Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BY2040

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2009
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-005158-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (door met kracht in hals te knijpen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005158-07

datum uitspraak: 13 februari 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

24 juli 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-447261-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats],

thans gedetineerd in PI .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 20 juni 2008, 3 oktober 2008,

28 oktober 2008, 15 januari 2009 en 30 januari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Preliminair verweer – ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en heeft hiertoe -kort samengevat- het volgende aangevoerd. De verdachte verblijft op dit moment al bijna twee jaar in het huis van bewaring zonder dat er voor de verdachte een adequate voorziening is getroffen, welke situatie zich thans nog steeds voordoet. Het openbaar ministerie is hierdoor in ernstige mate tekort geschoten, tengevolge waarvan de beginselen van een behoorlijke proces-orde zijn geschonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de redelijke passanten termijn in ernstige mate is overschreden. Deze overschrijding - welke overschrijding gedeeltelijk te wijten is aan het pas per brief van 8 januari 2008 door de raadsman van verdachte gedane verzoek tot contra-expertise - kan echter gelet op de complexiteit van deze zaak niet tot het door de raadsman beoogde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft zich namens de verdachte subsidiair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van opzet op de ten laste gelegde feiten, zodat de verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden. De raadsman voert hiertoe aan dat de verdachte vanwege zijn verstandelijke beperkingen op geen enkele wijze in staat is geweest om de gevolgen van zijn gedragingen in te zien. De verdachte ging, ook naar aanleiding van een eerdere ontmoeting met het slachtoffer op 16 maart 2007, ervan uit dat hij met goedvinden van het slachtoffer met haar zou vrijen en is daarop naar haar kamer gegaan. De verdachte heeft niet van tevoren gepland om tegen de wil van het slachtoffer seks met haar te hebben. Op het moment dat zij hem ging krabben is hij de controle dan ook volledig kwijt geraakt. Het bewijs dat de verdachte het opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel dan wel poging tot verkrachting is voornamelijk gestoeld op de verklaringen van de verdachte zelf, hetgeen gelet op zijn verstandelijke handicap buitengewoon onaannemelijk is.

Meer subsidiair dient ontslag van rechtsvervolging te volgen vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Het hof gaat bij de beoordeling van de zaak en de bespreking van de verweren van de raadsman uit van de navolgende vaststaande feiten.

Op 27 maart 2007 wordt de zedenpolitie ingeschakeld door de spoedeisende hulp van het

VU-ziekenhuis waar [slachtoffer] in verband met haar verwondingen naar toe is gebracht.

