Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BY2035

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-004750-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan doodslag (slachtoffer door hoofd geschoten)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004750-07 (promis)

datum uitspraak: 3 november 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 17 juli 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-740023-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 april 2009 en 20 oktober 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten, kort samengevat:

- primair: medeplichtigheid aan moord op 26 december 2006 te Beverwijk;

- subsidiair: verboden wapenbezit op diezelfde datum en plaats.

Van de tenlastelegging is een kopie aan dit arrest gehecht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Behalve dat het hof komt tot een andere straf dan de eerste rechter geeft het hof de voorkeur aan een andere opbouw van de uitspraak volgens het – ook door de rechtbank gebruikte - “promismodel”, met name waar het gaat om de weergave van het gebruikte bewijs.

De feiten waarvan het hof uitgaat

In de namiddag van 26 december 2006 was de verdachte aanwezig in de woonwagen van [medeverdachte] te Beverwijk. De verdachte woonde in een wagen op hetzelfde terrein. In de woonwagen van [medeverdachte] waren op dat moment ook [dochter medeverdachte], de dochter van [medeverdachte], [partner medeverdachte], de partner van [medeverdachte], en [zoon partner medeverdachte], de zoon van [partner medeverdachte] en [dochter partner medeverdachte], de dochter van [partner medeverdachte], aanwezig. Op een gegeven moment kwam [medeverdachte], dronken en agressief, zijn woonwagen binnen.

Later op die avond hebben twee getuigen,[getuige 1] en [getuige 2] , waargenomen dat [medeverdachte] met een pistool [slachtoffer], de zoon van de broer van [medeverdachte], van een korte afstand in het hoofd heeft geschoten. Ten gevolge van de schotwonden in zijn hoofd is [slachtoffer] overleden. [medeverdachte] (hierna ook te noemen [medeverdachte]) is bij vonnis van 17 juli 2007 onherroepelijk veroordeeld wegens doodslag.

Standpunt van de verdediging

Ook in hoger beroep heeft de raadsman vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het pistool voor [medeverdachte] heeft gepakt en vervolgens aan hem heeft overhandigd. De verdachte heeft dit aanvankelijk wel toegegeven maar in latere verklaringen is hij daarop teruggekomen.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de getuige [zoon partner medeverdachte] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris van 8 juli 2009 deels op zijn eerder afgelegde – de verdachte belastende - verklaring van 4 januari 2007 is teruggekomen. Hij heeft op 8 juli 2009 verklaard niet meer zeker te weten dat hij heeft gezien dat de verdachte het pistool in zijn handen heeft gehad en heeft doorgeladen.

Daar komt nog bij, aldus de raadsman, dat [medeverdachte] meermalen heeft verklaard dat hij zelf het pistool heeft gepakt.

De raadsman heeft – subsidiair – betwist dat sprake is geweest van “dubbel opzet”, hetgeen een vereiste is voor medeplichtigheid: het opzet moet niet alleen gericht zijn op het feit van hulpverlening, maar ook op het misdrijf dat daarmee wordt ondersteund. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, gelet op de omstandigheden dat [medeverdachte] ten tijde van de gebeurtenissen in en rond de woonwagen op 26 december 2006 dronken en “over de rooie” was, dat [medeverdachte] de verdachte toen een klap had gegeven en dat de verdachte eerder (in mei 2006) door [medeverdachte] was bedreigd, niet kan worden bewezen dat de verdachte [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest.

Voorts is onder andere uit de verklaring van [familielid] af te leiden dat [medeverdachte] vaker een wapen bij zich had, zodat niet kan worden gezegd dat de verdachte door het pakken en overhandigen van het pistool (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, aldus de raadsman.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen, nu de verdachte opzet heeft gehad op zijn eigen bijdrage als medeplichtige, deze bijdrage van de verdachte essentieel is geweest en dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte bekend was met het wapenbezit van [medeverdachte] en hij, mede gelet op de bedreiging in mei 2006, ook wist dat [medeverdachte] in staat was om zijn wapen te gebruiken. De verdachte heeft meermalen verklaard dat hij naar buiten is gegaan om het wapen voor [medeverdachte] te pakken. De verdachte heeft gedetailleerde verklaringen afgelegd die bovendien in grote lijnen overeenkomen met de door getuigen afgelegde verklaringen. Nu de verdachte op de hoogte was van de bestaande ruzie tussen de gebroeders [familie], bij het incident in mei 2006 aan den lijve heeft ondervonden dat [medeverdachte] in staat is het wapen te gebruiken en ook heeft gezien in welke staat [medeverdachte] op dat moment verkeerde, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer aanvaard. Dat de verdachte uit angst zou hebben gehandeld is volgens de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden.

