Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5702

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-08-2012
Zaaknummer
23-000945-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3946, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord (schieten met vuurwapen)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2009-11-25
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2009-11-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000945-08

datum uitspraak: 25 november 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 7 februari 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-740162-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 januari 2008 en 24 januari 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 maart 2009, 13, 14, 27, 28 en 30 oktober 2009 en 11 november 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 oktober 2007 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving -als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering- van de tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering nadere omschrijving tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

A.1.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat in de onderhavige strafzaak gedurende langere tijd (2006-2009), in strijd met artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, opgenomen telefoongesprekken, gevoerd met verschoningsgerechtigden, niet zijn vernietigd. Naar de mening van de raadsvrouw betekent dit dat niet kan worden vastgesteld welke mensen gedurende welke periode toegang hebben gehad tot die informatie en wat hiervan -middellijk of onmiddellijk- in het onderzoek is gebruikt. De nadere informatie heeft hierover geen uitsluitsel gegeven. De enkele mededeling dat geen sturing heeft plaatsgevonden is volstrekt onvoldoende om dit te kunnen uitsluiten. Bovendien heeft de verdediging geen mogelijkheid gekregen op dit punt nader onderzoek te laten plaatsvinden. Uit de mededelingen van zowel de tapcoördinator als de tactische coördinator dat geen informatie uit geheimhoudersgesprekken zou zijn medegedeeld aan de teamleiding blijkt in ieder geval dat de voorgeschreven procedure (Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken geheimhouders) op meerdere punten niet is nageleefd. Dat leidt tot de conclusie dat men vanuit de teamleiding in iedere geval geen zicht heeft gehad op de gang van zaken met betrekking tot de getapte geheimhoudersgesprekken. Op geen enkele wijze valt dus uit te sluiten dat deze communicatie een rol heeft gespeeld in het opsporingsonderzoek en dat de verdachte hierdoor dus rechtstreeks in zijn belangen is geschaad. Derhalve is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor wel degelijk sprake is van een doelbewuste schending van de belangen van de verdachte en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte.

Subsidiair heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar haar faxberichten van 7 en 26 oktober 2009 en haar pleitnota van 27 oktober 2009, verzocht om aanhouding van de behandeling van de strafzaak teneinde nader onderzoek op het punt van de exacte aard en omvang van de schendingen en de mogelijke invloed hiervan op het onderzoek te laten plaatsvinden.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de geconstateerde schendingen te compenseren in de strafmaat.

A.2.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat vaststaat dat in strijd met de regels een (klein) aantal geheimhoudersgesprekken te laat dan wel niet is vernietigd, maar dat uit de door de betrokken politieambtenaren opgemaakte processen-verbaal en de verklaring van de getuige [getuige] (tactisch coördinator van het onderzoek TGO Arend) ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2009 overduidelijk is geworden dat er geen sprake is van directe of indirecte sturing met behulp van informatie uit geheimhoudersgesprekken. Zoals uit het aanvullend proces-verbaal van [coordinator] (coördinator telecommunicatie in het onderzoek TGO Arend) van 19 oktober 2009 blijkt, betreffen het voornamelijk niet-inhoudelijke gesprekken. Zelfs reeds vernietigde gesprekken werden nog als geheimhoudersgesprekken herkend, waardoor de omvang groter lijkt te zijn dan deze daadwerkelijk is. De advocaat-generaal is van mening dat er geen verdedigingsbelang is geschonden, dat het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht niet heeft verspeeld en dat op geen enkele andere wijze een sanctie behoeft te worden verbonden aan de lichte schending van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering. De enkele vaststelling dat een belang is geschonden is voldoende.

B. Feiten

Het hof stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

B.1.

Voorafgaand aan het op 13 oktober 2009 hervatte onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op 28 september 2009 door de advocaat-generaal naar alle raadslieden in de onderhavige megazaak Arend een brief verstuurd aangaande een ‘scan geheimhoudersgesprekken’ voor alle tapgesprekken van de regio Kennemerland in TGO Arend. De brief houdt als het resultaat van de verrichte ‘scan geheimhoudersgesprekken’ het volgende in:

