Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5736

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
23-001893-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijgesproken van (medeplegen van) moord: onvoldoende bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001893-06

datum uitspraak: 16 februari 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 13 april 2006 in de strafzaak onder parketnummer 15-635138-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

niet ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens hier te lande,

maar feitelijk verblijvende te [verblijfplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 maart 2006, 16 maart 2006, 27 maart 2006 en 30 maart 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 2 oktober 2008, 24 november 2008, 15 januari 2009 en 2 februari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 13 november 2004 tot en met 14 november 2004 te Amsterdam en te Vinkeveen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zijn mededaders met dat opzet

- die [slachtoffer] in café Archimedes te Amsterdam met kracht tegen het hoofd geslagen en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer] gehouden en

- die [slachtoffer] naar een kamer in hotel Bilderberg te Vinkeveen gebracht en

- in die hotelkamer die [slachtoffer] van zijn vrijheid beroofd gehouden.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Het hof neemt over wat de rechtbank omtrent het bewijs heeft overwogen in haar vonnis onder 4.3 en verwijst daarnaar. Hetgeen de raadsvrouw in hoger beroep naar voren heeft gebracht, doet daaraan niet af dan wel vindt zijn weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen.

Motivering van de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Bewezen is dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Het hof acht voldoende aannemelijk dat deze vrijheidsberoving was gericht op de overdracht van [slachtoffer] aan de "Engelsen", zodat die "Engelsen" [slachtoffer] ter verantwoording konden roepen voor zijn aandeel in een mislukte cocaïnedeal in Madrid in oktober 2004.

Op 14 november 2004 omstreeks 17.00 uur is [slachtoffer] aan de "Engelsen" overgedragen. Op 15 november 2004 omstreeks 13.45 uur is zijn levenloze lichaam op een evenemententerrein aan de Wethouder Van Essenweg te Halfweg aangetroffen. [slachtoffer] bleek om het leven te zijn gebracht door een schot in het achterhoofd.

Het dossier geeft geen inzicht in wat zich in de periode tussen die tijdstippen ten aanzien van de levensberoving heeft afgespeeld. De vragen waar, wanneer en door wie [slachtoffer] om het leven is gebracht, kunnen niet met voldoende zekerheid worden beantwoord.

Ook indien zou moeten worden aangenomen dat [slachtoffer] op 14 november 2004 (mede) aan de verdachte is overgedragen, is onvoldoende bewijs voorhanden dat de verdachte op de in de tenlastelegging omschreven wijze, te weten als pleger of medepleger van moord, is betrokken bij de levensberoving van [slachtoffer] die daarna is gevolgd. Ook wat vastgesteld kan worden over de reisbewegingen van de bij de verdachte in bezit zijnde telefoon, maakt dat niet anders.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte vrijgesproken voor het onder 1 tenlastegelegde en voor het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte voor tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Deze is meegenomen vanuit een café in Amsterdam naar een hotel in Vinkeveen en daar gedurende ongeveer een etmaal vastgehouden.

Een en ander diende om hem over te dragen aan Engelsen, die hem verantwoordelijk hielden voor een groot financieel verlies na een mislukte cocaïnetransactie. Tegen deze [slachtoffer] is geweld gebruikt. Hij is uiteindelijk in het hotel aan Engelsen overgedragen. De daaropvolgende dag is het lichaam van [slachtoffer] gevonden. Hij bleek om het leven gebracht.

De verdachte heeft door zijn handelen grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Daarbij heeft hij kunnen voorzien dat de overdracht aan de Engelsen weinig goeds voor [slachtoffer] zou meebrengen. Het hof rekent de verdachte zijn rol zwaar aan.

Het door de verdachte gepleegde feit is een ernstig misdrijf dat een grote inbreuk maakt op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. Daarbij past slechts een straf die langdurige vrijheidsbeneming meebrengt.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 september 2008 is verdachte niet eerder in Nederland strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof constateert dat sprake is van een aanzienlijke schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Immers, tussen het instellen van het hoger beroep op 27 april 2006 namens de verdachte en het wijzen van arrest door het hof op 16 februari 2009 is een periode verstreken van twee jaren en bijna tien maanden.

Het hof zou zonder evengenoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, moet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Deze is passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij J. [slachtoffer]

Het hof heeft geconstateerd dat het door de benadeelde partij overeenkomstig artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering ingediende voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, ten onrechte niet is aangemerkt als een voeging van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van dat Wetboek in het onderhavige strafproces.

Het hof heeft voorts geconstateerd dat de benadeelde partij zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft gevoegd met een vordering van EUR 5.684,82 exclusief rente.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partij daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar en 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij J. [slachtoffer]:

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen en verwijst haar in de kosten, voor zover tot heden aan de zijde van de veroordeelde gevallen, bepaald op nihil.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.M.J. Chorus, mr. L.A.J. Dun en mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2009.