Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BY2125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-007027-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (met pistool schieten op slachtoffer)

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 303
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-007027-07

datum uitspraak: 26 mei 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-525219-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte ]

geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum],

zonder bekende woon-of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in PI .

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder feit 4 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde. Het hof zal de verdachte in zoverre niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 november 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd.

De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, begaan in de voorfase. De raadsman heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat a) sprake is geweest van een rommelig forensisch onderzoek nu de plaats delict niet meteen door de politie is bevroren en is toegelaten dat omstanders mee zochten naar sporen, waardoor niet kan worden uitgesloten dat kogelfragmenten niet zijn aangetroffen of zelfs door genoemde omstanders zijn meegenomen en b) dat de kogels die het slachtoffer [slachtoffer 1] dan wel het slachtoffer [slachtoffer 2] hebben geraakt niet door de politie veilig zijn gesteld. Hiermee hebben de met de opsporing belaste ambtenaren ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor minst genomen met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan nu de verdachte tengevolge van de wijze van optreden van de opsporingsambtenaren de mogelijkheid is onthouden ontlastend bewijs te verzamelen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof vloeit uit de omstandigheid dat uit het dossier naar voren komt dat een beveiligingsambtenaar die vanwege zijn functie in het bezit was van een zaklamp de politie heeft geholpen met het zoeken naar hulzen vóórdat door de politie een afzetting was gemaakt, nog niet voort dat het forensisch onderzoek op de plaats delict niet volledig is geweest. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat sporenmateriaal is verdwenen. Voorts is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat een kogelvergelijkend onderzoek niet meer mogelijk is omdat het onderzoeksmateriaal door het ziekenhuis niet is bewaard, niet aan het openbaar ministerie kan worden tegengeworpen.

Bewijsverweren

Ten aanzien van feit 1

De raadsman van de verdachte heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat er geen sprake is van voorbedachte rade nu de verdachte stelt uit een opwelling te hebben geschoten.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven (Hoge Raad 5 februari 2008, LJN: BB4959).

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van het volgende:

De verdachte is op 14 augustus 2006 met een doorgeladen pistool naar het café Gigi in Amsterdam gegaan. Aldaar kwam hij het latere slachtoffer [slachtoffer 1] tegen die hem in het verleden zou hebben beroofd en die nog steeds geld van hem zou eisen. De beide mannen verbleven enkele uren in het café zonder dat er noemenswaardige incidenten plaatsvonden. Tegen sluitingstijd kwam hier echter verandering in. Het slachtoffer was op een gegeven moment in gesprek met ene [slachtoffer 2]. Zij stonden bij de uitgang van het café te praten toen de verdachte op het slachtoffer afliep en met een gestrekte arm gericht op de benen van [slachtoffer 1] schoot. Het slachtoffer is hierop naar buiten gevlucht.

De verdachte is het slachtoffer achterna gegaan en heeft vervolgens nog enkele keren gericht op de benen van, het inmiddels op de grond liggende slachtoffer [slachtoffer 1], geschoten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard op [slachtoffer 1] te hebben geschoten, omdat hij hem voor langere tijd uit wilde schakelen. Tevens heeft de verdachte aangegeven gericht op de benen van het slachtoffer te hebben geschoten, omdat hij niet de intentie had om het slachtoffer te doden.

Het hof leidt uit bovengenoemde omstandigheden af dat de verdachte in ieder geval vóór het lossen van de afzonderlijke schoten op het op de grond liggende slachtoffer voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, zodat er in dit geval sprake is van voorbedachte raad.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman van de verdachte heeft allereerst -kort gezegd- aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 nu het slachtoffer [slachtoffer 2] zich niet in de vuurlinie van de verdachte heeft bevonden waardoor het niet anders kan zijn dan dat hij door een tweede schutter is geraakt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof moet het om te beginnen niet voor mogelijk worden gehouden dat er door een tweede schutter van buitenaf naar binnen een of meer kogels zijn afgevuurd waardoor het slachtoffer [slachtoffer 2] is geraakt. Uit de stukken in het dossier vloeit voort dat de grote, zware buitendeur van het café Gigi uit twee delen bestaat. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij, voordat de schietpartij plaatsvond, het rechter deel van de buitendeur (vanuit het café gezien) heeft afgesloten. Op het moment van het eerste schot bevond het latere slachtoffer [slachtoffer 2] zich voorin het café bij de gokkasten. De gokkasten stonden op hun beurt weer achter de rechter buitendeur, die inmiddels door de eigenaar was afgesloten. Op grond van dit gegeven acht het hof het onmogelijk dat het slachtoffer is geraakt door een kogel die van buitenaf naar binnen is afgevuurd nu het slachtoffer niet in het schietveld van de eventuele tweede schutter heeft gestaan.