De politie wordt ter plaatse aangesproken door [begeleider] die het slachtoffer in een woonvoorziening van de Stichting Cordaan begeleidt. [begeleider] heeft tegenover de politie verklaard dat [slachtoffer] tegen haar heeft gezegd dat iemand seks met haar wilde, dat zij nee had gezegd en dat zij die man heeft gekrabd omdat zij dat niet wilde (het proces-verbaal van verhoor [begeleider]: dossier, doorgenummerd blz. 67 e.v.). [slachtoffer] is ter plaatse door verbalisanten gehoord over de door verbalisanten waargenomen verwondingen. Desgevraagd heeft [slachtoffer] aan verbalisanten verklaard dat die ochtend een man haar kamer binnenkwam en met haar wilde vrijen (het proces-verbaal bevindingen van 28 maart 2007: dossier, doorgenummerd blz. 8 e.v.). [slachtoffer] kan echter niet vertellen hoe zij het letsel heeft opgelopen. [slachtoffer] wordt in verband met een kaakfractuur in het ziekenhuis opgenomen. Uit een geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer] verschillende bloeduitstortingen in haar gezicht heeft, evenals rode verkleuringen in haar hals die samen met puntbloedinkjes in het gezicht een poging tot wurging doen vermoeden (dossier, doorgenummerd blz. 11). Op woensdag 28 maart 2007 nam de wijkmanager van de Stichting Cordaan, de heer [wijkmanager], telefonisch contact op met de zedenpolitie (het proces-verbaal van bevindingen: dossier, doorgenummerd blz. 9). [wijkmanager] had bij de verdachte – die evenals het slachtoffer bewoner is van de woonvoorziening Stichting Cordaan – aan de linkerzijde van zijn hoofd nabij de slaap verwondingen en een grote kras over de lengte van zijn gezicht waargenomen. De verdachte wordt hierop aangehouden (het proces-verbaal van bevindingen blz. 9 en het proces-verbaal van aanhouding verdachte blz. 29) Bij zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij op 27 maart 2007 de slaapkamer van [slachtoffer] is binnen gegaan, [slachtoffer] toen in bed lag en hij dacht “..zal ik het doen of zal ik niet doen.” Verdachte is toen eerst teruggegaan naar zijn eigen kamer, daarna weer teruggegaan naar de kamer van [slachtoffer], is bovenop haar gaan liggen en heeft haar benen uit elkaar gedaan (het proces-verbaal van verhoor verdachte: dossier, doorgenummerd blz. 57 e.v.). Verdachte greep met beide handen de hals van [slachtoffer] en kneep hard in haar keel. Toen de verdachte [slachtoffer] losliet heeft [slachtoffer] de verdachte gekrabd. De verdachte is daarna met zijn knieën op haar schouders gaan zitten en verklaart haar toen heel hard weer gewurgd te hebben (het hof begrijpt: gepoogd te wurgen). De verdachte heeft de kleding van het slachtoffer omhoog gedaan en haar broek naar beneden. Vervolgens heeft de verdachte een condoom om zijn penis gedaan en heeft geprobeerd haar te verkrachten, hetgeen niet is gelukt. Wel heeft de verdachte de borsten van [slachtoffer] betast. De verdachte heeft [slachtoffer] twee keer in haar gezicht geslagen. [slachtoffer] heeft de verdachte hard in zijn gezicht en op zijn armen gekrabd (het proces-verbaal van verhoor verdachte: dossier, doorgenummerd blz. 58 en 59). Het hof merkt op dat de verklaring van de verdachte tegenover de politie in belangrijke mate overeenstemt met zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2007 (blz. 2), bij welke verklaring hij ter zitting van het hof van 20 juni 2008 heeft volhard. Voorts worden de verklaringen van verdachte ondersteund door de bij [slachtoffer] en bij verdachte aangetroffen verwondingen en door de verklaring van het slachtoffer (het proces verbaal van verhoor [slachtoffer] van 18 juni 2007 en afbeeldingen van de verdachte dossier, doorgenummerd blz. 39 t/m 53). Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich bewust is geweest van de gevolgen van zijn gedragingen heeft het hof meegewogen dat de verdachte voorafgaand aan zijn strafbare gedragingen een condoom heeft meegenomen en tevens de deur van de kamer van het slachtoffer op slot heeft gedaan (het proces-verbaal ter terechtzitting van 10 juli 2007), hetgeen erop duidt dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het risico op betrapping en daarnaar heeft gehandeld. Voorzover de raadsman zich op het standpunt heeft gesteld, dat de verstandelijke beperkingen van de verdachte het opzet op het plegen van de tenlastegelegde feiten in de weg staan, is het hof van oordeel dat daarvan slechts sprake kan zijn indien bij de verdachte ten tijde van het plegen van het delict ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Nu daarvan, gelet op het vorenstaande, niet is gebleken is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en poging tot verkrachting van [slachtoffer].

Het subsidiaire verweer wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat voor het onder 2 primair en onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde onvoldoende bewijs voorhanden is. Het hof acht deze feiten dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde:

hij op op 27 maart 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet naar die [slachtoffer] is toegegaan en bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en meermalen met beide handen met kracht in de hals van die [slachtoffer] heeft geknepen;

ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde:

hij op 27 maart 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen;

ten aanzien van het onder feit 3 primair tenlastegelegde:

hij op 27 maart 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk naar die [slachtoffer] is toegegaan en bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en meermalen met beide handen met kracht in de hals van die [slachtoffer] heeft geknepen en met kracht tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en de benen van die [slachtoffer] heeft gespreid en de broek van die [slachtoffer] omlaag heeft gedaan en in de borsten van die [slachtoffer] heeft geknepen;

Hetgeen onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde

poging tot doodslag.

en

ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde

poging tot zware mishandeling.

