Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BX6292

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
02-09-2012
Zaaknummer
23-003681-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling kunnen niet bewezen worden, aangezien niet is vast komen te staan welke omstandigheid ertoe heeft geleid dat de verdachte de wurggreep op het slachtoffer op een gegeven moment heeft beëindigd. De mogelijkheid dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden – in welk geval van een strafbare poging geen sprake zou zijn - kan derhalve niet worden uitgesloten. De verdachte moet hiervan dus worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-003681-08

datum uitspraak: 26 maart 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 3 juli 2008 in de strafzaak onder de parketnummers 15-700120-08 en 23-006006-05 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonplaats],

thans verblijvende in P.I.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde, nu de verdachte van die feiten is vrijgesproken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 juni 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feit 1 primair en feit 1 subsidiair

De onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling kunnen niet bewezen worden, aangezien niet is vast komen te staan welke omstandigheid ertoe heeft geleid dat de verdachte de wurggreep op het slachtoffer [slachtoffer 1] op een gegeven moment heeft beëindigd. De mogelijkheid dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden – in welk geval van een strafbare poging geen sprake zou zijn - kan derhalve niet worden uitgesloten. De verdachte moet hiervan dus worden vrijgesproken.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2009 het verweer gevoerd dat het aan de verdachte ten laste gelegde feit 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair) niet bewezen kan worden verklaard. Volgens de raadsman kan de bewezenverklaring van feit 1 enkel steunen op de verklaringen van het slachtoffer, [slachtoffer 1], welke verklaringen (in onderlinge samenhang) onbetrouwbaar zijn gebleken omdat deze op diverse punten niet met elkaar zijn te rijmen, hetgeen onvoldoende is voor een bewezenverklaring van feit 1 primair, subsidiair dan wel meer subsidiair.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals bij zoveel misdrijven zijn ook in het onderhavige geval slechts de dader en het slachtoffer aanwezig geweest. Er zijn geen getuigen die de strangulatie hebben gezien. Hoewel het huis van het slachtoffer gehorig was, heeft de enige andere aanwezige in de woning, de heer [getuige 1], niets gehoord. Dat is naar het oordeel van het hof niet onaannemelijk, nu het incident in de nachtelijke uren plaatsvond en de heer [getuige 1] in zijn eigen kamer lag te slapen en het slachtoffer bovendien, blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, geen geluid kon maken aangezien haar keel werd dichtgeknepen. Het hof acht de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en - op hoofdlijnen - consistent. Het slachtoffer heeft vanaf de aangifte bij de politie verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in een wurggreep heeft gehouden. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij stellig en zonder enige aarzeling of voorbehoud verklaard dat de verdachte eerst met een arm haar hals heeft afgekneld en daarna met twee handen haar keel heeft dichtgeknepen. Daaraan doet niet af dat het slachtoffer tegenover de arts in het ziekenhuis – direct na het incident - heeft gezegd dat “een medebewoner” getracht had om haar te wurgen. Zij heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat zij na het incident dusdanig in de war was en bovendien een zware hersenschudding had, dat het best zou kunnen zijn dat zij het woord medebewoner heeft gebruikt, maar dat zij ook destijds daarmee de verdachte heeft bedoeld.

Ook ter terechtzitting in hoger beroep was het slachtoffer eenduidig en stellig in haar opvatting dat het de verdachte was die haar in een wurggreep heeft genomen. Zij heeft toen gedetailleerd verklaard wat er voorafgaande en tijdens de wurggreep is gebeurd en dat zij het gezicht van de verdachte toen goed heeft kunnen zien.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 meer subsidiair:

hij op een tijdstip in de periode van 12 tot en met 13 februari 2008 te Haarlem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een of meermalen de keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Feit 3:

hij op 23 november 2007 te Haarlem op een openbare weg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende een portemonnee en meerdere passen en een identiteitskaart en een bromfietscertificaat en een kentekenbewijs en een sleutelbos en meer stuks make-up, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, tegen de fiets waarop die [slachtoffer 2] achterop zat, is opgebotst en vervolgens meermalen met kracht aan de tas van die [slachtoffer 2] heeft getrokken;

Feit 4:

hij op 24 november 2007 te Haarlem op de openbare weg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende onder andere een geldbedrag groot 75 euro en een Nokia type 2600, imeinummer 358397000698710, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- met zijn fiets tegen die [slachtoffer 3] is aangereden, waardoor die [slachtoffer 3] en verdachte op de grond zijn gevallen, en

- vervolgens meermalen aan die tas van die [slachtoffer 3] heeft getrokken en

- meermalen op het linker oog, althans het gezicht, van die [slachtoffer 3] heeft gestompt.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair, onder 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde:

mishandeling;

ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde, telkens:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten aanzien van feit 1 primair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf kan worden gelast indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt en de verdachte de navolgende bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Brijder verslavingszorg, zolang die instelling dat nodig acht;

- dat hij actief zal meewerken aan het programma van Triple-Ex, of een door deze instelling in overleg met de Brijder verslavingszorg aangewezen alternatieve behandeling en

- dat hij zich zal houden aan de afspraken van Triple-Ex en het programma niet voortijdig zal onderbreken.

