Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5727

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
23-001644-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot doodslag (met mes in gezicht en in nek gesneden)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001644-09

datum uitspraak: 8 december 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2009 in de strafzaak onder de parketnummers 13-524056-08 en 13-442555-07 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 2 maart 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 2009 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde -

hij op 1 februari 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn mededader naar die [slachtoffer] is gegaan waarna zijn mededader met een mes in het gezicht en in de nek van die [slachtoffer] heeft gesneden;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 1 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit sigarenmagazijn [slachtoffer], gevestigd [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sloffen sigaretten en kraskaarten en pakjes sigaretten en geld, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte, en zijn mededader vermomd met bivakmuts/capuchon

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] hebben gericht en gericht hebben gehouden en

- tegen die [slachtoffer] hebben gezegd "net als de vorige keer" en

- die [slachtoffer] onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gedwongen achter de toonbank op zijn knieën te gaan zitten en

- die [slachtoffer] hebben gedwongen sloffen sigaretten in een tas te stoppen en die [slachtoffer] hebben gedwongen de kassa te openen en

- meermalen die [slachtoffer] hebben geschopt en die [slachtoffer] tegen het hoofd hebben geslagen en

- meermalen tegen die [slachtoffer] hebben gezegd "ik maak je dood" en

- met een mes in het gezicht en in de nek van die [slachtoffer] hebben gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (snijwond dwars door linkerwang en in nek) heeft bekomen;

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij op 16 oktober 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sigarenwinkel [sigarenwinkel], gevestigd [adres] heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 600 Euro en 20 pakjes sigaretten, merk Malboro, toebehorende aan [sigarenwinkel], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededaders (vermomd met nylonachtige maskers) een mes in de richting van die [slachtoffer 2] hebben gehouden en tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd "geld, geld" en vervolgens met een mes meermalen in de richting van de buik van die [slachtoffer 2] hebben gestoken en tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd "open de kassa, open de kassa”;

- ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde -

hij op 18 november 2006 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit sigarenwinkel [winkel], gevestigd [adres], weg te nemen geld en/of goed, toebehorende aan [slachtoffer 3], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, met een mededader die winkel is binnengegaan en zij vervolgens die [slachtoffer 3] een aardappelschilmesje hebben getoond en tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat het een overval was;

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde -

hij op 4 juli 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een Boekhandel [boekhandel], gevestigd [adres] heeft weggenomen geld en pakjes sigaretten en strippenkaarten/GVB-abonnementen en telefoonkaarten en boekenbonnen en postzegels en een stempel voor strippenkaarten, toebehorende aan Boekhandel [boekhandel], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededader (vermomd met nylonachtige panty's) een mes in de richting van die [slachtoffer 4] hebben gehouden en die [slachtoffer 4] hebben gezegd "geld, geld" en "kassa open maken" en vervolgens met een mes op korte afstand in de richting van die [slachtoffer 4] hebben gezwaaid en meermalen tegen die [slachtoffer 4] hebben gezegd '"je gaat niet de politie bellen" en "meer, meer" en "meer geld, meer geld kluis" en "sigaretten".

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van verweren

Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd hetgeen staat opgetekend in haar pleitnota, die bij de stukken is gevoegd.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft zij het navolgende – kort en zakelijk weergegeven - betoogd.

a) De verdachte heeft een alibi

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de verdachte een alibi heeft inhoudende dat hij ten tijde van de overval op sigarenmagazijn [slachtoffer], te weten op 1 februari 2008 omstreeks 9.10 uur, op school aanwezig was. De verdachte is volgens de door de politie bij de school opgevraagde absentielijst ten tijde van de overval niet absent gemeld, aldus de raadsvrouw, zodat hij de overval niet kan hebben gepleegd.

