Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:2032

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
200.009.526
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zie tussenarrest 13 oktober 2009

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.009.526/01

29 juni 2010

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

APPELLANTE in principaal appel,

GEINTÏMEERDE in incidenteel appel,

advocaat: mr. B.F.M. Evers, kantoorhoudende te Tilburg,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOVUS CONSULTING B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

GEÏNTIMEERDE in principaal appel,

APPELLANTE in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.H.J.G. van Huizen, kantoorhoudende te Rotterdam.

De partijen worden hierna [appellante] en Novus genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Voor het verloop van de procedure tot 13 oktober 2009 verwijst het hof naar het op die datum uitgesproken tussenarrest en de daarin vermelde stukken.

Na dat arrest heeft [appellante] een akte uitlating genomen en Novus een antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen – bij brief respectievelijk H16 formulieren - een gezamenlijk voorstel gedaan voor te benoemen deskundigen.

Ten slotte zijn de stukken van beide instanties overgelegd en is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen deskundige voorlichting te behoeven over de vraag of, ervan uitgaande dat [appellante] in 1999 door Novus is geadviseerd om voor de financiering van het nabestaandenpensioen te kiezen voor een stelsel van gelijkblijvende risicopremies, dit advies de toets (van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam adviseur) kan doorstaan en (in verband daarmee) over de stelling van [appellante] dat in de tweede helft van 1999 voor een redelijk handelend en vakbekwaam pensioenadviseur reeds voorzienbaar was dat de wijze van financiering van het nabestaandenpensioen door middel van gelijkblijvende risicopremies op termijn niet meer als mogelijkheid zou worden aangeboden. Voorts heeft het hof overwogen ook in verband met de eventuele schade van [appellante] in de periode 1 juni 2004 – 1 januari 2005 een vraag aan de deskundige te zullen stellen. In rechtsoverweging 3.10 heeft het hof de vragen geformuleerd die het zich voorstelt in concreto te stellen. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de geformuleerde vragen en een voorstel te doen voor de te benoemen deskundige.

2.2.

Partijen hebben bij akte hun aanmerkingen op de geformuleerde vragen kenbaar gemaakt en vervolgens een gezamenlijk voorstel gedaan voor de te benoemen deskundigen, dat ertoe strekt dat zij elk een deskundige voordragen en dat deze deskundigen gezamenlijk de geformuleerde vragen zullen beantwoorden. Zij hebben beiden de naam van een deskundige genoemd. Het hof zal het voorstel van partijen volgen.

2.3.

[appellante] heeft met betrekking tot de geformuleerde vragen een drietal wijzigingen voorgesteld. Zij stelt voor na de tweede vraag van vraag 1 toe te voegen: “Wilt u in de beantwoording van de vraag ook betrekken of de keuze voor een nabestaandenpensioen op basis van gelijkblijvende risicopremies destijds, derhalve tweede helft 1999, een gebruikelijke keuze was?” Het hof zal deze toevoeging niet overnemen aangezien het al dan niet gebruikelijk zijn van de keuze op zichzelf onvoldoende zegt over de deugdelijkheid van het advies. Voor zover de deskundigen dit element van belang achten, zijn zij vrij dit in het kader van de beantwoording van de eerste vraag mee te nemen. Het tweede voorstel van [appellante] (aan het slot van de laatste vraag van vraag 1 de toevoeging “c.q. niet meer aangeboden zou worden”) zal het hof overnemen, met de aanvulling “door Aegon”. Voor de duidelijkheid voegt het hof hieraan toe dat in het kader van het laatste onderdeel van vraag 1 dan in de eerste plaats aan de orde is of juist is dat een verzekeringsvorm waarbij het nabestaandenpensioen op basis van gelijkblijvende risicopremies werd gefinancierd rond januari 2005 in het geheel niet meer op de verzekeringsmarkt verkrijgbaar was en vervolgens of, indien dit juist is, dit in de tweede helft van 1999 voorzienbaar was. Indien de verzekeringsvorm rond januari 2005 op zichzelf nog wel op de verzekeringsmarkt te verkrijgen was, kan van belang zijn of in de tweede helft van 1999 voorzienbaar was dat Aegon een dergelijke verzekering niet meer zou aanbieden. Het is ook in dit verband aan de deskundigen om, indien zij dit element van belang achten, het mee te nemen in hun beantwoording van vraag 1. Het derde voorstel van [appellante]: aan het slot van vraag 2 de toevoeging “rekening houdend met de door AEGON hierover verstrekte informatie (productie 1 bij dagvaarding en productie 10 bij dagvaarding)” neemt het hof niet over. Productie 1 bevat slechts een indicatieve opgave van een medewerkster van Aegon en met betrekking tot productie 10 geldt dat niet duidelijk is op welk jaar deze productie ziet.

2.4.

