Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:2265

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
200.025.408-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2010

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

APPELLANTE IN PRINCIPAAL BEROEP,

GEÏNTIMEERDE IN VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. M.J.M. Postma te Utrecht,

t e g e n

de maatschap naar burgerlijk recht ACCENTURE,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTE IN VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [appellante] en Accenture genoemd.

Bij dagvaarding van 24 november 2008 is [appellante] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 4 oktober 2001, 30 maart 2006, 15 februari 2007 en 8 september 2008 van de rechtbank Amsterdam (sector kanton, locatie Amsterdam), hierna: de kantonrechter, in deze zaak onder nummer CV 01-1840.3 gewezen tussen [appellante] als eiseres en Accenture als gedaagde.

[appellante] heeft bij memorie elf grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

  1. zal verklaren voor recht dat Accenture op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog lijdt als gevolg van het werken bij Accenture waardoor zij RSI heeft gekregen,

  2. Accenture zal veroordelen om aan haar te betalen

a. De vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden overige schade en te maken kosten, waaronder verlies aan arbeidsvermogen, schade als gevolg van verlies van zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid, schade als gevolg van economische kwetsbaarheid, gemaakte en te maken kosten, een en ander als gevolg van het werken bij Accenture waardoor zij RSI heeft gekregen, deze schade en kosten nader op te maken bij staat en te vereffenen naar de wet,

b. Een bedrag ad € 68.067,32 aan voorschot op de geleden of nog te lijden schade en op de gemaakte en nog te maken kosten,

c. Een bedrag ad € 2.268,90 aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten,

d. De wettelijke rente telkens over de sub a t/m c genoemde posten vanaf 1 januari 1999 tot de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van Accenture in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel beroep heeft Accenture de grieven bestreden, bewijs aangeboden, harerzijds voorwaardelijk – indien en voor zover het hof het bestreden eindvonnis van de kantonrechter mocht vernietigen - twee grieven in incidenteel beroep aangevoerd en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, althans (indien en voor zover aan de behandeling van het voorwaardelijk incidenteel beroep wordt toegekomen) dat het hof het bestreden eindvonnis van de kantonrechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, die onderdelen zal verbeteren, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [appellante] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [appellante] de incidentele grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de grieven van Accenture zal verwerpen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van Accenture in de kosten van het incidenteel appel.

Ten slotte hebben partijen aan het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2 Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de desbetreffende memories.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 1 van het vonnis van 4 oktober 2001, onder 1.1 t/m 1.4, een aantal feiten als uitgangspunt vermeld. In het van dat vonnis ingestelde hoger beroep heeft de rechtbank bij onherroepelijk vonnis van 9 april 2003 overwogen dat in hoger beroep tegen die vaststelling van de feiten geen bezwaren zijn aangevoerd zodat ook de rechtbank van die feiten uitgaat. Aangezien deze feiten ook wat Accenture betreft niet in geschil zijn, zal ook het hof deze feiten tot uitgangspunt nemen.

4 Beoordeling

4.1.

Voor zover het onderhavige hoger beroep van [appellante] zich mede uitstrekt tot het vonnis van 4 oktober 2001 moet [appellante] in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Van dat vonnis heeft [appellante] immers reeds eerder hoger beroep ingesteld en het instellen daarvan is slechts eenmaal mogelijk. Grief 1 van [appellante] moet daarom buiten behandeling blijven. Het hof begrijpt dat het hoger beroep van [appellante] zich niet uitstrekt tot het vonnis van 30 maart 2006 (bij welk vonnis de kantonrechter, zonder verdere beslissingen, een comparitie van partijen heeft gelast).

4.2.

[appellante] is op 1 juli 1996 bij Accenture in dienst getreden als consultant. Zij heeft zich op 7 april 1998 ziek gemeld. Na een jaar arbeidsongeschiktheid kreeg zij een volledige WAO uitkering per april 1999. Accenture heeft deze uitkering gedurende zes maanden onverplicht aangevuld tot het op dat moment voor [appellante] geldende salaris van f 8.687,- bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter ontbonden met ingang van 6 juli 2000. [appellante] kreeg daarbij een vergoeding van f 17.374,-. De ziekmelding per 7 april 1998 was een gevolg van de klachten die [appellante] had aan het bovenste bewegingsapparaat.

