Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BY2083

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-005959-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd (slachtoffers in richting geopende trieindeur getrokken)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005959-08

datum uitspraak: 11 juni 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 7 november 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-700517-08 van het openbaar ministerie

tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonplaats],

thans verblijvende in P.I.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 oktober 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg 24 oktober 2008 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

De raadsman van verdachte heeft bij pleidooi drie verweren gevoerd.

1. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de raadsman niet anders worden afgeleid dan dat tussen [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) en verdachte niet is geduwd of getrokken, en voorts dat het duwen en trekken tussen verdachte en [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1]) plaatsvond voordat de deuren van de trein geopend waren, zodat verdachte van het hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

2. Voorts heeft de raadsman betoogd dat aan de zijde van verdachte geen sprake is geweest van opzettelijk handelen, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdediging meent dat, nu verdachte tegen zijn wil onder invloed verkeerde van enig verdovend middel, zijn daarop volgende gedrag in de trein niet aan hem kan worden toegerekend. In verband hiermee heeft de raadsman voorts gesteld dat de politie onjuist heeft gehandeld door verdachte het door hem gevraagde bloedonderzoek te weigeren.

3. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 1], indien bewezen verklaard, een ondeugdelijke poging oplevert, nu [slachtoffer 1] veel groter en zwaarder is dan verdachte, terwijl verdachte bovendien onvast op zijn benen stond en verdachte en [slachtoffer 1] zich in een schommelende trein bevonden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht – onder aanvulling van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zoals weergegeven in het op schrift gestelde requisitoir en de aanvullingen daarop in het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2009.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe het volgende.

1. Het hof volgt de verdediging niet in haar stelling, dat uit de bewijsmiddelen niet anders kan worden afgeleid dan dat tussen [slachtoffer 2] en verdachte niet is geduwd of getrokken, en voorts dat het duwen en trekken tussen verdachte en [slachtoffer 1] plaatsvond voordat de deuren van de trein geopend waren.

Het hof overweegt in dit verband dat [slachtoffer 1] in zijn aangifte (dossiernummer PL26SO/08-001078, doorgenummerde pagina’s 14 tot en met 16) heeft verklaard dat “jongen 2” (het hof begrijpt: verdachte) hem in de nacht van 13 juli 2008 in de trein rijdende tussen Zaandam-Koogerveld en Purmerend Weidevenne aan zijn sweater ter hoogte van zijn borst vastpakte en hem met volle kracht begon te trekken in de richting van één van de geopende deuren van die trein. De trein reed volgens [slachtoffer 1] op dat moment hard. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] gezien dat verdachte een reisgenoot van hem vastpakte (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]), die op dat moment circa twee en een halve meter van de geopende deur stond, en probeerde haar in de richting van de geopende deur te trekken.

De verklaring van [slachtoffer 1] vindt op wezenlijke punten steun in die, welke door [slachtoffer 2] is afgelegd. Laatstgenoemde heeft in haar aangifte (dossiernummer PL26SO/08-001078B, doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 8 van het B-dossier) verklaard dat zij gezien heeft dat de “oudere jongen” (het hof begrijpt telkens: verdachte) een raampje (het hof begrijpt: het glaasje van de noodknop van de trein) insloeg. Zij zag daarna dat de rechterdeur van het balkon, waar zij zich op dat moment bevond, openging. Ook zag zij dat de linkerdeur open was. Zij voelde dat de oudere jongen haar in de richting van een openstaande deur trok. Dit lukte niet omdat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 1]) haar vasthield. [slachtoffer 2] heeft voorts in haar aangifte verklaard, daarvoor te hebben gezien dat de oudere jongen probeerde [slachtoffer 2] naar buiten te trekken.

Het hof acht bovenstaande verklaringen, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen, voldoende betrouwbaar en gedetailleerd om op basis daarvan de conclusie te trekken dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] in de richting van een treindeur zijn getrokken die op dat moment reeds geopend was.

2. Het hof overweegt vervolgens dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte meteen na zijn aanhouding heeft gevraagd om een bloedonderzoek. Het hof slaat daarbij acht op de inhoud van een kopie van een proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 mei 2009, opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie te Amsterdam. Hieruit kan worden afgeleid dat door bij het verhoor van de verdachte aanwezige verbalisanten niet is gehoord dat zou zijn verzocht om een bloedtest.