Deze scan heeft 92 hits opgeleverd, waarvan één gesprek dubbel is geregistreerd, dus 91 unieke gesprekken. Voor deze 91 gesprekken zijn op 9 juli 2009 bevelen tot vernietiging afgegeven door de recherche officier. Geen van deze gesprekken bevinden zich in het dossier. Na een tweede ‘scan geheimhoudersgesprekken’ zijn in TGO Arend nog eens 41 gesprekken aangetroffen, waarvan is besloten dat deze vernietigd dienen te worden. Er was sprake van een groot aantal dubbel geregistreerde gesprekken. Uiteindelijk bleek het om 20 unieke geheimhoudersgesprekken te gaan (gelet op het proces-verbaal van [coordinator] van 19 oktober 2009 (B7) begrijpt het hof: in totaal 110 geheimhoudersgesprekken). De vernietigingsbevelen voor deze gesprekken zijn op 22 september 2009 opgemaakt. De ULI is bezig met de vernietiging ervan. Overigens gaat het hierbij om de vernietiging van de audio, de hardcopy is reeds vernietigd.

B.2.

Naar aanleiding hiervan heeft de raadsvrouw van de verdachte bij faxbericht van 2 oktober 2009 de advocaat-generaal onder meer verzocht “omdat de mogelijkheid bestaat dat bij de gesprekken die thans voor vernietiging in aanmerking komen ook informatie aan de orde is die sturend is geweest voor het opsporingsonderzoek inzake TGO Arend en omdat de verdediging daaromtrent in elk geval een aantal vragen heeft, het daarheen te leiden dat de vernietiging van die gesprekken onmiddellijk wordt stil gelegd, althans dat met die gesprekken zodanig wordt gehandeld dat verificatie aan de hand van zijdens de verdediging te stellen vragen niet illusoir wordt”.

B.3.

Naar aanleiding hiervan heeft de advocaat-generaal bij brief van 5 oktober 2009 gereageerd en onder meer het parket Haarlem verzocht of geverbaliseerd kon worden wat de aard van de gesprekken is geweest en of het daadwerkelijk niet-vernietigde geheimhoudersgesprekken betrof. Voorts heeft de advocaat-generaal verzocht om kopieën te bewaren van de gesprekken die nog niet vernietigd zijn, maar nog vernietigd moeten worden. Tenslotte heeft hij verzocht om te verbaliseren of de eventuele informatie uit geheimhoudersgesprekken als sturingsinformatie is gebruikt.

B.4.

Naar aanleiding hiervan heeft de raadsvrouw van de verdachte bij faxbericht van 7 oktober 2009 het hof onder meer verzocht als getuigen ter terechtzitting van 13 oktober 2009 te horen:

- de zaaksofficier van justitie, mr. Schlingemann-Hovig,

- de verbalisanten die de geheimhoudersgesprekken hebben beluisterd,

- de teamleider van het opsporingsteam onder wie bovenvermelde verbalisanten ressorteerden,

- de medewerkers van de ULI die belast zijn met het uitvoeren van de scans waarmee geheimhoudersgesprekken kunnen worden opgespoord, en

- andere betrokkenen medewerkers van politie en justitie die bij het opnemen, uitluisteren, thans het vernietigen en het in acht nemen van de daarbij behorende procedures van belang blijken.

B.5.

Op 7 oktober 2009 is door verbalisant [verbalisant], inspecteur bij de Regiopolitie Kennemerland, een proces-verbaal “aansturing onderzoeksteam” opgemaakt, waarin hij aangeeft dat hij aan het onderzoek TGO Arend was verbonden als tactisch coördinator. Vanuit die rol stuurde hij dagelijkse operationele werkzaamheden, uit te voeren door rechercheurs, aan. Hij stuurde het onderzoek aan op binnen het onderzoek hem bekend geworden operationele onderzoeksinformatie. Hij heeft aan medewerkers en de tapcoördinator van de tapkamer de instructie gegeven om bij een eventueel vermoeden of feitelijkheid van deelname van een geheimhouder onmiddellijk te stoppen met uitluisteren en verder te handelen volgens de daarvoor geldende richtlijnen. Informatie opgedaan uit zogenaamde geheimhoudersgesprekken in TGO Arend is hem daarom gedurende het gehele onderzoek niet bekend geworden. Derhalve heeft hij het onderzoek hier ook niet op kunnen sturen.

B.6.

Ter terechtzitting van 13 oktober 2009 heeft de raadsvrouw van de verdachte de verzoeken opgenomen in haar faxbericht van 7 oktober 2009 herhaald. De overige raadslieden in de onderhavige megazaak Arend hebben zich daarbij aangesloten.