4.3.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat haar (RSI-) klachten het gevolg zijn van de werkzaamheden die zij bij Accenture verrichtte en dat Accenture op de voet van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor haar schade.

4.4.

Bij vonnis van 4 oktober 2001 heeft de kantonrechter overwogen dat hij de term RSI overneemt “zonder dat daaraan enige waarde over het al dan niet bestaan van RSI in de daaraan door de medische wereld gegeven betekenis kan worden gehecht“. Hij heeft voorts overwogen dat [appellante] heeft te stellen en te bewijzen dat zij RSI heeft gekregen door de uitoefening van haar werkzaamheden. Pas als dit is komen vast te staan, zal – aldus het vonnis - worden ingegaan op de verdere punten van het debat tussen partijen en worden beslist of Accenture heeft nagelaten die maatregelen te treffen die noodzakelijk waren om het ontstaan van RSI bij [appellante] te voorkomen. De kantonrechter heeft verder overwogen dat het voor de hand ligt dat een deskundigenbericht wordt ingewonnen dat [appellante] kan helpen bij aanleveren van het bewijs van haar stellingen. De kantonrechter heeft vervolgens een comparitie van partijen gelast om met partijen een en ander te bespreken.

4.5.

Van dat tussenvonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij vonnis van 9 april 2003 geoordeeld dat in deze zaak nog niet vast staat dat sprake is van een ziektebeeld dat te wijten kan zijn aan de werksituatie en dat er dus (nog) geen sprake is van een situatie waarin het door [appellante] te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen moet worden indien Accenture niet aangeeft op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan de op haar op grond van artikel 7:658 BW rustende zorgplicht ten aanzien van [appellante] . De rechtbank heeft het eerdergenoemde vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

4.6.

Na comparitie en voortgezet schriftelijk debat heeft de kantonrechter bij vonnis van 15 februari 2007 vooropgesteld dat [appellante] als eiseres zal dienen te stellen en zonodig bewijzen dat zij de door haar gestelde schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, zoals overwogen in het vonnis van 4 maart 2001 (het hof leest: 4 oktober 2001) van haar ambtgenoot. De overwegingen van de kantonrechter in het vonnis van 15 februari 2007 laten zich als volgt weergeven. Het geschil kan niet zonder nadere vaststelling van de betwiste feiten en omstandigheden met betrekking tot de werkzaamheden van [appellante] worden beslist. Daarbij gaat het om de opgedragen werkzaamheden van [appellante] , de wijze waarop zij aan die werkzaamheden uitvoering moest geven (feitelijk zowel als naar tijdsdruk), welke materialen en welke werkplek zij daarvoor van Accenture ter beschikking gesteld kreeg, en dit in beginsel tot haar uitval op 7 april 1998. Daarna komt aan de orde of de aldus vastgestelde door [appellante] verrichte werkzaamheden oorzaak zijn van haar klachten en geleid hebben tot haar uitval op 7 april 1998. Voor dit causaal verband lijkt het aangewezen dat [appellante] gebruik maakt van de mogelijkheid een (onafhankelijke) deskundige een oordeel te vragen. Pas daarna is het aan Accenture om te stellen en te bewijzen dat zij die maatregelen heeft genomen die nodig zijn of waren om de dan aannemelijk geworden schade te voorkomen, met andere woorden of zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter heeft [appellante] vervolgens toegelaten te bewijzen “hetgeen hiervoor in dit vonnis als te bewijzen is geformuleerd”.

4.7.

Na getuigenverhoor en conclusiewisseling heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 8 september 2008 – anders dan zij bij vonnis van 15 februari 2007 in het vooruitzicht had gesteld, buiten het na het eerdere tussenvonnis ontwikkelde partijdebat en gebruikmakend van getuigenverklaringen die niet waren afgelegd in het kader van een bewijsopdracht betreffende de zorgplicht – geoordeeld dat Accenture niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Na nog te hebben overwogen dat er termen zijn om de proceskosten tussen partijen te compenseren, heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen (met compensatie van kosten).

4.8.

Tegen deze beslissing komt [appellante] op in hoger beroep. Het (voorwaardelijk) incidenteel beroep van Accenture heeft betrekking op de beslissing van de kantonrechter de proceskosten te compenseren en de overweging dat aan het bestaan en voortbestaan van de klachten van [appellante] heden ten dage niet wordt getwijfeld.

