Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5710

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
25-08-2012
Zaaknummer
23-001133-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof acht bewezen dat verdachte bewust en opzettlijk (en niet per ongeluk) met vuurwapen in de rug van slachtoffer heeft geschoten. Vrijgesproken van poging tot moord (geen voorbedachte raad). Veroordeeld terzake van poging tot doodslag, waarbij het hof van oordeel was dat de verdachte de aanmerkelijk kans op de dood van het slachtoffer willens en wetens heeft aanvaard (juridisch was volgens hof sprake van voorwaardelijk opzet op de dood).

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001133-08 (promis)

datum uitspraak: 10 september 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

22 februari 2008 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-528144-06 en

13-528194-06 (resp. zaak A en B), van het openbaar ministerie tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in P.I.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 en 8 februari 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Verdachte wordt verweten, samengevat:

- poging doodslag op 25 april 2006, te Amsterdam;

- verboden vuurwapenbezit op 25 april 2006, te Amsterdam;

- medeplegen van diefstal met geweld in vereniging op 29 maart 2006, te Amsterdam.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen. Van die dagvaardingen is een kopie aan dit arrest gehecht.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding in zaak A.

De raadsman heeft aangevoerd dat in de inleidende dagvaarding met betrekking tot het in zaak A onder 1 subsidiair tenlastegelegde onvoldoende feitelijk is omschreven waaruit het zwaar lichamelijke letsel heeft bestaan. De dagvaarding is daarmee onvoldoende feitelijk en te kwalificatief van aard. Een schotwond op zichzelf kan naar de mening van de raadsman geen zwaar lichamelijk letsel zijn. Hierdoor dient volgens de raadsman de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaak A onder 1 subsidiair tenlastegelegde te worden nietig verklaard.

Het beroep op de nietigheid van de inleidende dagvaarding ten aanzien van hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 1 subsidiair is tenlastegelegd wordt verworpen.

Of een schotwond daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel oplevert is een vraag die beoordeeld dient te worden aan de hand van de bewijsmiddelen. Deze beoordeling betreft een bewijsvraag. De raadsman heeft deze naar het oordeel van het hof ten onrechte aangemerkt als een vraag die de geldigheid van de dagvaarding betreft.

Ook overigens is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte begreep wat hem in de inleidende dagvaarding in zaak A onder 1 subsidiair wordt verweten en dat hij zich daartegen heeft kunnen verdedigen en zich ook heeft verdedigd.

De tenlastelegging is derhalve voldoende duidelijk en deze voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering te stellen eisen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof een andere bewijsconstructie bezigt en zich niet verenigt met de door de eerste rechter opgelegde straf.

Voetnoten

De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in het dossier.

De feiten waarvan het hof uitgaat in zaak A (Schietpartij op 25 april 2006).

Op 25 april 2006 heeft er een schietpartij plaatsgevonden in café “Kraaiennest”, te Amsterdam Zuidoost. In het café ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte [verdachte] en het latere slachtoffer [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]). [slachtoffer] draaide zich op een gegeven moment weg van de verdachte en liep richting de uitgang van het café. Naast de verdachte aan de bar stond de hem bekende [betrokkene] (hierna ook: [betrokkene]). De verdachte wist dat [betrokkene] een vuurwapen bij zich droeg. De verdachte greep naar de broeksband van [betrokkene] en pakte hieruit het vuurwapen. Met het vuurwapen in de rechterhand is hij achter [slachtoffer] aangelopen. Tijdens het lopen laadde de verdachte het vuurwapen door. De verdachte benaderde [slachtoffer] van achteren. Hij heeft zijn linkerhand op de linkerschouder van [slachtoffer] gelegd en met zijn rechterhand het wapen naar de rug van [slachtoffer] gebracht. Vervolgens werd een aantal schoten afgevuurd. Het eerste schot raakte [slachtoffer] in het lichaam. De verdachte is vervolgens weggevlucht uit het café.