en

ten aanzien van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde

poging tot verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft bij pleidooi – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de rapporten van psycholoog Breuker van 15 juni 2007 en psychiater Matthaei van 18 juni 2007 geen deugdelijke basis opleveren voor het opleggen van de onvoorwaardelijke terbeschikkingstellingsmaatregel, nu in genoemde rapporten de relatie tussen de stoornis van de verdachte en de tenlastegelegde feiten niet, dan wel onvoldoende is onderbouwd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, terwijl in de rapporten wordt gesproken over verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Uit het rapport van de psychiater Matthaei komt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren:

Onderzochte lijdt primair aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens die te omschrijven is als lichte zwakzinnigheid. Door deze aangeboren stoornis is zijn persoonlijkheidsontwikkeling niet geheel ongestoord verlopen. Er kan echter geen specifieke persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld. Secundair is er sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van cannabisafhankelijkheid en mogelijk alcoholmisbruik.

De lichte zwakzinnigheid maakt dat betrokkene ook in seksuele zin gemakkelijk te beïnvloeden is. Hij lijkt door de grote seksuele behoefte van zijn vriendin, maar ook door haar zijn mannelijkheid te bewijzen, seksueel overprikkeld te zijn geraakt. De seksuele overprikkeling in combinatie met frustratie en spanning heeft tot het begaan van de onderhavige feiten geleid.

Het voorafgaande gebruik van cannabis en alcohol heeft het strafbare gedrag van betrokkene wel beïnvloed maar is niet van doorslaggevende betekenis geweest. Nadrukkelijk dient te worden gesteld dat met name het seksueel grensoverschrijdende gedrag intentioneel is geweest. Betrokkene heeft immers voorafgaand aan zijn strafbare gedrag een condoom meegenomen en de deur van de kamer van het slachtoffer op slot gedaan. Gezien zijn beperkte verstandelijke vermogens kan worden betwijfeld of betrokkene volledig heeft kunnen overzien wat de reactie van het slachtoffer op zijn seksuele toenadering zou zijn. Doordat het slachtoffer weerstand bood en er bij betrokkene als gevolg van de scheefgroei in zijn persoonlijkheid onvoldoende scheiding tussen seksuele en agressieve driften is ontstaan, zijn de seksuele impulsen overgegaan in impulsief agressief gedrag dat de betrokkene nauwelijks lijkt te hebben kunnen beheersen. Zowel deze overgang van seksuele impulsen naar agressieve impulsen als het controleverlies is het gevolg van een combinatie van de geconstateerde lichte zwakzinnigheid en de daaruit voortgevloeide scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling. Betrokkene kan gezien het voorgaande verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De psycholoog Breuker komt tot dezelfde diagnose als de psychiater Matthaei. Uit het rapport van deze deskundige komt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren:

Betrokkene is vanwege zijn verstandelijke beperking niet in staat de gevolgen van zijn gedrag te overzien en zich in te leven in anderen. Mensen met dergelijke cognitieve en sociaal-emotionele beperkingen, zo ook betrokkene, zijn geneigd om onder druk, in geval van overvraging en bij een tekort aan structuur, impulsief en primitief te reageren. Dit kan gepaard gaan met forse agressie en geweld. Voorafgaande aan het plegen van de tenlastegelegde feiten was er bij betrokkene sprake van een verhoogd spanningsniveau vanwege onder meer relationele problemen en zijn onvrede ten aanzien van de woonvoorziening. Hij reageerde hierop aanvankelijk met toenemend alcohol- en cannabisgebruik. Er was aanvankelijk sprake van een ogenschijnlijk goed functioneren, toch waren er wel signalen dat het niet goed ging met betrokkene. Een ander aspect dat het spanningsniveau mogelijk heeft verhoogd was de opeenstapeling van verantwoordelijkheden en verplichtingen ten opzichte van zijn werk en zijn relatie. Dit alles heeft bij elkaar geleid tot een overvraging van zijn kunnen en daarmee tot een verhoogd spanningsniveau en het uiteindelijk plegen van de tenlastegelegde feiten. Betrokkene lijkt behoefte te hebben gehad aan ontspanning en ontlading, maar was niet in staat om hier op adequate wijze mee om te gaan. Vermoedelijk hebben vooral relationele problemen en het feit dat zijn vriendin was weggelopen bij de woonvoorziening als ook de geruchten over het vreemdgaan van zijn vriendin, een rol gespeeld in een verhoogd spanningsniveau bij betrokkene en zijn seksuele toenadering op 16 maart 2007 tot het slachtoffer. Hij kan dit gedrag voor zichzelf niet duiden of verklaren. Op 27 maart 2007 ging verdachte eveneens naar het slachtoffer toe om seks met haar te hebben. Hij nam zijn condoom mee. De agressieve geweldsuitbarsting ten tijde van het plegen van de feiten was ten gevolge van de escalerende situatie en het beperkte overzicht bij betrokkene in combinatie met het gebrek aan mogelijkheden om de situatie goed te hanteren. Betrokkene was tevens onder invloed van alcohol en softdrugs, hetgeen een ontremming van eigen agressieve en seksuele impulsen zal hebben versterkt, maar dit heeft niet een doorslaggevende rol gespeeld in het plegen van de feiten. Het plegen van de tenlastegelegde feiten kan voornamelijk worden verklaard vanuit de aanwezige gebrekkige ontwikkeling. In dergelijke situaties, onder toenemende druk, heeft betrokkene onvoldoende overzicht en zal hij geneigd zijn vanuit zijn beperkingen op primitieve en impulsieve wijze te reageren, zo ook tijdens het plegen van de feiten. Hij is niet in staat zich in anderen te verplaatsen of de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Het ontbreekt hem vanuit zijn sociaal-emotionele beperkingen ook aan schuld en schaamte. Ten aanzien van het plegen van de tenlastegelegde feiten kan betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Voornoemde deskundigen Breuker en Mattthaei zijn ter zitting in hoger beroep op 20 juni 2008 gehoord en hebben gepersisteerd bij hun eerdere conclusie en advies van respectievelijk