4.9.

Het hof zal eerst grief 9 van [appellante] bespreken. Daarin komt zij op tegen het oordeel van de kantonrechter dat, kort gezegd, Accenture niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht.

4.10.

Naar aanleiding van deze grief zal worden beoordeeld wat de zorgplicht van Accenture in de periode 1996-1998 inhield.

4.11.

De Arbowetgeving verplichtte de werkgever – ook al in de relevante periode – zich te laten informeren over de stand van de wetenschap met betrekking tot risico’s en preventie, risico’s in het bedrijf te inventariseren, passende maatregelen te treffen en voorlichting en onderricht te geven. Op grond van de Arbowet 1980 gold de algemene verplichting voor de werkgever om een eigen preventief beleid te voeren in het kader van de zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn bij de arbeid. Daartoe diende de werkgever onder meer de inrichting van de arbeidsplaatsen op ergonomisch verantwoorde wijze aan de werknemer aan te passen en de werknemers te informeren over gevaren en te instrueren ten aanzien van regels ter beheersing van die gevaren. De Arbowet 1998 kent gelijksoortige verplichtingen. Informatie over de risico’s werd verstrekt door de Arbeidsinspectie door middel van Voorlichtingsbladen. Een gedeelte van de in 1990 uitgegeven tweede druk van het Voorlichtingsblad V 13 is door [appellante] overgelegd (bijlage bij productie 7 bij inleidende dagvaarding). Dit voorlichtingsblad behandelt de gezondheidsklachten die in relatie met beeldschermwerk worden gebracht (de term RSI wordt met zoveel woorden genoemd) en geeft aanbevelingen om problemen te voorkomen. Sinds mei 1990 is er voorts de Europese richtlijn nr. 90/270/EEG betreffende de minimum voorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur. Deze richtlijn is verwerkt en opgenomen in het op 31 december 1992 in werking getreden Besluit beeldschermwerk (Stb. 1992, 677). Op grond van dit besluit is de werkgever onder meer verplicht tot een analyse van de risico’s voor het gezichtvermogen en van de lichamelijke en geestelijke belasting van beeldschermwerk (RI&E), tot het treffen van passende maatregelen om de risico’s te ondervangen, tot organisatie van het werk zodanig dat telkens na ten hoogste twee uren het werk wordt afgewisseld met andersoortig werk of een rustpauze en tot inrichting van de werkplek conform vastgestelde voorschriften (betrekking hebbend onder meer op apparatuur (waaronder werktafel en stoel) en omgeving). Voor inrichting van bestaande werkplekken gold op grond van het Besluit beeldschermwerk een overgangstermijn. Deze dienden uiterlijk per 31 december 1994 te zijn aangepast aan de eisen van het Besluit beeldschermwerk. Het Besluit beeldschermwerk is per 1 juli 1997 vervallen en de belangrijkste bepalingen daarvan zijn overgenomen in het Arbobesluit 1997. Het voorlichtingsblad P 184 ( [appellante] spreekt in haar memorie van grieven onder 3.1.2 abusievelijk van P 183) “Werken met Beeldschermen”, uitgegeven in 1993, geeft een groot aantal op het Besluit beeldschermwerk gebaseerde eisen en aanbevelingen ter voorkoming van problemen. Ook in dit voorlichtingsblad wordt ingegaan op RSI.

4.12.