Ter voornoemde terechtzitting heeft het hof op verzoek van het openbaar ministerie verbalisant [verbalisant] als getuige gehoord. De getuige heeft bevestigd hetgeen hij in voormeld proces-verbaal van 7 oktober 2009 gerelateerd heeft en wederom verklaard dat hij nimmer geheimhoudersgesprekken van de verdachten die in hoger beroep terechtstaan heeft aangetroffen en dat er dus ook nooit informatie uit een geheimhoudersgesprek is gebruikt in het onderzoek TGO Arend.

Ter voornoemde terechtzitting heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de betreffende zaaksofficier van justitie in deze, mr. F.H.A. Schlingemann-Hovig, hem heeft verzekerd dat er binnen het onderzoek TGO Arend op geen enkele wijze sprake is geweest van sturing door middel van geheimhoudersgesprekken.

Ter voornoemde terechtzitting heeft het hof onder meer beslist dat het hof het niet noodzakelijk acht om de eerdergenoemde getuigen te horen, nu de verzoeken onvoldoende concreet zijn onderbouwd, en evenmin om de scanlijst en de map met hits betreffende de geheimhoudersgesprekken aan de raadslieden ter inzage beschikbaar te stellen. Het hof heeft daarbij de advocaat-generaal het volgende verzocht:

- verbalisant [coordinator] aanvullende processen-verbaal te laten opmaken waarin de volgende vragen worden beantwoord:

- “Is er een mogelijkheid dat informatie afkomstig van geheimhoudersgesprekken de basis is geweest van de CIE-informatie genoemd in de processen-verbaal van 21 december 2006 en 31 januari 2007 (ZD1: 2888, p.v. 26013563; ZD1: 2889, p.v. 26013564; ZD1: 2890, p.v. 27001291)?”,

- “Kan de tapcoördinator aangeven of, en zo ja, welke informatie uit geheimhoudersgesprekken ter beschikking is gesteld aan de leiding van het onderzoek binnen TGO Arend”, en

- “Zijn er in de map met hits betreffende de geheimhoudersgesprekken die thans nog ter beschikking staat geheimhoudersgesprekken met inhoud aangetroffen? Zo ja, wat is de inhoud daarvan?”;

- verbalisant [verbalisant] een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken waarin de vraag wordt beantwoord “is de ‘scan geheimhoudersgesprekken’ die op TGO Arend is toegepast ook op TGO Bioloog toegepast, voor zover ingebracht in TGO Arend, en zo ja, wat is het resultaat daarvan; is er informatie uit die eventuele geheimhoudersgesprekken als sturingsinformatie gebruikt in TGO Arend?”;

- een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken door het hoofd van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid waarin de vraag wordt beantwoord “kan de informant genoemd in de betreffende CIE-processen-verbaal van 21 december 2006 en 31 januari 2007 (ZD1: 2888, p.v. 26013563; ZD1: 2889, p.v. 26013564; ZD1: 2890, p.v. 27001291) de informatie middellijk of onmiddellijk hebben gekregen van een politieman?”.

B.7.

- Op 14 oktober 2009 is door verbalisant [coordinator], brigadier van Regiopolitie Kennemerland, een proces-verbaal “beantwoorden vraag TGO Arend” opgemaakt, waarin hij onder meer heeft verklaard dat “er geen informatie uit geheimhoudersgesprekken ter beschikking is gesteld aan de leiding van het onderzoek Arend”.

- Op 19 oktober 2009 is door verbalisant [coordinator], brigadier van Regiopolitie Kennemerland, een proces-verbaal “beantwoorden vraag TGO Arend” opgemaakt, waarin hij onder meer een opsomming heeft gemaakt van de 110 treffers “scan geheimhoudersgesprekken”:

1- Er zijn 45 gesprekken gevoerd met een advocaat dan wel in de tenaamstelling voorkomend Advocatenkantoor, waarvan één gesprek bleek te zijn uitgewerkt. De strekking van dit gesprek was het maken van een afspraak door de getuige [getuige] met zijn advocaat. De overige 44 gesprekken zijn niet uitgewerkt en gemarkeerd als geheimhoudersgesprek.

2- Er zijn 39 gesprekken gevoerd met personen of instellingen zoals huisarts, apotheek, tandarts, therapeut, ziekenhuis enz.