Voorts wijst het hof op de verklaring van de getuige [getuige 2], die op de bewuste avond als beveiliger aan het werk was. Hij heeft verklaard dat hij die avond een pand op de Prinsengracht in de gaten moest houden, welk pand gelegen was aan de zijde van het café Gigi. Hij stond aan de overkant van de gracht geparkeerd en had de voorzijde van zijn auto naar het café Gigi gericht. De getuige heeft verklaard dat hij het raam van zijn auto open had staan en dat hij goed zicht had op de overzijde van het water en op de weg voor café Gigi. Deze getuige heeft in het geheel niet gesproken over een schutter, die van buitenaf kogels zou hebben afgevuurd op het café Gigi, iets wat naar het oordeel van het hof wel voor de hand had gelegen indien dit gebeurd zou zijn.

Naar het oordeel van het hof is voorts niet aannemelijk geworden dat een tweede schutter vanaf een andere positie het schot heeft gelost dat het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geraakt nu diverse getuigen hebben verklaard dat alle schoten hetzelfde klonken en er, met uitzondering van de verdachte, niemand is geweest die over een tweede schutter heeft gesproken. Daarnaast heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] gezien dat de verdachte binnen in het café Gigi een kogel in zijn richting afvuurde.

Op grond van het bovenstaande gaat het hof aan de lezing van de raadsman van de verdachte, dat er op de bewuste avond een tweede schutter moet zijn geweest voorbij en kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte degene is geweest die op [slachtoffer 2] heeft geschoten.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad bij de verdachte en dat voorbedachte raad en voorwaardelijk opzet niet met elkaar zijn te rijmen.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan voorbedachte raad samengaan met alle vormen van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Het verweer van de raadsman wordt wat dat deel betreft dan ook verworpen.

Tevens is het hof met de rechtbank van oordeel dat nu de verdachte met voorbedachten rade op het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft geschoten, hetzelfde geldt ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2]. De verdachte heeft na kalm beraad en rustig overleg besloten te handelen zoals hij heeft gehandeld. De verdachte heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om na te denken over de eventuele gevolgen van zijn handelen voor omstanders, te meer nu de verdachte wist dat er ten tijde van zijn schieten meer mensen aanwezig waren in het café. Desondanks heeft hij het besluit genomen om op de benen van [slachtoffer 1] te schieten, terwijl het slachtoffer [slachtoffer 2] in de onmiddellijke nabijheid van [slachtoffer 1] stond. Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat een met kracht van een harde ondergrond terugspringende kogel een zich in de nabijheid daarvan bevindend persoon kan raken. Nu de verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] in zijn benen wilde schieten, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen dat hij [slachtoffer 2] met zijn schot zwaar lichamelijk letsel toe zou kunnen brengen.

Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat voor zover het hof, gelet op de gestelde vormfout in de voorfase, niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou besluiten, in ieder geval de bewijsmiddelen welke uit het forensisch onderzoek voortkomen buiten het bewijs moeten worden gehouden.

Dit verweer wordt door het hof verworpen op dezelfde gronden als die hiervoor tot verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hebben geleid.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman van de verdachte heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, maar dat er sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op de betreffende avond met een doorgeladen wapen naar Bar Kempering was gegaan. In het café ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte en het latere slachtoffer over een geldbedrag van 5 euro. Getuigen hebben verklaard dat de verdachte hierop zijn pistool op het slachtoffer heeft gericht. De verdachte stelt echter dat het vuurwapen tijdens een worsteling uit zijn broeksband is gevallen waarna zowel hij als het latere slachtoffer het wapen probeerden te pakken waarbij het is afgegaan en de kogel in de buik van het slachtoffer terecht is gekomen. De discussie over de aanleiding van de schietpartij laat naar het oordeel van het hof echter onverlet dat de verdachte met een doorgeladen pistool naar een café is gegaan waar hij met het latere slachtoffer in gevecht is geraakt. Het feit dat de verdachte tijdens een gevecht zijn vinger om de trekker van een doorgeladen pistool heeft gehouden, terwijl de loop op het latere slachtoffer was gericht, brengt naar het oordeel van het hof met zich dat er geen sprake kan zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Ten aanzien van feit 6

De verdachte heeft verklaard dat de jas die hij bij zijn aanhouding droeg en waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen, niet van hem was. Hij zou die jas van een kennis hebben geleend teneinde aan de aanhouding door de politie te kunnen ontkomen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dat hij wist dat deze kennis in cocaïne handelde.