Uit het vorenstaande volgt dat ook in de relevante periode reeds sprake was van voor beeldschermwerkers geldende normen. Het verweer van Accenture dat niet van haar kon worden verwacht dat zij, voordat zij werd geconfronteerd met de klachten van [appellante] , van de diverse maatregelen die werden gekwalificeerd als preventief voor RSI-aandoeningen op de hoogte was (conclusie van antwoord onder 14) kan derhalve geen stand houden. Hetzelfde geldt voor haar daar gevoerde verweer dat op grond van het door haar genoemde advies van de Gezondheidsraad op grond van de huidige stand van de wetenschap niet eens bekend is of de als preventief gekwalificeerde maatregelen ook werkelijk preventief (effectief) zijn. De zorgplicht van de werkgever brengt mee dat niet kan worden gewacht met het treffen van preventieve maatregelen totdat de effectiviteit daarvan wetenschappelijk is bewezen. Het hof voegt hieraan toe dat gesteld noch gebleken is dat de hiervoor bedoelde normen en aanbevelingen op grond van de huidige stand van de wetenschap inmiddels als achterhaald moeten worden beschouwd. Accenture heeft voorts als verweer gevoerd dat zij naar aanleiding van de klachten van [appellante] er alles aan gedaan heeft om te onderzoeken en te begrijpen wat er aan de hand was en dat zij zich vanaf 1998 (het hof begrijpt: na de ziekmelding door [appellante] ) uitgebreid is gaan verdiepen in de RSI-problematiek. Accenture heeft in dit verband genoemd: het openen in november 1998 van een site op haar intranet met oefeningen die RSI kunnen voorkomen, het sinterklaasgeschenk aan alle medewerkers (een mousepad met “gouden regels ter voorkoming van RSI”), het organiseren van workshops, het instellen van een spreekuur van de bedrijfsarts over arbeidsomstandigheden en de deelname aan een studiedag over RSI-management. Een en ander doet echter niet af aan de verplichtingen die Accenture reeds voordien had en die haar noopten tot actief beleid.

4.13.

Intussen volgt uit het hiervoor besproken verweer van Accenture genoegzaam dat niet kan worden aangenomen dat zij heeft voldaan aan de toen geldende normen. Van informatie en instructie – normen die Accenture ook zonder klachten van [appellante] had moeten naleven - aan [appellante] is, zoals reeds uit de eigen stellingen van Accenture volgt, geen sprake geweest. Zulks strookt ook met de inhoud van het door [appellante] als productie 5 bij inleidende dagvaarding overgelegde arbo-jaarverslag (“In het eerste halfjaar van 1998 werden we geconfronteerd met RSI. Op een bepaald moment had een tiental mensen er last van. In nauw overleg met de bedrijfsarts en een ergonoom van Arbo Groep Gak zijn we met dit voor ons nieuwe fenomeen aan de slag gegaan.”) en met de inhoud van een e-mailbericht van [A] van 4 juni 1999, productie 8 bij inleidende dagvaarding (“Best wel veel van onze collega’s hebben last van RSI of zijn om een of andere reden langdurig ziek. Als organisatie hebben we hier nog nooit eerder in die mate mee te maken gehad en we moeten dus nog leren hoe daar mee om te gaan. Op initiatief van HR zijn Sociaalmedische teams samengesteld die voor ieder afzonderlijk een plan van aanpak gaan opstellen. Ook is de preventie rondom RSI op gang gekomen, deels op initiatief van diegenen die erdoor getroffen zijn.”)

4.14.

De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat het verweer van Accenture dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht alsnog moet worden verworpen. Mogelijk heeft Accenture met haar stellingen omtrent de effectiviteit van preventieve maatregelen bedoeld te betogen dat óók indien zij in zoverre aan haar zorgplicht zou hebben voldaan, de klachten van [appellante] niet zouden zijn voorkómen. Ook aldus opgevat faalt het verweer. Ook hier geldt dat gesteld noch gebleken is dat de hiervoor bedoelde normen en aanbevelingen op grond van de huidige stand van de wetenschap inmiddels als achterhaald moeten worden beschouwd. Voor zover Accenture het verweer heeft gevoerd dat het causaal verband ontbreekt tussen een eventuele schending van de zorgplicht en de door [appellante] geleden schade en zij daarbij het oog heeft gehad op het hypermobiliteitssyndroom bij [appellante] , geldt dat eventuele predispositie bij [appellante] respectievelijk eventuele preëxistente klachten bij haar een rol kan (kunnen) spelen bij het hierna nog aan de orde komende causaal verband dan wel bij de schadeberekening.

4.15.

Grief 9 van [appellante] slaagt. Op hetgeen de kantonrechter in dit verband nog heeft overwogen – dat van [appellante] verwacht mocht worden dat zij zelf voldoende afwisseling in haar werk aanbracht, dat niet maatgevend is dat zij een bepaalde (“relatief beperkte”) tijd aan een standaard vergadertafel met stoel gedurende meerdere uren per dag werkzaamheden heeft verricht met gebruikmaking van een standaard laptop, dat zelfs vandaag de dag volstrekt onduidelijk is wat de risicofactoren zijn voor de klachten van [appellante] en dat van [appellante] kon worden verwacht dat zij de werkdruk of de klachten eerder ter sprake bracht -, behoeft verder niet te worden ingegaan.