Bij aankomst ter plaatse zagen verbalisanten een man ([slachtoffer]) op de grond liggen, met aan zijn linkerzijde een plas bloed. [slachtoffer] is per ambulance naar het AMC te Amsterdam vervoerd. Daar is bij het slachtoffer een schotwond (doorschot) geconstateerd. Het letsel was bij opname levensbedreigend van aard.

Op 2 mei 2006, omstreeks 11:40 uur is de verdachte [verdachte] aangehouden in de woning gelegen aan [woonadres] te Amsterdam.

Op 12 mei 2006 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan, waarbij hij verklaarde dat de verdachte, die hij ook kent als “[bijnaam]”, hem op 25 april 2006 in de rug heeft geschoten.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het in zaak A onder 1, primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij is van oordeel dat er sprake is van poging tot moord. De verdachte heeft volgens haar genoeg tijd gehad om na te denken over zijn handelen en er is derhalve sprake van voorbedachte raad. Ook is er volgens de advocaat-generaal sprake van opzet op de dood van het slachtoffer. Uit zijn handelen en uit de getapte telefoongesprekken blijkt dat de verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde stelt zij dat er sprake is van verboden vuurwapenbezit.

Standpunt van de verdachte en zijn raadsman

Met betrekking tot het in zaak A, onder 1, tenlastegelegde heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat op basis van de voorhanden zijnde stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat er van een aanmerkelijke kans op de dood bij het slachtoffer sprake is geweest omdat het slachtoffer in de rug is geraakt.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat er geen sprake was van opzet en dat het wapen per ongeluk is afgegaan. Evenmin is er naar de mening van de raadsman sprake van voorbedachte raad, maar heeft de verdachte vanuit een directe impuls gehandeld. De raadsman refereert zich, wat betreft het onder 2 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof.

Het oordeel van het hof

Zaak A, onder 1

1. Opzet op het schieten

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer op 25 april 2006 in café “Kraaiennest” per ongeluk in de rug heeft geschoten. Het hof hecht geen waarde aan deze verklaring en overweegt daartoe het volgende.

De getuige [betrokkene] en de verdachte verklaren beiden dat de verdachte vóór het schieten is bedreigd door het latere slachtoffer. De verdachte heeft hierop uit de broeksband van [betrokkene] een vuurwapen gepakt, waarna hij achter het slachtoffer is aangelopen. Dit blijkt uit de camerabeelden , de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van getuige [betrokkene] . De verdachte heeft het vuurwapen vervolgens doorgeladen en op de rug van [slachtoffer] geplaatst .

Daarna gaan er enkele schoten af. Volgens de verdachte waren het twee schoten. Het hof stelt vast dat op de camerabeelden niets valt te zien wat zou kunnen verklaren dat verdachte de trekker, waar hij kennelijk wel zijn vinger bij zou hebben gehouden, per ongeluk overhaalt. Gelet hierop en gezien de overige hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte bewust en opzettelijk heeft geschoten.

2. Voorbedachte raad

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van poging tot moord. Zij heeft hiervoor redengevend geacht dat er tussen de ruzie en het schieten 6 seconden zijn verstreken. De verdachte heeft in die 6 seconden het vuurwapen gepakt, het wapen doorgeladen en is ongeveer 10 passen achter het slachtoffer aangelopen. Hieruit blijkt volgens de advocaat-generaal dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om de reikwijdte van zijn handelen te overzien en op verschillende momenten op zijn voornemen had kunnen terugkomen.

Het hof verwerpt het standpunt van de advocaat-generaal en overweegt als volgt. Uit de verklaringen van [betrokkene] en de verdachte blijkt dat er vóór de schietpartij een woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij de verdachte mogelijk is bedreigd. Na de woordenwisseling pakte de verdachte het wapen en liep met grote stappen, terwijl hij het vuurwapen doorlaadde, achter het slachtoffer aan. Dit nam ongeveer 6 seconden in beslag. Naar het oordeel van het hof betreft het hier verschillende handelingen die elk afzonderlijk kunnen worden beschouwd als gericht op het beschieten van [slachtoffer]. Elke handeling bood in beginsel de mogelijkheid tot bezinning. Niettemin kan naar het oordeel van het hof niet met zekerheid worden uitgesloten dat de verdachte heeft gehandeld in een impuls als gevolg van de onmiddellijk daaraan voorafgaande ruzie, met daarbij de mogelijke bedreiging. Onder die – niet uit te sluiten - omstandigheden is er geen sprake van voorafgaand kalm beraad bij de verdachte.