Naar het oordeel van het hof staat op grond van de door getuigen afgelegde verklaringen niet vast dat de verdachte ten tijde van de overval op de genoemde zaak inderdaad op school aanwezig is geweest. [docent], docente tekenen, heeft bij de politie op 17 maart 2008 verklaard dat zij op 1 februari 2008 bij het tweede en derde lesuur, welke lesuren om 9.15 uur aanvingen, niet de absentielijst heeft bijgehouden, omdat zij toen haar agenda niet bij zich had. Volgens [docent] is de verdachte toen echter niet in haar les aanwezig geweest, hetgeen zij op 18 maart 2008 nog eens, onderbouwd, telefonisch aan de politie heeft bevestigd. Ook de rector van de school, [rector], en de leerlingencoördinator, [coördinator], hebben bij de politie verklaard dat het regelmatig voorkomt dat docenten de absenten niet (nauwkeurig) vermelden op de absentielijst. [coördinator] heeft bovendien melding gemaakt van het feit dat de verdachte regelmatig van school verzuimde.

b) De herkenning van de camerabeelden

Volgens de raadsvrouw laten de herkenningen van de verdachte op de in sigarenmagazijn [slachtoffer] gemaakte camerabeelden door aan de school van de verdachte verbonden leerkrachten en personeel teveel ruimte voor de mogelijkheid dat het de verdachte niet is geweest die op de beelden staat afgebeeld.

Het hof verwerpt bovenstaand verweer en overweegt daartoe als volgt. Een zestal fotoprints van de beelden van het in de winkel van [slachtoffer] aangebrachte camerasysteem zijn getoond aan drie medewerkers van het College in Amsterdam, de school van de verdachte. Deze drie medewerkers, getuigen , die de verdachte uit hoofde van hun functie goed kennen, hebben zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris eensluidend verklaard dat zij de verdachte op deze fotoprints hebben herkend, onder meer aan zijn lichaamshouding. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de herkenning van de verdachte, neergelegd in de processen-verbaal van getuigenverhoor, voldoende betrouwbaar is en bruikbaar voor het bewijs.

c) Het DNA

Door de raadsvrouw is betoogd dat het aantreffen van DNA van de verdachte op de in het sigarenmagazijn van [slachtoffer] na de overval achtergelaten bivakmuts, niet uitsluit dat deze bivakmuts ten tijde van de overval niet door de verdachte is gedragen en dat het celmateriaal van de verdachte door secundaire overdracht op de bivakmuts terechtgekomen kan zijn. Indien de verdachte deze bivakmuts al gedragen zou hebben, valt tevens niet uit te sluiten dat deze bivakmuts ook gedragen is door een ander, zonder dat daarbij een volgorde is aan te geven wie de muts als laatste heeft gedragen.

Het hof overweegt als volgt. Na de overval op sigarenmagazijn [slachtoffer] op 1 februari 2008 is in de winkel een bivakmuts gevonden waarop DNA- sporen zijn aangetroffen, die, na onderzoek, blijken overeen te komen met een uit het wangslijm van de verdachte naar voren gekomen DNA-profiel. Uit de aangifte van [slachtoffer] en de gemaakte camerabeelden blijkt dat de overvallers bivakmutsen hebben gebruikt. [slachtoffer] heeft op enig moment de bivakmuts van het hoofd van één van de daders getrokken. Nu de verdachte als dader 1 op de camerabeelden is herkend en dader 1 op deze beelden zowel met als zonder bivakmuts is te zien en bovendien het DNA van de verdachte op de bivakmuts is aangetroffen, acht het hof bewezen dat de verdachte de overval op deze sigarenwinkel heeft gepleegd. Hetgeen door de deskundige A.J. Kal bij de rechter-commissaris is verklaard, zoals door de raadsvrouw aangehaald, doet hier niet aan af.

d) De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte

Volgens de raadsvrouw kan opzet op het toepassen van geweld bij de overval niet worden vastgesteld, ook niet in voorwaardelijke vorm. Voorts kan de verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen van dader 2, die [slachtoffer] heeft gestoken.