Novus heeft voorgesteld vraag 1 te vervangen door een vraag naar de voorzienbaarheid van de wetswijziging per 1 juni 2004. Novus ziet er daarbij aan voorbij dat het er niet om gaat of in 1999 de wetswijziging voor haar voorzienbaar was, maar of in 1999 een advies aan [appellante] om te kiezen voor een stelsel van gelijkblijvende risicopremies een deugdelijk advies was. De wetswijziging staat daar los van, tenzij deze in 1999 reeds voorzienbaar was en meegewogen diende te worden bij de advisering. Als dat zo is, kan dat aan de orde komen in het kader van vraag 1 zoals deze door het hof is geformuleerd. Anders dan Novus meent gaat het bij de door [appellante] in de periode 1 juni 2004 – 1 januari 2005 mogelijk geleden schade, niet om de voor [appellante] negatieve gevolgen van de wetswijziging, maar om het verschil in premie tussen (enerzijds) de premie die met betrekking tot die periode door [appellante] is betaald en (anderzijds) de premie die ten laste van haar zou zijn gekomen bij een stelsel van eenjarige risicopremies.

2.5.

Het hof zal thans de voorgedragen personen als deskundigen benoemen. Het hof gaat ervan uit dat de deskundigen met elkaar in overleg zullen treden en één voorschotnota zullen indienen. Zoals reeds in het tussenarrest is overwogen, zal het voorschot ten laste worden gebracht van [appellante].

3 Beslissing

Het hof:

gelast een onderzoek door deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Ervan uitgaand dat [appellante] in 1999 is geadviseerd om, in het kader van de omzetting van haar pensioenverzekering per 1 januari 2000 naar een regeling op basis van beschikbare premie, wat betreft de financiering van het nabestaandenpensioen te kiezen voor een stelsel van gelijkblijvende risicopremies in plaats van eenjarige risicopremies, was dit advies dan, gelet op de inhoud van de verstrekte opdracht (zie 3.2, tweede volzin, tussenarrest van 13 oktober 2009), de situatie van [appellante] in de tweede helft van 1999, de door [appellante] aan Novus verstrekte gegevens omtrent het personeelsbestand en de toen bestaande inzichten, een advies dat voldoet aan de daaraan binnen de beroepsgroep te stellen eisen? Wilt u uw antwoord zoveel mogelijk motiveren en daarbij de voor- en nadelen van gelijkblijvende risicopremies respectievelijk eenjarige risicopremies betrekken? Wilt u in de beantwoording van de vraag ook betrekken in hoeverre destijds, derhalve tweede helft 1999, voorzienbaar was dat financiering op basis van gelijkblijvende premies omstreeks expiratiedatum van de pensioenovereenkomst, derhalve rond 1 januari 2005, niet langer mogelijk zou zijn c.q. niet meer door Aegon aangeboden zou worden?

  2. Welk bedrag is in de periode 1 juni 2004 – 1 januari 2005 ter zake van premies nabestaandenpensioen ten laste van [appellante] gekomen? Wat zou de hoogte van dit bedrag zijn geweest indien de premies in die periode zouden zijn gebaseerd op een stelsel van eenjarige risicopremies?

  3. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor deze zaak van belang kunnen zijn?

benoemt tot deskundigen om dit onderzoek te verrichten:

J. van Harten,

Postbus 312,

5680 AH CA Best, (? AH/CA)

Tel 0499-379933,

Fax: 084-8384412,

e-mail: info@pensioencontroller.nl

en

J. Rietmulder,

Boekhorsterweg 12,

2374 BL Oud Ade,

e-mail: joop@rietmulder.nl.

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan ieder van de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat partijen vóór 15 juli 2010 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundigen zullen doen toekomen en dat zij de deskundigen voorts zullen voorzien van aanvullende gegevens indien zij dit noodzakelijk achten voor hun onderzoek;

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig – dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zullen verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundigen te bepalen tijd en plaats;

bepaalt dat aan de deskundigen een bedrag groot € 18.500,- exclusief BTW (€ 22.015,- inclusief BTW) als voorschot op hun loon toekomt;

bepaalt dat [appellante] dit bedrag voor 15 juli 2010 zal overmaken op rekeningnummer 56.99.90.505 t.n.v. Ministerie van Justitie MvJ ontvangsten Gerechtshof, onder vermelding van zaaknummer 200.009.526;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na deponering van dit voorschot de deskundigen hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundigen pas dan met het onderzoek behoeven te beginnen;

bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk, door beiden ondertekend gezamenlijk bericht zullen inleveren ter griffie van het hof vóór 15 oktober 2010, onder indiening van hun declaratie onder vermelding van zaaknummer 200.009.526;

verstaat dat de deskundigen bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, dat uit het schriftelijke bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en dat van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken in dit schriftelijke bericht melding wordt gemaakt;

verwijst de zaak naar de rol van 23 november 2010 voor memories na deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.M.M. Tillema en C. Uriot en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2010 door de rolraadsheer.