3. Aanmerkelijke kans

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanmerkelijke kans op de dood aanwezig is geweest. De rechtbank heeft uitsluitend bewezen verklaard dat het slachtoffer in het lichaam is geschoten. Volgens de raadsman kon de rechtbank gezien de bewijsmiddelen ook geen verdergaande keuze maken in de bewezenverklaring. Een dergelijke bewezenverklaring maakt volgens de raadsman een juridische kwalificatie (het hof begrijpt: bewijs) van een aanmerkelijke kans op de dood niet mogelijk.

De raadsman voert verder aan dat de medische verklaring onvoldoende duidelijkheid schept over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de kogel het lichaam is ingegaan.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de bewijsmiddelen bewezen worden verklaard dat het slachtoffer in de rug is geschoten. Het hof stelt vast dat in de medische verklaring weliswaar wordt gesteld dat er een schotwond in de buik is met een uitschotopening in de rug, maar niet is gebleken dat de arts nader onderzoek heeft gedaan naar de aard van de verwondingen om vast te stellen welke de in- en uitschotopeningen zijn. De verklaring beperkt zich tot het inwendige letsel. Gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting , de verklaringen van de getuige [getuige 1] en het slachtoffer , en de beelden van de bewakingscamera, te weten foto’s 011 en 012 acht het hof bewezen dat het slachtoffer in de rug is geschoten.

Uit de letselbeschrijving komt naar voren dat bij opname het letsel levensbedreigend van aard was. Uit het onderzoek bleek dat de alvleesklier was geraakt, alsmede de twaalf-vingerige darm op meerdere plaatsen en dat er bloedingen waren in vitaal gebied rond de lever. Het hof is, gelet op deze gevolgen en de kwalificatie “levensbedreigend” van oordeel dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood.

De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. De verdachte heeft, zoals hiervoor overwogen, opzettelijk geschoten. Door het slachtoffer van zeer dichtbij in een vitaal deel van het lichaam te schieten, in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat een handelen als van de verdachte de dood van [slachtoffer] tot gevolg kan hebben, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] het leven zou laten en heeft hij die kans ook aanvaard. Gelet op de aard van het letsel en de omstandigheden waaronder dit door de verdachte is toegebracht, is het hof van oordeel dat aldus het opzet van de verdachte voorwaardelijk op dat gevolg was gericht.

Zaak A, onder 2 (verboden wapenbezit op 25 april 2006)

Het hof overweegt dat niet valt vast te stellen of het wapen waarmee het slachtoffer is neergeschoten een vuurwapen van categorie II of categorie III betreft. Gelet op het feit dat het vuurwapen na het plegen van het strafbaar feit niet is teruggevonden, is het onmogelijk geweest om technisch onderzoek hiernaar te verrichten. Wel valt op basis van de camerabeelden en de verschillende verklaringen met zekerheid vast te stellen dat er sprake is van een vuurwapen. Een vuurwapen kan in categorie II, of in categorie III van de Wet wapens en Munitie vallen. Het voorhanden hebben van beide categorieën vuurwapens is strafbaar gesteld in artikel 26, eerste lid, Wet wapens en Munitie. Nu met zekerheid is komen vast te staan dat het gebruikte wapen een vuurwapen betreft en daarmee noodzakelijkerwijs valt binnen een van beide in artikel 26, eerste lid, Wet Wapens en Munitie strafbaar gestelde categorieën, is het hof van oordeel dat er sprake is van een overtreding van artikel 26, eerste lid, Wet Wapens en Munitie.