Het hof overweegt als volgt. Uit de aangifte van [slachtoffer] en de door de beveiligingscamera gemaakte beelden blijkt de volgende gang van zaken. De verdachte en zijn mededader hebben gezamenlijk de sigarenwinkel van [slachtoffer] overvallen. Zij hebben hun gezichten bedekt met bivakmutsen, waarna zij gewapend met een mes en een, op een vuurwapen gelijkend, wapen de winkel zijn binnengegaan. De mededader heeft het mes reeds zichtbaar in zijn hand gehouden, alvorens hij dat daadwerkelijk tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. Op enig moment heeft [slachtoffer] het vuurwapen van de verdachte afgepakt en dat op zijn hoofd kapot geslagen. Bovendien heeft hij kans gezien om diens bivakmuts van zijn hoofd te trekken. Hierna is een worsteling ontstaan, waarna de verdachte en zijn mededader met medeneming van hun buit de winkel zijn uitgelopen, met achterlating van een hevig bloedende [slachtoffer], die snijwonden in zijn nek en wang bleek te hebben. Het hof is van oordeel dat voornoemd geweld is gebruikt om na de overval weg te komen en het bezit van de gestolen goederen veilig te stellen.

Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat bij de overval sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen beide daders en dat zij door tijdens de overval gebruik te maken van (nep)wapens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat daarbij geweld zou kunnen worden toegepast. Dat de verdachte niet geweten zou hebben dat zijn mededader een mes bij zich had acht het hof, gelet op de zichtbare aanwezigheid van het mes alvorens dat werd gebruikt, niet geloofwaardig. Ook op de grond dat bij de overige onder 3, 4 primair en 5 bewezenverklaarde feiten door de overvallers, waaronder de verdachte, met een mes is gedreigd, zodat dit kennelijk tot de standaarduitrusting behoorde, is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig dat de verdachte van het meenemen daarvan niet op de hoogte was. Beide daders zijn daarom verantwoordelijk voor het gebruik van het mes, zoals onder 1 en 2 bewezenverklaard, waaraan niet afdoet dat de verdachte zelf het mes niet heeft gehanteerd. Door het slachtoffer te snijden in het gezicht en in de nek hebben de daders willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij het slachtoffer dodelijk zouden kunnen verwonden.

Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 heeft de raadsvrouw daartoe het navolgende – kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd.

f) De DNA-match

Door de raadsvrouw is de betrouwbaarheid betwist van de resultaten van het DNA-onderzoek. Voorts heeft zij betwist dat er een relatie kan worden vastgesteld tussen de (op de [slachtoffer]jes) aangetroffen bivakmutsen/pantykousjes met de DNA-match en de overvallen.

Het hof overweegt, evenals de rechtbank, als volgt.

Bij de overval op sigarenwinkel [sigarenwinkel] op 16 oktober 2006 werd, blijkens de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 2] en de camerabeelden uit de winkel, gebruik gemaakt van pantykousjes die de daders over hun hoofd hadden getrokken. De getuigen [getuigen] hebben de politie de vluchtroute van de overvallers aangegeven. Deze vluchtroute is bevestigd door beelden van de bewakingscamera van het [College] aan de Jacob Geelstraat waarop de daders te zien zijn. Getuige [getuige] heeft opgemerkt dat één van de daders bij de vlucht uit de winkel nog een pantykousje over zijn gezicht had. Verder heeft een, onbekend gebleven, getuige gezien dat één van de daders iets in de bosjes van de Justus Halbertsmastraat gooide. De politie heeft vervolgens de vluchtroute onderzocht en heeft in voornoemde straat op de aangegeven plaats op de bosjes kort na de overval een pantykousje gevonden. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat dit pantykousje bij deze overval is gebruikt.

Bij de overval op sigarenwinkel [winkel] op 18 november 2006 werd, blijkens de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 3] en de getuige [getuige][slachtoffer] en de camerabeelden uit de winkel, door de daders gebruik gemaakt van een bivakmuts dan wel een pantykousje die één van de daders over het hoofd had getrokken. Door de getuigen [getuigen] wordt gezien dat de overvallers op hun vluchtroute spullen weggooiden, te weten een handschoen en een aardappelschilmesje waarmee het slachtoffer bedreigd werd. Toen de politie kort na de overval op de door hen aangewezen plaats onderzoek verrichtte, vond zij daar tevens het gele shirt van één van de overvallers en een bivakmuts. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat deze bivakmuts bij deze (poging tot) overval is gebruikt.