De vordering tot vergoeding van de door benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade is toegewezen tot een bedrag van € 664,95, waarbij de verdachte is veroordeeld dat bedrag voornoemd aan [slachtoffer 3] te betalen. Als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] is de verplichting aan de verdachte opgelegd tot betaling van een bedrag van € 664,95 aan de staat, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis. Betalingen aan de benadeelde partij strekken in mindering op de verplichting tot betaling aan de staat en betalingen aan de staat strekken in mindering op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie is toegewezen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 24 oktober 2006 in de zaak met parketnummer 23-006006-05, is gelast.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en te dien aanzien, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Brijder verslavingszorg, ook als dat inhoudt dat de verdachte een behandeling dient te ondergaan.

Tevens heeft hij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 664,95, met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht voor hetzelfde bedrag, alsmede toewijzing van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 23-006006-05.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer nare mishandeling van mevrouw [slachtoffer 1], van welke mishandeling zij nog altijd de psychische gevolgen ondervindt. Het slachtoffer is in haar eigen woning door de verdachte in een wurggreep genomen, hetgeen blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep en haar schriftelijke slachtofferverklaring een zeer traumatische ervaring voor haar is geweest.

Eveneens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal berovingen op straat, gedurende de nachtelijke uren, waarbij hij eenmaal tegen de fiets opbotste waar het slachtoffer achterop zat, en hij het andere slachtoffer, dat over het trottoir liep, heeft aangereden waardoor zij voorover op de grond terecht kwam en daarna de handtas heeft weggenomen. Dergelijke berovingen veroorzaken bij de slachtoffers daarvan veelal gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving onrust teweeg.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 maart 2009 is verdachte eerder voor onder meer straatroof en diverse diefstallen veroordeeld, hetgeen de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige delicten te plegen. Hoewel het hof, in tegenstelling tot de rechtbank, niet bewezen verklaart de poging tot doodslag, acht het hof de mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 1] (die betrekking heeft op dezelfde gedragingen van verdachte) van dermate ernstige aard dat het hof, alles overwegende, de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden acht.

In verband met de bijzondere voorwaarde van toezicht bij de Brijder verslavingszorg en de daaraan te koppelen behandeling overweegt het hof dat te allen tijde dient te worden voorkomen dat de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 1] gelijktijdig in de behandelkliniek van Triple-Ex verblijven.

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het onder feit 3 en 4 bewezengeachte met behulp van dit voorwerp is begaan of voorbereid.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2006, parketnummer 23-006006-05, van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bij dat arrest voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 4 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem tenlastegelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 4 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer subsidiair, onder 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op de grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Brijder verslavingszorg, zolang die instelling dat nodig acht, ook indien dat inhoudt dat de verdachte een zogeheten Triple Ex-behandeling of daarmee vergelijkbare behandeling van die of een andere instelling dient te ondergaan, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 zwarte fiets, type mountainbike, merk Impala.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 meerkleurige nylon jas, merk Nickelson;

- 1 zwart Bomberjack.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 witte katoenen broek, merk Miss Etam;

- 1 meerkleurig hemd, voorzien van camouflage opdruk;

- 1 meerkleurig t-shirt, merk Forecast;

- 1 meerkleurige deken;

- 1 gouden oorbel;

- 1 zilveren ketting (voorzien van een kruis en hangertje);

- 1 grijze haarband;

- 1 gevlochten armband;

- 1 zilveren oorbel;

- 1 oranje armband;

- 1 gouden oorbel;

- 1 zilveren ring;

- 1 zilveren ring;

- 1 zilveren ring (soort trouwring);

- 1 zilveren armband.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 3] van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 grijze mobiele telefoon, merk Nokia, IMEI nummer -.

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp ten behoeve van de rechthebbende, te weten:

- 1 blauwe mobiele telefoon, merk Nokia, eigenaar onbekend.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2006, met parketnummer 23-006006-05, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3], wonende te Haarlem, rekeningnummer 6315877, een bedrag van € 664,95 (zeshonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

€ 664,95 (zeshonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 3].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 13 (dertien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. M.J.L. Mastboom en mr. W.M.C. Tilleman, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Maris, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2009.