Voorts heeft de advocaat-generaal betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte naar de sporthal is gegaan om [slachtoffer] dan wel zijn vader [vader] naar buiten te lokken, nu slechts één getuige een dergelijke verklaring heeft afgelegd en alle andere getuigen anders hebben verklaard.

Overweging ten aanzien van het bewijs en oordeel van het hof

[dochter medeverdachte], [partner medeverdachte] en [zoon partner medeverdachte] waren op 26 december 2006 te Beverwijk in de woonwagen van [medeverdachte] aanwezig en hebben alle drie verklaard dat [medeverdachte], toen hij de woonwagen binnenkwam erg kwaad, dronken en agressief was. Voorts hebben zij verklaard, hetgeen ook overigens overeenkomt met de verklaring van de verdachte zelf, dat hij heeft geschreeuwd “[verdachte], pak mijn pistool, waar is mijn pistool”, althans woorden van gelijke strekking.

De verdachte heeft op 8 januari 2007, de dag waarop hij voor het eerste als verdachte is gehoord, onder meer verklaard:

“Hij trok mij mee naar de zijkant van de wagen. Dit is van het trappetje af voor de wagen langs linksaf. Op die manier liepen we naar de achterzijde van de wagen. Op het moment dat hij met mij om de wagen liep wist ik dat we naar een plaats achter de wagen liepen waar het wapen zou moeten liggen.”

“Ik ben op de grond gaan liggen en heb mijn arm door het gat gestoken en voelde een doek met iets hards erin. Ik heb het bundeltje uit het gat gehaald en het pakket terwijl ik nog op de grond lag aan [medeverdachte] gegeven. Hij stak zijn hand uit om het aan te pakken. Ik krabbelde weer overeind. Het had de vorm van een vuurwapen en er zat ook nog een ander voorwerp in, iets rechts. Ik neem aan dat dat een magazijn was. De doek waarin het zat betrof een theedoek, rood en wit geblokt.”

De verdachte heeft vervolgens op 11 januari 2007, in aanwezigheid van zijn raadsman, bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij de politie de waarheid had verteld en op 26 december 2006 in Beverwijk op verzoek van [medeverdachte] een wapen onder diens woonwagen had gepakt en aan hem had overhandigd.

Later heeft de verdachte verschillende verklaringen afgelegd waarin hij in twijfel heeft getrokken of hij het wapen heeft gepakt en overhandigd, dan wel dat heeft ontkend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard:

“Ik zou niet weten of ik het vuurwapen heb gepakt. Mijn gedachte en mijn gevoel zeggen dat ik dat niet gedaan heb. Ik durf er geen zinnig antwoord op te geven. Ik kan dus ook niet uitsluiten dat ik het heb gedaan.”

[zoon partner medeverdachte] heeft op 4 januari 2007 als volgt verklaard:

“Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] om de hoek van de wagen kwamen lopen. Ze kwamen van achter de wagen vandaan. (…) Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] samen links van achter de wagen vandaan kwamen. Ze liepen redelijk dicht bij elkaar. [medeverdachte] liep voorop en [verdachte] liep er iets rustiger achter aan. (…) Ik zag dat [medeverdachte] een wapen in zijn linkerhand had.”

Het hof hecht geloof aan de verklaring van de verdachte van 8 januari 2007 en gaat uit van de daarin door de verdachte beschreven gang van zaken. Het hof komt tot dit oordeel nu deze verklaring gedetailleerd is, kort na het voorval door de verdachte is afgelegd en bovendien in grote lijnen overeenkomt met hetgeen [zoon partner medeverdachte] als getuige heeft verklaard. Het enkele feit dat de verdachte zich ter zitting niets meer herinnerde van wat er was gebeurd doet, gelet op het tijdverloop, niet af aan zijn op 8 januari 2009 afgelegde verklaring. Het hof weegt hierbij ook mee, dat verdachte, na eerst iedere wetenschap omtrent het wapen te hebben ontkend, zelf naar de politie is gegaan en belastend over zichzelf is gaan verklaren, terwijl hij – naar zijn zeggen – op dat moment reeds door de familie van het slachtoffer werd bedreigd en het onder die omstandigheden niet in de rede ligt feiten te bekennen, indien deze niet op waarheid zouden berusten.