Bij de overval op Boekhandel [boekhandel] op 4 juli 2007 werd, blijkens de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 4] en de camerabeelden uit de winkel, door de daders gebruik gemaakt van pantykousjes die zij over hun hoofd hadden getrokken. Eén van de bij de overval gebruikte pantykousjes is, na de overval, in de winkel achtergebleven. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat dit pantykousje bij deze overval is gebruikt.

Het DNA, aangetroffen in de bivakmuts die was achtergebleven in de winkel na de overval van 1 februari 2008, is vergeleken met het (uit het wangslijm van de verdachte verkregen) DNA van de verdachte en de opgeslagen DNA-profielen in de DNA-databank. Uit onderzoek is gebleken dat het DNA van de verdachte overeenkomt met het DNA op de bivakmutsen of pantykousjes die zijn aangetroffen bij voornoemde overvallen van 16 oktober 2006, 18 november 2006 en 4 juli 2007. Volgens het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 29 april 2008 is de kans dat het DNA op de bivakmutsen en de pantykousjes van een ander dan de verdachte afkomstig is, kleiner dan één op één miljard.

Het hof komt tot de slotsom dat de verdachte voornoemde overvallen (tezamen met een of meer anderen) heeft gepleegd en berust zijn oordeel op het vergelijkend DNA-onderzoek dat is uitgevoerd op de DNA-sporen die zich bevonden op een ter plaatse of op de vluchtroute achtergelaten bivakmuts of pantykousje en het DNA van de verdachte. Dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op voormelde goederen is een de verdachte bezwarende omstandigheid, waarvoor hij desgevraagd geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven. Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de verdachte in januari 2008 éénmaal een bivakmuts zou hebben gedragen voor foto's die later op de internetsite Partypeeps zouden zijn geplaatst. Hierbij kan geconstateerd worden dat de overvallen van respectievelijk 16 oktober 2006, 18 november 2006 en 4 juli 2007 vóór die periode liggen. Voorts zijn dergelijke foto’s na onderzoek door de politie niet op internet aangetroffen (p. 1072 van het dossier). Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdachte hieraan toegevoegd dat hij thuis vaak hielp met het huishouden waaronder de was en dat hij bij het voetballen ook wel eens zijn kleding in het kluisje van iemand anders heeft gestopt. Dit acht het hof een onvoldoende verklaring voor het feit dat zijn DNA is aangetroffen op de hiervoor bedoelde kledingstukken. Hetgeen door de deskundige A.J. Kal bij de rechter-commissaris hierover is verklaard, zoals door de raadsvrouw in haar pleitnota aangehaald, doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af.

g) Het toepassen van schakelbewijs

Door de raadsvrouw is voorts aangevoerd dat in deze zaken geen gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs, aangezien de feiten niet op essentiële punten overeenkomen.

Het hof overweegt daartoe, evenals eerder de rechtbank, als volgt.

Het hof constateert dat de verdachte voor het tot drie keer toe aantreffen van zijn DNA in de, bij de overvallen van 16 oktober 2006, 18 november 2006 en 4 juli 2007 gebruikte, pantykousjes of bivakmuts, geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven.

Het hof stelt verder vast dat bij de overval op het sigarenmagazijn van [slachtoffer] en bij voornoemde overvallen sprake was van eenzelfde modus operandi. Zo vonden alle overvallen vroeg in de ochtend plaats, op nagenoeg dezelfde tijdstippen. Het betrof telkens kleine buurtwinkels in Amsterdam-West. Bij de overvallen droegen de overvallers bivakmutsen dan wel een pantykousje over hun hoofd en bedreigden zij hun slachtoffers met een wapen, meestal een mes. De buit bestond voornamelijk uit geld en sigaretten. In alle gevallen is een bivakmuts/pantykousje achtergebleven waarop het DNA van de verdachte is aangetroffen.

