Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BY2033

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-004698-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bewezen verklaard mishandeling (door met steel of stok tegen lichaam te slaan)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004698-07

datum uitspraak: 17 september 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

21 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-523081-07 van het openbaar ministerie

tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijfplaats: [verblijfplaats]

adres: thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 juni 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitnota primair aangevoerd dat weliswaar vaststaat dat de verdachte een mes heeft gepakt en aan [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]) heeft getoond maar dat geen van de getuigen heeft verklaard dat de verdachte hiermee een stekende beweging heeft gemaakt. De verdachte heeft enkel een mes uit de keukenlade gepakt om hiermee te dreigen opdat [slachtoffer] uit de woning van [getuige 1] (hierna [getuige 1]) zou weggaan. Op het moment waarop de verdachte het mes aan [slachtoffer] voorhield, sloeg [slachtoffer] met een fietsketting dit mes uit de hand van de verdachte, waardoor het mes op de grond kwam. Vervolgens heeft [slachtoffer] het mes opgeraapt. De verdachte heeft het mes hierna niet meer vastgehad.

Nu niet is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] heeft gestoken dient de verdachte te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde feit.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren. Gelet op de verklaring van de aangever, de verdachte en de getuigen, in het bijzonder de verklaring van de getuige [getuige 2] (hierna [getuige 2]) heeft de verdachte in het halletje van de woning van zijn vriendin [getuige 1]een mes in de hand gehad en hiermee een stekende beweging gemaakt naar het slachtoffer [slachtoffer]. De advocaat-generaal acht poging tot doodslag bewezen omdat [slachtoffer] als gevolg van die messteek had kunnen overlijden aangezien [slachtoffer] een snijwond had in de rugstreek, waar zich vitale organen bevinden.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier vast dat de verdachte een mes uit de keuken in het huis van [getuige 1]heeft gepakt en hiermee dreigend tegenover [slachtoffer] heeft gestaan.

Zowel de verdachte als [getuige 1]heeft verklaard dat [slachtoffer] het mes met een fietsketting uit de hand van de verdachte heeft geslagen. Alleen [getuige 2] heeft in zijn verhoor als getuige bij de politie verklaard gezien te hebben dat de verdachte met het mes heeft uitgehaald in de richting van de schouder van [slachtoffer]. Deze getuige heeft echter op 22 april 2009 bij de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam verklaard dat hij dacht dat de verdachte zou uithalen met het mes maar dat hij niet gezien heeft dat de verdachte met het mes heeft uitgehaald.

De getuige [getuige 3] bevestigt deze lezing bij de politie op 10 maart 2007 waar zij verklaart dat de getuige [getuige ] vanuit de positie waar hij zich bevond ten opzichte van de verdachte niet heeft kunnen zien dat de verdachte [slachtoffer] zou hebben gestoken met een mes.

Bovendien kan, naar het oordeel van het hof, zonder nadere bewijsmiddelen het letsel van [slachtoffer] op de rug niet in verband worden gebracht met de beweging in de richting van de schouder van [slachtoffer] waarover door [getuige 2] is verklaard. Volgens [getuige 2] stonden verdachte en [slachtoffer] toen tegenover elkaar. [slachtoffer] heeft als enige verklaard dat hij in de deuropening met zijn rug naar verdachte gekeerd heeft gestaan toen hij werd gestoken. Bij de rechter-commissaris legt hij op 22 april 2009 een geheel andere verklaring af. Verdachte zou zijn omgelopen en [slachtoffer] in de rug hebben gestoken terwijl verdachte buiten achter hem stond.

Het hof stelt voorts vast dat [slachtoffer] ook op diverse andere onderdelen geheel anders heeft verklaard bij de rechter-commissaris op 22 april 2009 dan hij bij de politie heeft gedaan. Dit doet afbreuk aan de bruikbaarheid van zijn verklaring voor het bewijs.

Gelet op het voorgaande heeft het hof niet de overtuiging dat de verdachte [slachtoffer] met het mes heeft gestoken. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Daarnaast zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde feit aangezien het hof in overeenstemming met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte het opzet heeft gehad om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte

onder 1 en 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaarde

Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit komt het hof niet toe aan de bespreking van het door de verdediging met betrekking tot feit 1 gevoerde bewijsverweer dat de bij [slachtoffer] aan zijn rug geconstateerde snijwond op een andere wijze zou zijn veroorzaakt dan door toedoen van het handelen van de verdachte.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

op 5 maart 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een steel of stok een of meermalen tegen zijn lichaam heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

op 5 maart 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] een vuistslag tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor die [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsvouw heeft aan de hand van haar pleitnota verder nog betoogd dat de verdachte ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging aangezien de verdachte heeft gehandeld in een noodweersituatie en hiertoe het volgende aangevoerd.