4.16.

Het hof zal thans ingaan op de door [appellante] gestelde klachten. Bij vonnis van 9 april 2003 heeft de rechtbank (onder 10) overwogen dat [appellante] – behalve de mededeling dat zij klachten heeft aan nek, schouders, ellebogen, polsen en handen - niet heeft omschreven wat de precieze aard van haar klachten is, wanneer deze klachten zich voor het eerst voordeden, hoe het verloop van die klachten was, wat de eindtoestand met betrekking tot die klachten is en dat er geen medische rapport of ander stuk is overgelegd waar dergelijke feiten uit zouden kunnen blijken. Bij die stand van zaken zou [appellante] , aldus de rechtbank, haar stellingen op het punt van de aard van haar ziekte of klachten nader moeten preciseren en onderbouwen, hetgeen mogelijk in het kader van de door de kantonrechter bepaalde comparitie aan de orde zou kunnen komen. [appellante] heeft vervolgens bij akte stukken uit haar medisch dossier in het geding gebracht. Zij verwijst onder meer naar brieven van neuroloog [B] (MB5), revalidatiearts [C] (MB6), mensendiecktherapeut [D] (MB7) en revalidatiearts [E] (MB14). In deze stukken wordt melding gemaakt van klachten bij [appellante] sinds half januari 1998. Gesproken wordt van “cervicobrachialgie rechts, met verschijnselen van costoclaviculaire compressie bij halsribben. Tevens kyphotische stand van de CWK”, van “RSI”, van “progressieve, stekende pijn in de rechter pols, hand en vingers doortrekkend naar de nek- en schoudergordel. Soms ook gevoelens van krachteloosheid” en van “chronische cervicobrachialgie, 5 jaar geleden begonnen als een RSI”.

4.17.

Accenture betwist weliswaar niet dat [appellante] arbeidsongeschikt is, maar wel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellante] “een RSI-gerelateerde aandoening” heeft. Accenture heeft betwist dat [appellante] geen klachten aan het bovenste bewegingsapparaat had bij aanvang van de werkzaamheden bij Accenture. Zij heeft voorts aangevoerd niet te weten of de arbeidsongeschiktheid (uitsluitend) gebaseerd is geweest op klachten aan het bovenste bewegingsapparaat. Zij heeft betwist dat medisch objectiveerbare afwijkingen zijn geconstateerd. Omdat de klachten van [appellante] niet medisch objectiveerbaar zijn en ook niet leiden tot een medische diagnose, valt [appellante] onder de grote groep bij wie sprake zou zijn van aspecifieke RSI. Dat maakt het extra ongrijpbaar en onduidelijk, aldus Accenture.

4.18.

Gelet op deze betwisting door Accenture van de aard van de klachten van [appellante] en nu de door [appellante] overgelegde medische verslagen in hoge mate gebaseerd lijken te zijn op de anamnese, zal het hof een deskundigenbericht bevelen ter beantwoording van de vraag of [appellante] lijdt aan RSI (of RSI-achtige klachten) of op enig moment na 7 april 1998 aan RSI (of RSI-achtige klachten) heeft geleden. Naar aanleiding van de tweede incidentele grief van Accenture zal het hof voorts aan de deskundige(n) de vraag voorleggen of er thans nog restklachten/verschijnselen zijn die als gevolg van de werkzaamheden van [appellante] bij Accenture kunnen worden aangemerkt en of thans sprake is van een eindtoestand.

4.19.

Tussen partijen is voorts in geschil het causaal verband tussen de klachten van [appellante] en haar werkzaamheden bij Accenture. Volgens Accenture heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden haar klachten (kunnen) hebben veroorzaakt. Bovendien is, aldus Accenture, gebleken dat [appellante] een uitgebreide medische voorgeschiedenis heeft die haar klachten kan veroorzaken. Zij heeft daarbij gewezen op het hypermobiliteitssyndroom en op psychische problematiek. Deze beide factoren kunnen volgens Accenture het ontstaan van haar klachten verklaren.

4.20.