De verdachte past binnen het opgegeven signalement van de overvallers. Blijkens de aangifte van de slachtoffers en de getuigenverklaringen, duidt het signalement op getinte (Noord-Afrikaanse, Marokkaanse, Surinaamse) mannen in de leeftijd van 15 - 20 jaar.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat onder voormelde omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien het gebruik van schakelbewijs kan worden aanvaard.

De slotsom luidt dat het hof van oordeel is dat de verdachte de hiervoor bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde

medeplegen van poging tot doodslag;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

ten aanzien van het onder 3 en 5 bewezenverklaarde

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en voor het onder 3 en 4 primair tenlastegelegde tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing van de vordering benadeelde partij tot het gevorderde bedrag van € 2.000,- gevorderd en een schadevergoedingsmaatregel voor datzelfde bedrag, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met één of meer mededaders een drietal overvallen gepleegd op kleine buurtwinkels in Amsterdam-West en eenmaal een poging daartoe ondernomen. Daarbij hebben de verdachte en zijn mededader(s) een bivakmuts dan wel een pantykousje over het hoofd getrokken en gedreigd met een mes dan wel een (nep)vuurwapen. De verdachte heeft samen met zijn mededader bovendien bij de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten bovenmatig geweld toegepast door het slachtoffer [slachtoffer] met een mes in zijn nek en wang te snijden, hetgeen gelukkig geen fataal letsel tot gevolg heeft gehad, hetgeen niet aan de daders is te danken. Het slachtoffer heeft hieraan een fors litteken in zijn gezicht overgehouden, zodat hij dagelijks aan de overval wordt herinnerd.

Door aldus te handelen heeft de verdachte, die zich daarbij kennelijk uitsluitend heeft laten leiden door geldelijk gewin, alle bij de overvallen betrokkenen veel angst aangejaagd. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen vaak langdurig psychische klachten ondervinden. Hoezeer traumatiserend onderhavige feiten zijn geweest voor de slachtoffers, blijkt reeds uit de stukken. Ook wakkeren dergelijke ernstige feiten in de maatschappij voorkomende gevoelens van angst en onveiligheid aan. Naar het oordeel van het hof is bovendien het ogenschijnlijke gemak waarmee het normoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden uiterst zorgwekkend te noemen, hetgeen tevens heeft te gelden voor de oplopende ernst van de feiten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 november 2009 is de verdachte eerder veroordeeld voor een vermogensdelict.

Wat betreft de persoon van de, inmiddels 18 jaar oude, verdachte heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen:

- rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 12 maart 2008, opgemaakt door M. May, en 30 juni 2008, opgemaakt door B. Groenveld;

- een Ketenkaart jongeren van 13 maart 2008;

- een brief van 27 september 2008, opgemaakt door B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater;

- een psychologisch pro justitia rapport van 27 oktober 2008, opgemaakt door I. van Asselt, GZ-psycholoog;

- een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie,

locatie Pieter Baan Centrum (verder: PBC) van 13 februari 2009, opgemaakt door J.M. Oudejans, psycholoog, en A.C. Bruijns, psychiater;

- een rapport van de Jeugdreclassering van 26 februari 2009, opgemaakt door R. Aghbal;

- een adviesrapportage Jeugdreclassering van 19 november 2009, opgemaakt door R. Aghbal.

Het genoemde rapport van het PBC houdt in - zakelijk weergegeven -:

De verdachte heeft bij de opname in het PBC pertinent geweigerd mee te werken aan het onderzoek van de milieurapporteur, van de psycholoog en van de psychiater. Hij bleek niet bereid de reden van zijn weigering te verduidelijken. De verdachte verkoos tijdens zijn opname grote delen van de dag al of niet slapend op bed door te brengen en bleek niet of nauwelijks ontvankelijk voor pogingen om hem te activeren. Op basis van de beperkte onderzoeksmogelijkheden die desondanks op de afdeling waar hij verbleef mogelijk waren, in combinatie met de indrukken van de korte gesprekscontacten van de psycholoog en van de psychiater en de impressies van het beperkt gebleven milieuonderzoek, kan worden vastgesteld dat er geen redenen zijn om aan te nemen of te vermoeden dat er bij de verdachte sprake zou zijn van ernstige psychiatrische pathologie in de vorm van duidelijk waarneembare psychotische en/of stemmingsgerelateerde stoornissen, hersenorganische stoornissen, aandachtstekortstoornissen (ADHD), of een stoornis in het autismespectrum. Ook zijn er geen aanwijzingen voor ernstige verstandelijke beperkingen. Het onderzoek is, ten gevolge van de weigering van de verdachte, te beperkt gebleven om verdere uitspraken over zijn psychisch functioneren en mogelijke stoornissen daarin te kunnen doen. In dezelfde lijn ligt de onmogelijkheid de persoonlijkheid en de eventuele problematiek daarvan te benoemen.

Bij rapporteurs is het beeld ontstaan van een min of meer problematische ontwikkeling bij een jongen die zijn eigen koers vaart en die weinig ontvankelijk lijkt te zijn voor corrigerende interventies. In die beeldvorming wordt de suggestie gewekt dat de ouders van de verdachte weinig gezag hebben kunnen uitoefenen, maar dat zij zich daarentegen vooral beschermend jegens hun zoon hebben opgesteld.

Het genoemd rapport van de Jeugdreclassering van 26 februari 2009 houdt in - zakelijk weergegeven -:

Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte schuldig is aan de diverse delicten, dan wordt geadviseerd om consequent te reageren en de verdachte een onvoorwaardelijke detentie op te leggen.

Voorts houdt het genoemd rapport van de Jeugdreclassering van 19 november 2009 in - zakelijk weergegeven -:

De verdachte heeft aan geen enkel onderzoek meegewerkt. De jeugdreclasseerder heeft geen goed beeld van de verdachte. Hij lijkt twee kanten te hebben.

Gezien de weigering van de verdachte om aan de diverse onderzoeken mee te werken, zijn wij van mening dat er geen gronden zijn om een hulpverleningstraject op te kunnen baseren.

De verdachte heeft door geen medewerking te verlenen aan enig onderzoek de deskundigen en het hof geen inzicht verschaft in zijn persoon en zijn drijfveren.

Ten aanzien van de strafoplegging voor de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten overweegt het hof als volgt.

Hoewel de destijds 17-jarige en inmiddels bijna 19-jarige verdachte ten tijde van het begaan van deze feiten de leeftijd van zestien, doch nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, vindt het hof, anders dan door de raadsvrouw is betoogd, grond in de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan om op de voet van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht de artikelen 77g tot en met 77gg van dat wetboek buiten toepassing te laten en recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het meerderjarigenstrafrecht. Hierbij heeft het hof tevens de oplopende ernst van de delicten meegewogen.

Het hof heeft zich, bij de bepaling van de strafmaat, de jeugdige leeftijd van de verdachte gerealiseerd. Het hof is zich ervan bewust dat bij de berechting van strafbare delicten gepleegd door een jeugdig persoon in beginsel sterk moet worden gelet op diens toekomstperspectief. Echter in een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van het plegen van gewelddadige en ook overigens ernstige delicten, die grote invloed hebben gehad op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn familie en op de gevoelens van onrust in de maatschappij, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een lagere gevangenisstraf dan de hierna vermelde, omdat dan geen recht zou worden gedaan aan het door de verdachte veroorzaakte leed en aan de behoefte van de samenleving om tegen het gedrag van de verdachte beschermd te worden.

Ten aanzien van de strafoplegging voor de onder 3, 4 primair en 5 bewezenverklaarde feiten overweegt het hof als volgt.