Op grond van bovenstaande verklaringen en bevindingen acht het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Zaak B (overval op 29 maart 2006)

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal is van mening dat de verdachte voor alle geweldshandelingen verantwoordelijk gesteld kan worden. Op 29 maart 2006 is [slachtoffer 2] in haar woning aan de [adres] te Amsterdam overvallen. Zij heeft hiervan aangifte gedaan op 30 maart 2006. De daders hebben bij de overval onder andere juwelen en paspoorten weggenomen. Na de overval zijn de daders vertrokken en deze hebben diezelfde dag de gestolen sieraden beleend. Gelet op de omstandigheden en de hulpmiddelen die gebruikt zijn bij de overval lag het volgens de advocaat-generaal in de lijn der verwachtingen dat er geweld zou worden gebruikt. Alle in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen en bedreigingen kunnen naar haar mening dan ook bewezen worden verklaard.

Standpunt van de verdachte en zijn raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het geweld en de bedreigingen van het slachtoffer. De verdachte bekent zijn aandeel in de overval, hetgeen inhoudt dat hij heeft gezocht naar goederen in de keuken en in de woonkamer, maar uit de bewijsmiddelen is volgens de raadsman niet af te leiden dat de verdachte vooraf wist van het geweld tegen het slachtoffer. De verdachte heeft ter terechtzitting op 27 augustus 2009 hierover verklaard dat hij gedurende de overval niet heeft waargenomen dat het slachtoffer is mishandeld of bedreigd. Hij heeft verklaard het slachtoffer niet te hebben gehoord of gezien nadat zij de slaapkamer binnen was gegaan. Nu het bij de overval gebezigde geweld voor de verdachte ook niet in de lijn der verwachtingen lag, kan hem dit niet worden toegerekend. Ten slotte heeft de raadsman gesteld dat de dreiging van het geweld erop gericht was dat het slachtoffer het geld en de sieraden zou afgeven. Derhalve is er sprake van afpersing en niet van de tenlastegelegde diefstal met geweld. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Zaak B (Overval in woning op 29 maart 2006)

Reikwijdte medeplegen

Naar het oordeel van het hof valt uit het dossier niet met zekerheid af te leiden wie de initiator is geweest van de overval, wie welke rol heeft gehad en wie welk geweld heeft toegepast. De verklaring van verdachte ter terechtzitting en die van getuige [betrokkene] ter terechtzitting staan waar het gaat om de rolverdeling lijnrecht tegenover elkaar.

Wat de rol van de verdachte binnen het geheel is geweest valt evenmin met zekerheid vast te stellen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gedurende de gehele overval niet in de kamer, waar het slachtoffer zich bevond, is geweest. Hij verklaart de huiskamer en de keuken te hebben doorzocht en op het toilet te zijn geweest. Hij verklaart niet te hebben gezien dat het slachtoffer werd gekneveld en werd mishandeld en bedreigd. Voorts verklaart de verdachte dat hij het slachtoffer gedurende de hele overval ook niet gehoord heeft. Wel zou de verdachte zijn mededaders onderling hebben horen praten in het Nederlands.

De getuige [betrokkene] heeft verklaard dat de verdachte gedurende de overval bij het slachtoffer in de slaapkamer is geweest. Hij verklaart dat hij heeft gezien en gehoord dat de verdachte het slachtoffer heeft gekneveld en met de strijkbout heeft mishandeld.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. De verdachte was, zo heeft hij gezegd ter terechtzitting, op de hoogte van het plan het slachtoffer te overvallen. Hij wist dat hierbij een vuurwapen en bivakmutsen zouden worden meegenomen. De verdachte droeg zelf ook een bivakmuts. Vanaf het begin van de overval is gebruik gemaakt van geweld en bedreiging met geweld. Voor zover al niet onderling was afgesproken dat geweld zou worden gebruikt, of daarmee zou worden gedreigd, moet dit voor de verdachte duidelijk zijn geworden op het moment dat op de galerij de aangeefster grof werd beetgepakt en met de vuurwapens werd geconfronteerd. De verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd, hoewel dat wel mogelijk was.

Binnen in de woning ging de verdachte naar eigen zeggen op zoek naar eventueel aanwezige drugs en hij hoorde daarbij zijn medeverdachten in het Nederlands tegen elkaar praten, maar hij ontkent het slachtoffer te hebben horen spreken, huilen of schreeuwen.

