworpen.

3.2.10.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 11 juni 2003 [geïntimeerde] en zijn echtgenote ver-

oordeeld binnen 24 uur na betekening van het vonnis het pand te ontruimen. Bij arrest van 3 juli 2003 van dit hof is dit vonnis bekrachtigd.

3.2.11.

Op 16 juni 2003 is het pand ontruimd.

3.2.12.

De Stichting is op 29 mei 2007 op verzoek van [appellanten] failliet verklaard.

3.2.13.

In de onderhavige procedure vordert [appellanten] de ver-oordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan hem van het door de Stichting aan hem verschuldigde bedrag van € 130.519,94 met rente en kosten. [appellanten] baseert deze vordering, kort samengevat, op het feit dat [geïntimeerde] als bestuurder van de Stichting, die daarin bovendien feitelijk de dienst uitmaakte, kan worden verweten dat de Stichting haar (huur)verplichtingen niet is nagekomen. [geïntimeerde] wist bij het aangaan van de huur-overeenkomst dat de Stichting niet aan haar verplichtingen zou voldoen. Voorts heeft [geïntimeerde] er niet voor gezorgd dat de Stichting de verschuldigde huurpenningen heeft gereserveerd, terwijl de Stichting thans geen verhaal meer biedt, aldus [appellanten].

3.2.14.

[geïntimeerde] heeft een en ander gemotiveerd betwist. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in reconventie, kort samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat [appellanten] aansprake-

lijk is voor de schade - op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet - die [geïntimeerde] heeft geleden door het niet verlenen van het woongenot door [appellanten] van de door [geïntimeerde] gehuurde zelfstandige woning. Daarnaast heeft

[geïntimeerde] gevorderd [appellanten] te veroordelen hem opnieuw het woongenot van de woning te verschaffen dan wel [geïntimeerde] schadeloos te stellen voor het ontbreken van dat huurgenot.

[geïntimeerde] heeft deze vorderingen gegrond op het feit dat zijn gezin en hij op grond van het hiervoor onder 3.2.10 genoemde kort geding-vonnis ten onrechte de woning hebben moeten ont-ruimen, omdat de woning was aan te merken als zelfstandige
woonruimte, waardoor aan [geïntimeerde] de bescherming op grond van artikel 7A:1623k BW toekwam. [appellanten] heeft dit gemotiveerd betwist.

3.2.15.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep – voor zover in appel van belang – zowel de vorderingen in conventie als de vorderingen in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellanten] tot betaling van de proceskosten in conventie en met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in reconventie.

3.2.16.

De kantonrechter heeft, kort samengevat, overwogen dat de vordering van [appellanten] dient te worden afgewezen, omdat [appellanten] in het licht van het door [geïntimeerde] geformuleerde verweer onvoldoende heeft gesteld. De vordering van [geïntimeerde] is afgewezen, omdat – aldus de kantonrechter - aan [geïntimeerde] niet de bescherming toekomt van het destijds geldende artikel 7A:1623k BW.

4 Behandeling van het hoger beroep

4.1.

Behandeling van het principaal appel.

4.1.1.

De door [appellanten] aangevoerde grieven, gericht tegen het in conventie gewezen vonnis, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.1.2.

In de door [appellanten] geformuleerde grieven ligt, naar

de kern genomen, besloten dat [geïntimeerde] wordt verweten dat hij

als bestuurder van de Stichting - en de Stichting feitelijk

(alleen) vertegenwoordigend - persoonlijk ernstig verwijtbaar

jegens [appellanten] heeft gehandeld doordat hij:

1) op het moment waarop de Stichting de huurovereenkomst aan-

ging wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de

Stichting haar huurverplichtingen niet zou kunnen

nakomen;

2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de Stichting de

verplichtingen uit de eerder door haar aangegane huur-

overeenkomst niet nakwam, waardoor – doordat de Stichting

geen verhaal meer bood - aan [appellanten] schade is

berokkend.

4.1.3.