Ook ter zake van dit geschilpunt heeft het hof behoefte aan deskundige voorlichting. Met het oog daarop zal het hof eerst beoordelen wat in de periode tot de ziekmelding van [appellante] op 7 april 1998 omtrent haar taken en werkomstandigheden vast is komen te staan.

4.21.

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis onder 2.1 t/m 2.6 met betrekking tot de door [appellante] verrichte werkzaamheden een aantal feiten en omstandigheden vastgesteld. Tegen de vaststelling onder 2.1 en 2.2 is [appellante] niet opgekomen. Accenture betwist dat [appellante] in 1998 zo’n anderhalve maand in vergaderzalen heeft gewerkt, maar deze betwisting houdt geen stand. Hetgeen de kantonrechter op dit punt heeft vastgesteld onder 2.1 vindt voldoende steun in de afgelegde getuigenverklaringen. In grief 5 maakt [appellante] bezwaar tegen de vaststelling (onder 2.3) dat op een drukke tijd gebruikelijk een paar dagen rust volgde. Men zou, aldus [appellante] , hieruit kunnen afleiden dat zij na een drukke tijd een paar dagen niet werkte of het kalmpjes aan deed. Volgens haar was na een deadline even de druk van de ketel, meer niet. Het hof leest de verklaring van [F] (waaraan de bewuste passage uit het vonnis kennelijk is ontleend) niet anders dan dat drukke tijden werden afgewisseld met perioden dat het minder druk was (vergelijk ook de verklaring van [G] ). De grief berust dus op een verkeerde lezing van het vonnis. Het hof zal hierna bij zijn weergave van de werkomstandigheden met een en ander rekening houden. In grief 6 stelt [appellante] dat er een behoorlijke werkdruk was, dat er nogal eens deadlines moesten worden gehaald en dat er dan niet veel van haar werk en de te nemen pauzes viel in te delen. Accenture betwist in haar reactie op grief 6 dat sprake was van een behoorlijke werkdruk. [appellante] heeft als getuige verklaard dat de druk van het werk werd bepaald door deadlines. Haar verklaring strookt op dit punt met die van [F] (“Met name voor een besluitvormingsmoment was het druk”) en die van [G] (“Wat de tijdsdruk van het project betreft die is groot als een deadline gehaald moet worden”). Uit de verklaring van [F] leidt het hof echter ook af dat zich regelmatig deadlines voordeden (“Ze werkte hard.(…) Deadlines zijn gewoon vanwege de besluitvorming die plaats moet vinden.(…) We maakten lange dagen”). Aldus is genoegzaam komen vast te staan dat [appellante] hard werkte en dat de indeling van het werk en de te nemen pauzes regelmatig werden gedicteerd door deadlines die moesten worden gehaald. Het hof zal ook deze omstandigheid hierna bij de weergave van de werkomstandigheden tot uitdrukking brengen. In zoverre is de klacht van [appellante] gegrond. De grieven 7 en 8 zijn gericht tegen de vaststelling onder 2.5 respectievelijk 2.6. Naar aanleiding hiervan zal het hof rekening ermee houden dat [F] heeft verklaard dat hij bemerkte dat [appellante] last had toen zij de muis met haar andere hand ging bedienen, dat [appellante] zei dat dat was omdat ze last had van haar arm en schouder en dat zij daarover een paar keer hebben gesproken. In zoverre slagen ook deze klachten. Voor zover onder 2.5 en 2.6 omstandigheden zijn genoemd die met de taken of werkomstandigheden van [appellante] niet te maken hebben, heeft [appellante] onvoldoende belang bij haar klachten.

4.22.

Met betrekking tot de taken en werkomstandigheden kan derhalve van het volgende worden uitgegaan.

  1. . [appellante] heeft in 1996, 1997 en 1998 voor Accenture werkzaamheden verricht. Zij werd op wisselende projecten ingezet. In 1997 heeft zij gewerkt aan een IT-project en in 1998 aan een outsourcing-project. In 1997 werkte zij aan een bureau met een vaste computer, In 1998 zat [appellante] aan vergadertafels. Eerst in een vergaderzaal en na anderhalve maand in een kleinere zaal (de ‘war room’).

  2. . De werkzaamheden van [appellante] bestonden uit het voeren en/of bijwonen van besprekingen en meetings, het notuleren daarvan en het uitwerken van de door haar aldus opgeschreven informatie, telefoneren, het lezen van stukken, het voeren van overleg en het verwerken van gegevens in spreadsheets.