Dit gegeven brengt met zich dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van cocaïne.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

hij op 14 augustus 2006 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechterbeen, hetgeen chirurgisch ingrijpen noodzakelijk maakte, heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg,

-terwijl hij een doorgeladen pistool bij zich droeg naar die [slachtoffer 1] toe te gaan en

-vervolgens meermalen met dat pistool van korte afstand op het onderlichaam van die [slachtoffer 1] te schieten;

ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

hij op 14 augustus 2006 ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

-terwijl hij een doorgeladen pistool bij zich droeg, naar die [slachtoffer 2] is toegegaan en

-met dat pistool heeft geschoten;

ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde:

hij op 19 september 2006 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool eenmaal in de buik van die [slachtoffer 3] heeft geschoten;

ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde:

hij op 2 oktober 2006 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 18 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 2,76 gram van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen onder feit 1, 2, 3 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde

zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade.

ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde

poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade.

ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde

poging tot doodslag.

ten aanzien van het onder feit 6 bewezenverklaarde

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee schietpartijen waarbij drie personen gewond zijn geraakt. Bij beide schietpartijen liep de verdachte rond met een doorgeladen wapen op zak.

Het eerste schietincident vond plaats in een drukbezocht café, waarbij de verdachte met voorbedachte raad op de benen van een van de aanwezige personen heeft geschoten. Hierbij heeft hij ook een omstander geraakt.

Tevens heeft de verdachte, nadat het eerste slachtoffer naar buiten was gevlucht, nog een aantal keren op hem geschoten. De verdachte heeft welbewust de beslissing genomen om iemand voor een lange tijd uit te schakelen zonder daarbij acht te slaan op de gevolgen voor het leven van zijn doelwit en anderen. Een maand later was de verdachte wederom betrokken bij een schietincident in een café. Na een woordenwisseling te hebben gehad met de barman over een geldbedrag van 5 euro heeft de verdachte uiteindelijk het slachtoffer in de buik geschoten. Het slachtoffer is hierbij zwaar gewond geraakt.

Door deze feiten is de rechtsorde ernstig geschokt en is de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Voorts leert de algemene ervaring dat slachtoffers van geweldsmisdrijven, naast het fysieke letsel, nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarnaast hebben deze daden zeer veel maatschappelijke onrust veroorzaakt, daar omstanders deze schietpartijen van dichtbij hebben zien gebeuren. Feiten als onderhavige rechtvaardigen een gevangenisstraf van langere duur.

Voorts heeft de verdachte voor verdere verspreiding onder dealers en/of verslaafden geschikte hoeveelheden van de voor de volksgezondheid schadelijke stoffen cocaïne en heroïne voorhanden gehad. Hard drugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door, verslaafden gepleegde, criminaliteit. Het bezit van hard drugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 april 2009 is verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder feit 2 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem tenlastegelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij -voorzover in hoger beroep nog aan de orde- van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij -voor zover in hoger beroep nog aan de orde- zal dan ook worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voorzover gericht tegen feit 4 en 5.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1, 2, 3 en 6 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder feit 1, 2, 3 en 6 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ten behoeve van de rechthebbende, te weten: 1 euro muntstuk.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats ], rekeningnummer 2566352, een bedrag van EUR 1.385,65 (duizend driehonderdvijfentachtig euro en vijfenzestig cent), bestaande uit € 885,65 aan materiele schade en € 500 aan

immateriële schade, te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 1.395,65 (duizend driehonderdvijfennegentig euro en vijfenzestig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. D.J.M.W. Paridaens - van der Stoel en mr. L.C. Winkel, in tegenwoordigheid van mr. E. Wiersma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 mei 2009.

mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel en mr. L.C. Winkel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.