15 juni 2007 en 18 juni 2007.

Het hof is met de deskundigen van oordeel dat verdachte, gelet op zijn beperkte verstandelijke vermogens, de gevolgen van zijn seksuele toenadering van het slachtoffer niet volledig heeft kunnen overzien en dat zijn agressieve gedrag in belangrijke mate een gevolg is van zijn beperkingen in combinatie met het gebruik van alcohol en cannabis. Van volledige ontoerekeningsvatbaarheid is naar het oordeel van het hof echter geen sprake, nu verdachte het slachtoffer welbewust seksueel heeft benaderd, na enige tijd van twijfel en overweging zoals hierboven reeds aangegeven, en daarbij reeds aanstonds een zekere mate van overrompeling en dwang heeft toegepast. Het hof acht verdachte dan ook strafbaar.

Het door de raadsman meer subsidiair gedane verweer wordt mitsdien verworpen.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 24 juli 2007 terzake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 primair en 4 subsidiair bewezenverklaarde, gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met dwangverpleging.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal voor het onder feit 4 tenlastegelegde feit vrijspraak gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, alsmede de gedragskundige rapportages die in het kader van deze strafzaak zijn opgemaakt, te weten het rapport van 15 juni 2007 van klinisch psycholoog D. Breuker en het rapport van 18 juni 2007 van psychiater I. Matthaei. Beide deskundigen hebben verdachte onderzocht. Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport van 22 maart 2008 van de arts-deskundige D.F.J. Hoekstra en het maatregelenrapport van 15 januari 2009 en het aanvullend adviesrapport van 28 januari 2009 van de reclasseringsmedewerker P. Gubbels. Deze rapporten zijn ter terechtzitting in hoger beroep door de voormelde deskundigen toegelicht en op vragen van de procesdeelnemers aangevuld. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de deskundigen Breuker en Matthaei hun conclusies aldus voldoende en overtuigend hebben onderbouwd.

Het hof heeft bij het bepalen van de strafsoort en strafduur meer in het bijzondere het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is in de woonvoorziening Stichting de Cordaan in de slaapkamer van een verstandelijk gehandicapte medebewoonster binnengedrongen, terwijl zij lag te slapen. Nadat de verdachte het slachtoffer deels had ontkleed heeft hij geprobeerd haar te verkrachten. De verdachte heeft uit angst voor betrapping het slachtoffer meerdere malen proberen te wurgen, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Het is een algemeen bekend feit dat slachtoffers van zedendelicten nog gedurende lange tijd gevoelens van angst en psychisch ongemak ondervinden.