Voorts is naar het oordeel van het hof door de verdachte op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, noch is het hof anderszins gebleken, dat er sprake was van een dusdanige geestelijke stoornis ten tijde van de bewezengeachte feiten dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Het hof wijst in dit verband nog op de inhoud van een kopie van een proces-verbaal d.d. 28 mei 2009, opgemaakt door [verbalisant] inspecteur van politie Zaanstreek-Waterland, waaruit het hof afleidt dat geen aanleiding bestond in verband met de gezondheidstoestand van de verdachte een arts te waarschuwen.

3. In de omstandigheid dat [slachtoffer 1] een fors postuur had kan naar het oordeel van het hof geen enkele grond worden gevonden voor de conclusie dat het handelen van de verdachte niet had kunnen leiden tot het uit de trein vallen van [slachtoffer 1]. Immers, de verdachte heeft [slachtoffer 1] met volle kracht in de richting van een geopende deur van de trein willen trekken. De uitkomst van een fysiek treffen als het onderhavige is, mede gelet op de dynamiek daarvan, niet slechts afhankelijk van het postuur van (een van) de betrokkenen, maar ook van vele andere factoren, waaronder begrepen de plaats van het treffen. In casu bevonden beide personen zich staande in een met hoge snelheid rijdende trein die - naar algemene ervaringsregels leren - onvoorspelbare bewegingen kan maken. [slachtoffer 1] had gemakkelijk zijn evenwicht kunnen verliezen en uit de trein kunnen vallen, met fatale gevolgen.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 juli 2008 op het baanvak Zaandam Kogerveld-Purmerend Weidevenne ter uitvoering vanhet door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet in een met ongeveer 140 kilometer per uur rijdende trein

- de glaasjes van de noodknoppen van de treindeuren aan weerszijden heeft stukgeslagen en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de richting van een geopende treindeur heeft getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde - kortgezegd - dat verdachte zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen gegeven door of namens Brijder Verslavingsreclassering Arrondissement Haarlem, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met een bijzondere voorwaarde als door de rechtbank opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door deze personen in de richting van een geopende deur van een met hoge snelheid rijdende trein te trekken. De omstandigheid dat verdachte niet is geslaagd in zijn voornemen is een gelukkige, die geenszins aan verdachte is te danken. Deze gebeurtenis moet voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – en de overige bij het incident aanwezige reizigers – bijzonder beangstigend zijn geweest, temeer daar zij zich bevonden in een trein die zich met hoge snelheid voortbewoog en zij deze derhalve niet konden verlaten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2009 is verdachte eerder ter zake van onder meer een geweldsmisdrijf veroordeeld. Het hof heeft ook acht geslagen op een de verdachte betreffend Pro Justitia rapport van 21 oktober 2008, opgesteld door C.B.R. Cornelisse, GZ-psycholoog/psychotherapeut, waarin Cornelisse concludeert dat verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Tot slot heeft het hof kennis genomen van de inhoud van een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport van de Brijder Verslavingsreclassering Arrondissement Haarlem van 17 oktober 2008, opgesteld door A.R. Landheer.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat – onder verwijzing naar de Wet voorwaardelijke invrijheidsstelling – bepleit dat de straf die door de rechtbank aan verdachte is opgelegd, dient te worden gematigd, nu verdachte onder de oude regeling betreffende de invrijheidsstelling bij een gelijkblijvende uitspraak minder lang gedetineerd zou zijn.

Het hof overweegt met betrekking hiertoe dat de Wet voorwaardelijke invrijheidsstelling in werking is getreden op 1 juli 2008. Verdachte heeft de feiten gepleegd op 13 juli 2008, dus na de inwerkingtreding van voornoemde wet. Het hof vermag reeds gelet hierop niet in te zien, waarom verdachte een beroep toekomt op strafmatiging in verband met de door de raadsman bedoelde wijziging van de wet. Ten overvloede overweegt het hof dat het bij de bepaling van een passende en geboden straf zich rekenschap heeft gegeven van de huidige stand van zaken in de wetgeving met betrekking tot de invrijheidsstelling.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op de grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Brijder Verslavingsreclassering Arrondissement Haarlem, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt het volgen en afronden van een behandeling bij De Waag en/of het volgen en afronden van de leefstijltraining voor justitiabelen bij de Brijder Reclassering.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. E. Mijnsberge en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. M.E.P. Bons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2009.

Mr. Mijnsberge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.