Deze verklaring acht het hof ongeloofwaardig. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte wel verklaard dat hij tijdens de overval heeft gezien dat de aangeefster met tape werd gekneveld. Voorts acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij de vrouw niet zou hebben gehoord, maar de mededaders wel onderling in het Nederlands heeft horen praten eveneens ongeloofwaardig. De getuige [betrokkene] heeft bij zijn verhoor voor de rechter-commissaris op 30 juli 2006 verklaard dat de vrouw heeft geschreeuwd en dit ter terechtzitting in hoger beroep stellig herhaald. Naar het oordeel van het hof is dit bovendien zeer aannemelijk als een persoon een gloeiend hete strijkbout op de hand krijgt gezet en later daarmee wordt bedreigd.

Hoewel niet met zekerheid valt vast te stellen of de verdachte in de kamer bij het slachtoffer aanwezig is geweest, acht het hof bewezen dat de verdachte wist dat het slachtoffer ernstig werd mishandeld en bedreigd. Als al moet worden aangenomen dat de verdachte niet precies heeft geweten waaruit die mishandelingen en bedreigingen bestonden, kan niet geoordeeld worden dat verdachte dit geweld niet op de koop toe heeft genomen. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat de verdachte wist dat er een vuurwapen was meegenomen Het gebruik hiervan kan niet worden uitgesloten, hetgeen reeds een zeer ernstige mate van geweldstoepassing zou inhouden. Het gebruik van de strijkbout is tegen deze achtergrond niet zo afwijkend dat dit de verdachte niet kan worden toegerekend.

Bewijsmiddelen

Dit alles in beschouwing genomen is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard hetgeen ten laste is gelegd met betrekking tot het gebezigde geweld en de geuite bedreigingen.

Daartoe worden de volgende bewijsmiddelen gebruikt.

Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft bij haar aangifte bij de politie op 30 maart 2006 verklaard dat zij op 29 maart 2006 in haar flat aan [adres] te Amsterdam is overvallen. Blijkens haar verklaring is zij op de galerij naar haar woning door drie mannen met bivakmutsen bedreigd met een pistool. Binnen in de woning is zij in een van de slaapkamers vastgetapet aan haar knieën en polsen en voorts heeft zij een kussensloop over haar hoofd gekregen. Bij het knevelen is zij gestompt in haar gezicht en op haar lichaam. De daders hebben, terwijl zij gekneveld in de slaapkamer lag, haar huis doorzocht. Toen zij weigerde te vertellen waar zij haar sieraden bewaarde heeft een van de daders haar bedreigd en een lauwwarme strijkbout tegen haar aangedrukt. Toen zij bleef weigeren heeft deze dader de inmiddels gloeiend heet geworden strijkbout op haar linkerhand gedrukt en gedreigd de strijkbout tegen haar gezicht te drukken. Het slachtoffer heeft gehuild van de pijn. Zij heeft hierop de overvallers verteld waar de sieraden lagen. Op een gegeven moment zijn de mannen weggegaan. Bij de overval zijn sieraden, een fotocamera van het merk Sony, een telefoon van het merk Samsung, een paspoort, sleutels en een geldbedrag weggenomen. Bij het slachtoffer zijn ten gevolge van deze overval een lichte zwelling, een gering hematoom onder linkeroog, een lichte oppervlakkige schaafwond en twee tweedegraads brandwonden op de linkerhand geconstateerd.

De aangifte van [slachtoffer 2] vindt steun in de getuigenverklaring van [betrokkene] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris en stellig ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Daar heeft hij verklaard dat hij met de verdachte en [medeverdachte] op 29 maart 2006 het slachtoffer heeft overvallen op de galerij naar haar woning aan [adres] te Amsterdam. Hij heeft verklaard dat er hierbij met een vuurwapen is gedreigd. Binnen in de woning is het slachtoffer naar de slaapkamer gebracht, waar zij gekneveld is. Het slachtoffer heeft volgens [betrokkene] geschreeuwd en gehuild toen zij werd mishandeld met de gloeiend hete strijkbout.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 augustus 2009 herhaald dat hij aanwezig is geweest bij de overval. Hij heeft tegenover de rechter-commissaris eerder verklaard dat het slachtoffer door hem en zijn mededaders op de galerij is beetgepakt en dat zij onder bedreiging van een vuurwapen door hen mee naar binnen is genomen. Binnen in de woning heeft de verdachte waargenomen dat het slachtoffer een slaapkamer binnen werd gebracht.