Ten tijde van deze delicten was de verdachte respectievelijk 15 en 16 jaar oud. Het hof ziet ten aanzien van dit laatstgenoemde feit geen grond om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Omdat sprake is van ernstige feiten is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke jeugddetentie recht doet aan het door de verdachte veroorzaakte leed en aan de behoefte van de samenleving om tegen het gedrag van de verdachte te worden beschermd.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van na te melden straffen passend en geboden.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kinderrechter te Amsterdam van 3 januari 2008, parketnummer 13-442555-07, ten aanzien van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 14 uren, subsidiair 7 dagen jeugddetentie afwijzen, zoals ook door de advocaat-generaal gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 63, 77a, 77b, 77g, 77i, 77gg, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 2.000,- zoals aan haar in eerste aanleg is toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu de benadeelde partij in eerste aanleg niet ontvankelijk is verklaard in haar vordering en zich in hoger beroep niet wederom als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Ten aanzien van het onder 3, 4 primair en 5 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 1.00 STK Wapen Kl:zwart, vuurwapen, deel imitatie aangetroffen winkelvloer (3275577);

- 2 1.00 STK Wapen, vuurwapen, deel imitatie, aantroffen in krat op vloer (3275581);

- 4 1.00 STK Wapen, vuurwapen, deel imitatie aangetroffen op winkelvloer (3275585);

- 9 1.00 STK Wapen Kl:zwart, vuurwapen, deel imitatie aangetroffen op winkelvloer (3275660); - 10 1.00 STK Patroonhouder, patroonhouder uit neppistool (3277348);

- 11 1.00 STK Wapen Kl:zwart, imitatie; op pd van overval achtergelaten (3289328);

- 20 1.00 STK Tafelbestek Kl:blauw, BESTEK messing, aardappelschilmesje aangetr. .

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 5 1.00 STK Muts Kl:zwart, bivakmuts op winkelvloer, Sernr. ECA453 (3275587);

- 6 1.00 STK Muts, bivakmuts aangetr. op winkelvloer, ECA454 (3275589);

- 17 1.00 STK Kleding Kl:zwart, MUTS bivakmuts, bivakmuts aangetr. Marowijnestr hoek Hoofdweg;

- 18 1.00 STK Kleding Kl:zwart, HANDSCHOEN leder, aangetr. Paramaribostraat thv 78;

- 19 1.00 STK Kleding Kl:geel, T-SHIRT, aangetr Paramaribostraat thv 133;

- 23 1.00 STK Kleding, PANTY, dpa332 aanget op de vloer in de winkel.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 7 1.00 STK Tas Kl: Oranje, Albert Heijn shopper, tas uit hal gevuld met genotsmidd+papieren (3275627).

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 14 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA 6230i, sim t-mob.8931162111195125718.3304004);

- 15 Geld Nederlands, waarde 410, 5x50 + 2x20 + 12x10 (3303979).

Gelast de teruggave aan [betrokkene] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

-21 1.00 STK Sigaret Kl:blauw, rookwaar, aanget. op de vloer achter de kassa 3125777;

-22 2.00 STK Abonnement, abonnement, 1 maandkaart + 1 weekkaart aanget. achter kassa.

Gelast de bewaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende, te weten:

-13 1.00 STK Kentekenbewijs, Duitsland, Regnr FAHRZEUGBRIEF, AV939135 (3304035);

-16 1.00 STK Computer, RANDAPPARATUUR, s/n p021105742 advr 100 harde schijf beelden overv;

en ten behoeve van onderzoek:

-24 1.00 STK Niet te definieren goederen, geurmonster, lich eigen stof afgen vanaf pantyk 40707 10.50.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie Amsterdam van 15 maart 2008, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 3 januari 2008 met parketnummer 13-442555-07 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 14 uren, subsidiair 7 dagen jeugddetentie.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te Amsterdam, rekeningnummer 4547431, een bedrag van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 2.000,00 (tweeduizend euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.G.W. Willems-Morsink, mr. R.H.J. de Vries en mr. R.P. IJland-van Veen, in tegenwoordigheid van mr. L.H.J. Peters, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 december 2009.

Mr. J.G.W. Willems-Morsink en mr. R.P. IJland-van Veen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.