[geïntimeerde] betwist een en ander gemotiveerd. Hij wijst er

– kort weergegeven - op dat de Stichting ten tijde van het

aangaan van de huurovereenkomst naast hem nog drie andere

bestuursleden had en dat het besluit de huurovereenkomst aan te gaan door het bestuur en niet alleen door hem is genomen. Bovendien heeft de Stichting, aldus [geïntimeerde], ondanks ontstane

vochtproblemen, waardoor de Stichting de twee kantooretages niet kon betrekken, de eerste anderhalf jaar de huurpenningen

betaald. Hierna heeft, aldus voorts [geïntimeerde], het voltallig

bestuur van de Stichting op advies van haar advocaat besloten

vanaf het najaar 2001/winter 2002 de betaling van de huur op

te schorten in verband met de ernstige vochtproblemen en een

verbod van de gemeente Haarlem het pand te gebruiken als kan-

toor. Wel reserveerde de Stichting (een deel van) de huur op

de derdenrekening van haar advocaat, maar na een door de

Stichting gewonnen – door [appellanten] aangespannen – kort geding

werd het gereserveerde geld op 1 oktober 2002 door de advocaat

van de Stichting teruggestort op de rekening van de Stichting.

De Stichting en haar bestuursleden leefden hierdoor, tot het

onder 3.2.9 genoemde vonnis van de kantonrechter van 16 april

2003, in de veronderstelling dat zij niet gehouden waren de

huurpenningen te betalen en dat zij gerechtigd waren de huur-

betaling op te schorten. Voorts wijst [geïntimeerde] op na de huur-

opschorting ontstane onvoorziene problemen met de subsidiever-

strekking aan de Stichting, waardoor de liquiditeitspositie

van de Stichting onder druk kwam te staan en er keuzes gemaakt

moesten worden bij het doen van betalingen. Ter onderbouwing

hiervan heeft [geïntimeerde] een verklaring overgelegd van voormalig

medebestuurslid (voormalig secretaris) P. Roodenburg d.d.

3 december 2007. Indien de Stichting het pand wel had kunnen

betrekken had de Stichting extra inkomsten kunnen genereren en

de huurpenningen wel kunnen voldoen. Ter adstructie hiervan

legt [geïntimeerde] een brief van de heer [X], AA accountant,

d.d. 30 september 2003 over. [geïntimeerde] bestrijdt tot slot dat de Stichting geen verhaal meer biedt.

4.1.4.

In verband met het eerste verwijt wordt geoordeeld dat,

nu [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de Stichting gedurende de

eerste anderhalf jaar de huur heeft betaald en [appellanten] dit

niet heeft ontkend, [appellanten] zijn te dier zake relevante

stellingen – gezien het verweer – ook thans onvoldoende heeft

onderbouwd. Dit klemt temeer nu [appellanten] ter zake van dit

verwijt in hoger beroep niet anders of meer heeft gezegd/aan-

gevoerd dan hij in eerste aanleg heeft gedaan.

4.1.5.

Naar aanleiding van het tweede verwijt wordt overwogen

dat alvorens tot aansprakelijkheid van een bestuurder van een

rechtspersoon te kunnen komen, feiten en omstandigheden dienen

te worden gesteld (en bij gemotiveerde betwisting bewezen) op

grond waarvan kan worden geoordeeld dat de bestuurder wist of

redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem be-

werkstelligde of toegelaten handelswijze van de rechtspersoon

tot gevolg zou hebben dat die rechtspersoon haar verplichtin-

gen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als

gevolg daarvan optredende schade.

4.1.6.

[geïntimeerde] heeft [appellanten] stelling dat hem in dit op-zicht een verwijt treft gepareerd met het verweer dat het niet betalen van de huur werd veroorzaakt door onvoorziene proble-men met de subsidieverstrekking, waardoor aan de zijde van de Stichting betalingsonmacht is ontstaan. [appellanten] heeft dit verweer in eerste aanleg niet betwist en hij heeft het ook thans in hoger beroep onvoldoende onderbouwd weersproken. [appellanten] herhaalt in hoger beroep slechts hetgeen hij in eerste aanleg reeds naar voren heeft gebracht. Daarmee kan [appellanten] niet volstaan. Zijn stellingen zijn in het licht van voornoemd verweer van [geïntimeerde] en in het licht van de hiervoor in overweging 4.1.5 omschreven maatstaf onvoldoende concreet om daarop te kunnen baseren dat [geïntimeerde] wist, althans behoor-de te begrijpen, dat de (mede) door hem bewerkstelligde of toegelaten handelswijze van de Stichting tot gevolg zou hebben dat de Stichting haar verplichtingen jegens [appellanten] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal meer zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade. Het had in ieder geval in hoger beroep op de weg van [appellanten] gelegen zijn stellingen met nadere gegevens aan te vullen en nader, door middel van (financiële) stukken, te onderbouwen. Nu dit niet is gebeurd falen ook in dit opzicht de grieven. Het vorenstaande brengt tevens mee dat aan het door [appellanten] gedane bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Er dient immers eerst voldoende te worden gesteld voordat bewijslevering aan de orde kan zijn.