De verdachte heeft door voornoemde gedragingen een ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof acht, gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden en rekening houdend met de door de deskundigen Matthaei en Breuker geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Daarnaast zal het hof – zoals hierna gemotiveerd – gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Gelet op de rapporten en op de indruk die het hof zelf ter terechtzitting van 30 januari 2009 van verdachte heeft gekregen, is het hof van oordeel dat verdachte – zo spoedig mogelijk – behandeld dient te worden voor zijn persoonlijkheidsstoornis en ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de vorm van cannabisafhankelijkheid en mogelijk alcoholmisbruik.

De raadsman heeft met betrekking tot het door deskundigen Breuker en Matthaei gedeelde advies dat de door hun bij de verdachte geconstateerde problematiek zou moeten leiden tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging naar voren gebracht dat het recidivegevaar ook verminderd kan worden door, binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, plaatsing in het gezinshuis “[tehuis]”, waar de verdachte goed begeleid kan worden en voldoende toezicht bestaat. Beide deskundigen hebben met betrekking tot die door de raadsman naar voren gebrachte mogelijkheid om alleen terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen verklaard, dat zonder behandeling van de geschetste problematiek van de verdachte het recidivegevaar van de verdachte zeker niet zal verminderen. Zij stellen zich daarbij op het standpunt dat de verdachte niet volledig in staat is te begrijpen welke consequenties een terbeschikkingstelling met voorwaarden met zich meebrengt, hetgeen onaanvaardbare risico’s met zich brengt. Met betrekking tot het voorgestelde alternatief door de verdediging hebben de deskundigen naar voren gebracht dat het ‘gezinshuis van de familie [tehuis]’ een resocialisatie karakter heeft en pas in beeld komt nadat iemand in een TBS-kliniek is behandeld. Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2008 hebben de deskundigen Breuker en Matthaei, overeenkomstig hun rapport, aangegeven dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging in een gesloten setting van verdachte het enige middel is om herhaling van soortgelijke feiten uit te sluiten. Er zijn geen alternatieven beschikbaar. Indien de verdachte bereid is mee te werken aan een behandeling kunnen er wel resultaten behaald worden.

Het hof acht – ter bescherming van de maatschappij – overeenkomstig het advies van voornoemde deskundigen een terbeschikkingstelling aangewezen. Gebleken is dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Voorts is er – naar het oordeel van het hof – groot recidivegevaar aanwezig. Het hof acht het, gelet op de ernst van de feiten en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, niet verantwoord de verdachte zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren – te laten terugkeren in de maatschappij. Het hof heeft hierbij zwaar laten wegen het adviesrapport van Novadic-Kentron Verslavingsreclassering van 28 januari 2009 aangaande het door het hof opgedragen verzoek het gezinshuis “[tehuis]” te bezoeken en te onderzoeken of bedoeld gezinshuis voldoet aan de criteria genoemd op bladzijde 1 van het door mevrouw Gubbels, Reclasseringswerker regio ’s-Hertogenbosch, ter terechtzitting van 15 januari 2009 overgelegde advies. Dit rapport van 28 januari 2009 houdt onder meer in dat gezinshuis “[tehuis]” niet voldoet aan die criteria. Ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2009 heeft mevrouw Gubbels dit bevestigd en aangegeven dat er geen zicht op spoedige plaatsing van verdachte is in een Forensisch Klinische Instelling, zodat door de reclassering aan TBS met voorwaarden thans geen invulling gegeven kan worden.

Het hof acht, gelet op het bovenstaande, een oplegging van een gevangenisstraf van 1 jaar passend en geboden en is voorts van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, hetgeen mogelijk is nu de door hem begane feiten misdrijven zijn, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks vereist en de thans onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 primair bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat en/of als misdrijf vermeld worden in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Mede gezien de lange duur van het voorarrest (28 maart 2007) van verdachte acht het hof het zeer aangewezen dat op zeer korte termijn met de behandeling van verdachte wordt aangevangen. Het hof zal overeenkomstig art. 37b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht het advies geven dat de verpleging dient aan te vangen op 15 maart 2009. Het door de raadsman (tenslotte) gedane verzoek de zaak aan te houden, indien het hof zijn verweren zou verwerpen, wijst het hof af, gelet op het vorenstaande.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 242, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair en feit 4 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Adviseert de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 15 maart 2009 aan te vangen.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. H.J. Bronkhorst en mr. N.A. Schimmel in tegenwoordigheid van mr. A. Sahin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2009.