Op grond van bovenstaande verklaringen en overwegende hetgeen is besproken met betrekking tot de reikwijdte van het medeplegen acht het hof het feit wettig en overtuigend bewezen.

Afpersing of diefstal met geweld

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat het geweld dat bij de overval is gebezigd is gebruikt als dwangmiddel tot de afgifte van geld en sieraden. Dit zou volgens de raadsman betekenen dat er geen sprake is van diefstal met geweld. De verdachte dient, volgens de raadsman derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet kwalificeerbaarheid van het feit.

Het hof vat dit verweer op als een bewijsverweer omdat het bij honorering dient te leiden tot een vrijspraak. Het verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof heeft het geweld dat tijdens de overval is gebezigd niet gediend als dwangmiddel tot de afgifte van goederen, maar als middel om het slachtoffer te laten vertellen waar zij haar sieraden bewaart. Van enige afgifte van goederen is geen sprake geweest. Dit in beschouwing genomen is het hof van oordeel dat er geen sprake is van afpersing, zoals de raadsman heeft betoogd.

Het bewijs en bewezenverklaarde

Het hof baseert het bewijs voor het in zaak A tenlastegelegde op de processen-verbaal en schriftelijke bescheiden genoemd in de voetnoten 1 tot en met 24 en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair tenlastegelegde:

hij op 25 april 2006 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen heeft gepakt en het vuurwapen heeft doorgeladen en met het vuurwapen achter die [slachtoffer] is aangelopen en met het vuurwapen eenmaal in de rug van die [slachtoffer] heeft geschoten;

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde

hij op 25 april 2006 te Amsterdam een vuurwapen en munitie van categorie II of III voorhanden heeft gehad;

Het hof baseert het bewijs voor het in zaak B tenlastegelegde op de processen-verbaal en schriftelijke bescheiden genoemd in de voetnoten 26 tot en met 33, en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 29 maart 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sieraden (waaronder een horloge, armbanden, kettingen en ringen), paspoorten en een fotocamera (Sony), een geldbedrag (van ongeveer 300 euro), een telefoon (Samsung) en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte en zijn mededaders naar de woning van die [slachtoffer 2] zijn toegegaan en een vuurwapen op die [slachtoffer 2] hebben gericht en de knieën en armen van die [slachtoffer 2] met tape aan elkaar hebben vastgemaakt en die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht hebben gestompt en/of geslagen en een kussensloop over het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben gedaan en tegen de rug van die [slachtoffer 2] hebben gedrukt en tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd dat als ze niet zou vertellen waar haar sieraden en geld waren, de twee andere mannen haar zouden vermoorden en een gloeiend hete strijkbout op de hand van die [slachtoffer 2] hebben gehouden en tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd dat als ze niet zou vertellen waar haar sierraden waren, zij de strijkbout tegen haar gezicht zouden zetten.

Hetgeen in zaak A onder 1 primair en onder 2 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A, onder 1 primair bewezenverklaarde

poging tot doodslag.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 2 bewezenverklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie en door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 primair en onder 2 en in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren onvoorwaardelijk, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de dader.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in een café ruzie gekregen met het latere slachtoffer. Toen het slachtoffer richting uitgang liep heeft de verdachte een vuurwapen gepakt, is achter het slachtoffer aangelopen en heeft hem neergeschoten. Er was sprake van een zogeheten opgelegd schot. De verdachte heeft het wapen min of meer op de rug van het slachtoffer gezet en toen geschoten. Het slachtoffer heeft hier zeer ernstige fysieke en mentale klachten aan overgehouden. Uit de letselbeschrijving blijkt dat er sprake was een partiële dwarslaesie. Voorts heeft het slachtoffer in zijn schriftelijke slachtofferverklaring (ongedateerd, gebaseerd op een gesprek van 19 augustus 2009) aangegeven dat hij zich ongeveer een jaar in een rolstoel heeft moeten voortbewegen. Zijn spijsvertering functioneert zeer slecht en hij is impotent.