  3. . [appellante] werkte in 1998 gemiddeld ongeveer acht tot tien uur per dag, waarvan zes uur met een standaard laptop, afwisselend met het toetsenbord en de muis. De aanvangstijd was tussen acht uur en half negen. Soms werd er gewerkt tot half zes en soms tot elf uur, maar de langere dagen waren een uitzondering. Drukke tijden, waarin deadlines moesten worden gehaald, werden afgewisseld met perioden dat het minder druk was.

  4. . [appellante] deelde haar werk en de te nemen pauzes zelf in, met dien verstande dat de indeling van het werk en de te nemen pauzes regelmatig werden gedicteerd door deadlines die moesten worden gehaald. [appellante] werkte hard. De werkzaamheden werden afgewisseld met koffiedrinken (zo één keer in de anderhalf uur), een praatje met collega’s, collegiaal overleg en normale lunchpauzes, al dan niet buiten de deur of gevolgd door een wandeling buiten. Bij uitzondering schoot de lunch er bij in.

  5. . De sfeer was goed. [appellante] is niet op haar werkwijze, tempo of haar werkzaamheden aangesproken.

  6. . De klachten van [appellante] dateren van medio/eind januari 1998; zij werkte toen ongeveer drie weken met de laptop. In of omstreeks die periode merkte de leidinggevende van [appellante] ( [F] ) dat zij last had toen zij de muis met haar andere hand ging bedienen. [appellante] zei toen dat dat was omdat ze last had van haar arm en schouder. Zij hebben daarover een paar keer gesproken.

4.23.

Zoals hiervoor overwogen, acht het hof deskundigenbenoeming aangewezen. Het hof is voornemens de deskundige(n) de volgende vragen te stellen:

1). Lijdt [appellante] aan chronische klachten aan het bovenste bewegingsapparaat (klachten aan nek, schouders, ellebogen, polsen en handen), kortweg RSI of RSI-achtige klachten of heeft zij op enig moment na 7 april 1998 aan dergelijke klachten geleden?

2). Indien uw antwoord op vraag 1) bevestigend luidt, kunnen deze gezondheidsklachten dan zijn veroorzaakt door de werkzaamheden van [appellante] bij Accenture, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat [appellante] deze werkzaamheden onder de hiervoor onder 4.22 (a t/m f) vermelde omstandigheden heeft verricht? Wilt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk een concrete inschatting geven van de mate van waarschijnlijkheid (uitgedrukt in een percentage) waarmee die gezondheidsklachten van [appellante] door de werkomstandigheden bij Accenture zijn veroorzaakt?

3). Indien uw antwoord op de vragen 1) en 2) bevestigend luidt, kunt u dan vaststellen of er nog andere factoren zijn (zoals pre-existente factoren; genoemd zijn hypermobiliteitssyndroom en psychische problematiek) die aan het ontstaan van die gezondheidsklachten hebben bijgedragen? Indien dit zo is, kunt u deze bijdrage dan in een percentage uitdrukken?

4). Zijn er thans nog restklachten/verschijnselen die als gevolg van de werkzaamheden bij Accenture kunnen worden aangemerkt? Is thans sprake van een eindtoestand?

5). Heeft u overigens nog opmerkingen die voor deze zaak van belang kunnen zijn?

4.24.

Het hof zal partijen – eerst [appellante] , daarna Accenture - in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de hiervoor geformuleerde vragen.

4.25.

Partijen hebben zich reeds (bij conclusie van enquête) uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Het hof stelt zich voor als deskundigen te benoemen Prof. dr. [H] , orthopedisch chirurg, en prof. dr. [I] , revalidatiearts, beiden verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. Partijen kunnen zich hierover echter nog uitlaten.

4.26.

Het voorschot voor de deskundigen dient voorlopig ten laste te komen van [appellante] .

5 Slotsom

De slotsom luidt als volgt. [appellante] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van 4 oktober 2001. De zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlating, eerst door [appellante] en vervolgens door Accenture. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 4 oktober 2001;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 augustus 2010 voor akte aan de zijde van [appellante] tot het hiervoor omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, R.J.F. Thiessen en W.J. van den Bergh, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2010.