Anders dan de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de verklaring van [zoon partner medeverdachte] op 4 januari 2007 wel tot het bewijs kan worden gebezigd, nu hij bij de raadsheer-commissaris op 8 juli 2009 niet is teruggekomen op zijn verklaring van 4 januari 2007, maar uitsluitend over enige onderdelen heeft verklaard dat hij zich die niet meer herinnert.

Medeplichtigheid en dubbele opzet

De voorgaande overwegingen brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte opzettelijk het pistool vanuit de ruimte onder de woonwagen heeft gepakt en aan [medeverdachte] heeft overhandigd.

Door het wapen aan [medeverdachte] te geven heeft de verdachte ook voorwaardelijk opzet gehad op de doodslag van het slachtoffer.

Het hof overweegt daartoe dat de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte], toen hij op 26 december 2006 de woonwagen binnenkwam woedend en dronken was en aan de verdachte vroeg waar zijn pistool was. Verder heeft de verdachte op 3 januari 2007 verklaard dat, toen [medeverdachte] en hij ruzie hadden in mei 2006, [medeverdachte] bij hem aan de deur is gekomen, een pistool bij zich had en hem daarmee heeft bedreigd. Verder heeft de verdachte bij de rechtbank verklaard dat hij [medeverdachte] in mei 2006 in staat achtte zijn wapen te gebruiken. De verdachte heeft, door onder deze omstandigheden het vuurwapen te pakken en aan [medeverdachte] te geven, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze vervolgens met dat wapen iemand van het leven zou beroven.

Het bewijs en het bewezenverklaarde

Het hof acht op grond van de in de voetnoten 2 t/m 16 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof acht, evenals de advocaat-generaal onvoldoende bewijs aanwezig voor de overige primair tenlastegelegde uitvoeringshandelingen van de medeplichtigheid. Aan het wettig en overtuigend bewijs van de medeplichtigheid doet dit niet af.

Het hof acht dus wettig en overtuigend bewezen dat:

[medeverdachte] omstreeks 26 december 2006 te Beverwijk opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] met dat opzet met een vuurwapen in het hoofd van [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 26 december 2006 te Beverwijk opzettelijk middelen heeft verschaft door, nadat [medeverdachte] op agressieve en dreigende wijze en toon tegen hem, verdachte had gezegd:'[verdachte] waar is mijn pistool, pak mijn pistool [verdachte]', althans woorden van gelijke aard of strekking,

- met [medeverdachte] de woonwagen te verlaten en naar de achterkant van de woonwagen te gaan en

- op aanwijzingen van die [medeverdachte] voornoemd wapen van onder de woonwagen tevoorschijn te halen en vervolgens aan [medeverdachte] te overhandigen.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het primair bewezenverklaarde

medeplichtigheid aan doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte voor het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot gevangenneming afgewezen.

Tegen dat vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid op de doodslag op [slachtoffer] doordat de verdachte, in opdracht van [medeverdachte], een pistool heeft gepakt en aan hem heeft overhandigd. [medeverdachte] heeft [slachtoffer] vervolgens met dit pistool van het leven beroofd.

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 juli 2007 een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Het hof is echter van oordeel dat deze straf geen recht doet aan de ernst van het gepleegde misdrijf.

Behalve dat, zoals uit de documentatie van 1 oktober 2009 blijkt, de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, zijn de strafverzachtende factoren niet van een zodanig gewicht dat zou kunnen worden volstaan met een straf zoals door de rechtbank opgelegd.

Uit de stukken in het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting komt weliswaar naar voren dat de verdachte reden had om beducht te zijn voor [medeverdachte] en dat de verdachte eerder in 2006 door hem is bedreigd, maar dat die druk zodanig was dat de verdachte niet of heel moeilijk kon weigeren het vuurwapen voor [medeverdachte] te pakken, is niet gebleken.

Het hof rekent het de verdachte dan ook ten volle aan dat hij geen weerstand heeft geboden aan [medeverdachte]. Hij had, juist ook na de bedreiging in mei 2006, moeten en kunnen beseffen dat hij, door het pistool voor [medeverdachte] te pakken en aan hem te overhandigen, een woedende, dronken en derhalve onberekenbare man een wapen in handen gaf waarmee deze – zeker in deze toestand – iemand van het leven zou kunnen beroven.

Op grond van dit alles komt het hof tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te noemen duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 48 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals ze golden toen het bewezenverklaarde is begaan. ..

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs en bewezenverklaarde vermeld.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. J.P. Splint en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2009.

Mr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.