4.2.

Behandeling van het incidenteel appel.

4.2.1.

[appellanten] heeft naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep allereerst naar voren gebracht dat een duidelijke vordering ontbreekt, dat de memorie van grieven in incidenteel appel dient te worden beschouwd als een “obscuur libel” en dat [geïntimeerde] in zijn appel derhalve niet kan worden ontvangen. Het hof volgt [appellanten] hierin niet.

4.2.2

In het incidenteel hoger beroep vormt, gelet op de ar-tikelen 130 en 353 Rv, de vordering van [geïntimeerde] zoals in eerste aanleg gewijzigd de inzet van de rechtsstrijd; het hof leest in de memorie van grieven in incidenteel appel geen nieuwe verandering van eis. [geïntimeerde] heeft bovendien gronden aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt op welke punten hij zich niet met het bestreden vonnis kan verenigen en waarom hij meent dat die vordering alsnog toewijzing verdient. Hij kan daarom in het incidenteel beroep worden ontvangen.

4.2.3.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel, dat zich richt tegen het in reconventie gewezen vonnis, zes grieven geformu-leerd. De grieven I, II, III en V behoeven, nu het principaal beroep faalt en deze grieven onder voorwaarde van het slagen van het principaal beroep zijn ingesteld, geen behandeling.

4.2.4.

In grief IV stelt [geïntimeerde] – naar het hof begrijpt – dat de door de rechtbank vastgestelde feiten met andere feiten dienen te worden aangevuld. Deze grief miskent dat een rech-terlijk vonnis, naar volgt uit het bepaalde in artikel 230, eerste lid aanhef en onder e, Rv, uitsluitend de feiten be-hoeft te vermelden waarop de beslissing rust. In de bepaling daarvan is de rechter in beginsel vrij. Het vonnis hoeft geen naar volledigheid strevende opgave te bevatten van al hetgeen tussen partijen in verband met hun geschil is voorgevallen. Niet bestreden is voorts dat de aangevallen beslissing op de door de rechtbank vastgestelde feiten rust. De grief is der-halve in zoverre tevergeefs voorgesteld. Voor zover de grief zich – naar het hof begrijpt - tevens richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de bescherming ontbeert van het destijds geldende artikel 7A:1623k BW wordt verwezen naar hetgeen hierna met betrekking tot grief VI zal worden over-wogen.

4.2.5.

Grief VI richt zich – naar het hof begrijpt - tegen het oordeel van de kantonrechter dat aan [geïntimeerde] niet de bescher-ming toekomt uit het destijds geldende artikel 7A:1623k BW.

Dit oordeel is volgens [geïntimeerde] niet juist.

4.2.6.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden – die het hof tot de zijne maakt – heeft overwogen dat aan [geïntimeerde] niet de bescherming toekomt van het destijds gel-dende artikel 7A:1623k BW. Het beroep van [geïntimeerde] op artikel 8 EVRM maakt dat niet anders, nu ook dit artikel geen onbe-perkt recht op woongenot verschaft en niet gebleken is dat in casu niet is gebleven binnen de beperkingen die op grond van dit artikel zijn toegestaan.

4.2.7.

Een en ander brengt mee dat grief VI faalt. Dit geldt, op dezelfde gronden als door de kantonrechter overwogen bij zijn beoordeling van de vordering van [geïntimeerde], eveneens voor dat deel van grief IV waarover hiervoor onder 4.2.4. nog niet was geoordeeld.

4.3.

Slotconclusie van dit alles is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, dat [appellanten] zal worden ver-oordeeld in de kosten van het principaal appel en dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

5 Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

in het principaal appel:

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 262,- aan verschotten en op € 3.948,- aan salaris advocaat;

in het incidenteel appel:

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding tot op heden begroot aan de zijde van [appellanten] op € 447,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad,

A.H.A. Scholten en S. Clement en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 oktober 2010 door de rolraadsheer.