Als strafrechtelijke reactie op een dergelijk ernstig delict komt slechts een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking. De verdachte heeft door zijn handelen onherstelbaar leed toegebracht aan het slachtoffer en de mensen in de directe omgeving van het slachtoffer. Op het moment dat de verdachte schoot bevonden zich veel mensen, onder wie een baby, in en rond het café, die allen ongewild met deze daad werden geconfronteerd. Misdrijven als deze, zeker als ze worden begaan in het openbaar, worden als zeer bedreigend ervaren en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid.

Voorts heeft de verdachte tezamen met zijn mededaders zich in zaak B schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval in een woning. De verdachte en zijn mededaders hebben hun slachtoffer onder bedreiging van vuurwa¬pens en met ernstig fysiek geweld sieraden, alsmede (onder andere) geld, paspoorten en een telefoon afhan¬dig gemaakt. Voor het slachtoffer moet deze gebeurtenis trauma¬tisch zijn ge¬weest.

De verdachte en zijn mededaders zijn kennelijk volgens een tevoren opgezet plan te werk gegaan en hadden niets anders voor ogen dan geldelijk gewin ten koste van anderen.

Het bij de overval gebruikte geweld is buitenproportioneel geweest, gelet op de weerstand die van het slachtoffer te verwachten viel. De gebruikte methode, bestaand uit het dreigen met twee vuurwapens, het vasttapen en mishandelen van het slachtoffer alsmede het dreigen met en gebruiken van een gloeiend hete strijkbout vindt het hof weerzinwekkend.

De verdachte is, blijkens een op zijn naam gesteld strafblad van 3 mei 2006 niet eerder veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het hof overweegt hierbij wel dat de verdachte op de datum van de gepleegde misdrijven pas enkele maanden in Nederland verbleef.

De in eerste aanleg opgelegde gevange¬nisstraf voor de duur van acht jaren doet onvoldoen¬de recht aan de ernst van de bewezen¬verklaarde feiten en het hof is van oordeel dat zowel voor de poging tot doodslag als de gewapende overval afzonderlijk een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden is.

In beslag genomen voorwerpen

De hierna te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, die niet aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het in zaak B bewezengeachte met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid, en degene aan wie de voorwerpen toebehoren bekend was met de verkrijging van de voorwerpen door middel van het in zaak B bewezengeachte.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het in zaak A bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte in zaak A, onder 1 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 20.000 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Het hof is gebleken dat het slachtoffer tot op heden de ernstige nadelige gevolgen van het misdrijf ondervindt. De vordering van de benadeelde partij geeft echter onvoldoende toelichting waarop de vordering, zoals deze nu voorligt, precies is gebaseerd. Het hof is derhalve van oordeel dat de vordering slechts ten dele, namelijk tot een bedrag van € 5.000, kan worden toegewezen. De vordering zal overigens niet-ontvankelijk worden verklaard omdat dit deel onvoldoende eenvoudig van aard is.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en onder 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 primair en onder 2 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:.

1 patroon

1 stuk munitie

2 hulzen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:.

1 wollen zwarte bivakmuts en 1 zwarte pet.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van

1 computer;

1 paar zwarte schoenen merk Timberland;

1 Telfort simkaart;

1 paar zwarte sportschoenen ;

1 grijze zaktelefoon, merk Samsung.

Ten aanzien van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], domicilie kiezend te Spuistraat 10, 1012 TS te Amsterdam, een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

€ 5.000,00 (vijfduizend euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. R.M. Steinhaus en mr. A.E. Broek-Blaauboer, in tegenwoordigheid van mr. R. Cozijnsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2009.

Mr. A.E. Broek-Blaauboer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.