Nadat de verdachte uit het huis van [getuige 1]was weggerend, is [slachtoffer] achter de verdachte aangerend met in zijn ene hand genoemd mes en in zijn andere hand een fietsketting. Vervolgens heeft de verdachte [slachtoffer] afgeschud en is hij teruggegaan naar [slachtoffer] om met hem te praten, maar niet om de confrontatie met hem aan te gaan. De verdachte werd vervolgens geconfronteerd met [slachtoffer] die in zijn richting met de fietsketting aan het zwaaien was. Het enige wat de verdachte op dat moment kon doen was zich verdedigen met een stok en zijn vuisten. Als hij toen was weggelopen had dat er direct toe kunnen leiden dat de verdachte door [slachtoffer] met de fietsketting van achteren zou zijn geraakt. De verdachte heeft aldus gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding.

De advocaat-generaal is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er sprake was van een noodweersituatie en concludeert tot verwerping van dit verweer.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken van het dossier is het volgende aannemelijk geworden. Nadat [slachtoffer] de hal van [getuige 1]s woning had betreden met een fietsketting in zijn hand, heeft de verdachte een mes uit de keukenlade gepakt. Hij liep met het mes in de hand in de richting van [slachtoffer]. Vervolgens sloeg [slachtoffer] met een fietsketting het mes uit de handen van de verdachte waarna het mes op de grond viel en [slachtoffer] het mes opraapte. Hierop is de verdachte naar buiten gerend, waarop [slachtoffer] de verdachte achterna rende met het mes en de fietsketting in zijn handen.

De verdachte wist [slachtoffer] van zich af te schudden en liep daarna met een stok, die hij op straat had aangetroffen, in de hand terug in de richting van de woning van [getuige 1]. Uit het dossier blijkt niet dat er op dat moment nog een dreigende situatie bestond voor [getuige 1]of één van haar kinderen. Bovendien heeft [getuige 1]bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte naar de middenberm van de Meteorenweg tegenover haar woning liep en niet naar de woning zelf.

Vervolgens heeft er wederom een confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden. Beide mannen stonden tegenover elkaar. [slachtoffer] haalde uit met de fietsketting naar de verdachte en de verdachte sloeg hem daarop met een stok (zie de bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte, p. 52-56 en [getuige 2], p. 28-32).

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij daarop een hevige pijn voelde aan de zijkant van zijn linkerheup.

Daarna balde de verdachte zijn rechtervuist en gaf [slachtoffer] een stomp tegen de rechterzijde van diens gezicht. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij toen een hevige pijn voelde (zie de politieverklaring van [slachtoffer], p. 13-17).

Het hof is van oordeel dat gelet op voornoemde omstandigheden niet aannemelijk is dat verdachte in een noodweersituatie verkeerde waarin hij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding.

Gelet op de eerdere confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] is het hof van oordeel dat de verdachte -door gewapend met een stok terug te gaan naar het huis van [getuige 1], terwijl hij kon vermoeden dat [slachtoffer] zich op deze route met een mes en een fietsketting in zijn handen bevond- zich bewust in een situatie heeft begeven waarin hij redelijkerwijs kon vermoeden dat deze tot een confrontatie zou leiden met [slachtoffer]. De aard en de intensiteit van het op hem uitgeoefende geweld hoefden voor hem onder deze omstandigheden geen verrassing te zijn.

Het hof verwerpt gelet hierop het verweer van de raadsvrouw.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde

mishandeling;

ten aanzien van het 3 bewezenverklaarde

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Geen oplegging van straf of maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftek van voorarrest en tot een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van het bedrag van € 1.198,95, subsdiair 23 dagen vervangende hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest en tot een schadevergoedingsmaatregel voor het bedrag van € 1.198,-, subsdiair 23 dagen hechtenis.

In verband met de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan is het hof van oordeel dat geen straf of maatregel dient te worden opgelegd ten aanzien van de onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde feiten.

Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 6 van het EVRM, is geschonden. Tussen de datum van instellen van hoger beroep op 5 juli 2007 en de datum dat de uitspraak in deze zaak zal plaatsvinden op 17 september 2009 is ruim 2 jaar en 3 maanden gelegen. Nu het hof in deze zaak geen straf of maatregel zal opleggen zal het hof in deze zaak volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte

onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem tenlastegelegde feiten.

Aangezien de gevorderde materiële schade klaarblijkelijk betrekking heeft op feit 1 zal het hof, nu de verdachte voor dat feit wordt vrijgesproken, de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding, enerzijds omdat deze haar grondslag grotendeels vindt in feit 1 en de verdachte daarvoor wordt vrijgesproken, anderzijds omdat de vordering voorzover deze betrekking heeft op de feiten 2 en 3 niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in het strafproces.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat ten aanzien van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. W.M.C. Tilleman en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2009.