3- Er is vijfmaal een voicemail van een advocaat ingesproken. Van deze vijf zijn er twee voicemailberichten uitgewerkt. Beide malen wordt de voicemail ingesproken door de getuige [getuige]. Eénmaal geeft hij aan dat de politie hem wil spreken in verband met de dood van [betrokkene] en de andere keer herinnert hij zijn advocaat aan het feit dat de advocaat hem terug zou bellen. De overige drie voicemailberichten zijn NIET uitgewerkt.

4- Er zijn zes gesprekken gevoerd met assistenten van advocaten waarin gezegd werd dat de advocaat niet aanwezig was.

5- Er zijn twaalf SMS-berichten verzonden naar een advocaat. Deze SMS-berichten worden direct gekopieerd in het verwerkingssysteem van de tap. In deze SMS-berichten, afkomstig van [getuige], vroeg hij zijn advocaat met hem contact op te nemen.

6- Er is tweemaal een voicemail beluisterd waarin 17 berichten werden gemeld waaronder één bericht van een advocaat. Deze berichten zijn niet uitgewerkt.

7- Eén gesprek dat uit de scan naar voren was gekomen betrof een gesprek tussen twee personen waarin het woord advocaat naar voren kwam, dit was derhalve geen geheimhoudersgesprek.

Vervolgens heeft de verbalisant gekeken of er gesprekken waren gevoerd door de (het hof begrijpt: thans in hoger beroep terechtstaande) verdachten, die voortvloeiden uit de gehouden scan:

- [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: X)

1 x gesprek met advocaat, niet uitgewerkt.

- [medeverdachte 2]:

1 x gesprek met assistente van advocaat, advocaat niet aanwezig en 14 x gesprek met advocaat. Deze gesprekken zijn NIET beluisterd en NIET uitgewerkt.

- [medeverdachte 3]:

Geen gesprekken gevonden.

- [verdachte]:

Geen gesprekken gevonden.

- [medeverdachte 4]:

Geen gesprekken gevonden.

- [medeverdachte 5]:

3 gesprekken, waarvan 2 met huisarts en 1 met ziekenhuis.

- Op 21 oktober 2009 is door verbalisant [verbalisant], inspecteur bij de Regiopolitie Kennemerland, een proces-verbaal “beantwoording vragen” opgemaakt, waarin hij onder meer ingaat op de tapgesprekken uit het onderzoek Bioloog die aan het onderzoek Arend zijn toegevoegd. “De betreffende vijf gesprekken (afgeluisterde GSM van [betrokkene]) zijn mij, verbalisant, ten tijde van het onderzoek Arend als zodanig niet bekend geworden en zijn door mij daarom ook niet gebruikt voor operationele aansturing van werkzaamheden in het onderzoek Arend”.

- Op 23 oktober 2009 is door [inspecteur], inspecteur van politie en chef van de Regionale Criminele Inlichtingeneenheid bij de Regiopolitie Noord-Holland Noord, een proces-verbaal opgemaakt, waarin hij onder meer ingaat op de volgende vragen:

- “ Is het mogelijk dat de informatie uit geheimhoudersgesprekken de basis is van deze CIE-processen-verbaal (26-013563; 26-013564; 27-001291)?

- Is het mogelijk dat de informant een politieagent is?

- Is het mogelijk dat de informant de informatie van een politieagent verkregen heeft?

Het antwoord op de eerste vraag is: neen.

Ook op de andere twee vragen is het antwoord: neen.

De in deze zaak verstrekte CIE-informatie is -voor zover wij dat in de gesprekken met de informanten hebben kunnen nagaan- direct noch indirect verkregen van een politieambtenaar.

In CIE-bestanden van de politie Noord-Holland Noord (NHN) wordt géén inhoudelijke informatie opgenomen welke afkomstig is uit als zodanig gekenmerkte geheimhoudersgesprekken. Dergelijke informatie mag niet operationeel worden gebruikt en mag dan uiteraard ook niet worden opgenomen en/of verwerkt in bestanden van de CIE”.

B.8.

Naar aanleiding hiervan heeft de raadsvrouw van de verdachte bij faxbericht van 26 oktober 2009 het hof onder meer verzocht om met betrekking tot de CIE-startinformatie te horen [inspecteur], [betrokkene], andere betrokken medewerkers van de RCIE bij de Regiopolitie Noord-Holland Noord, de medewerker(s) van de CIE die rechtstreeks contact heeft/hebben met de informanten van wie de in de hiervoor genoemde processen-verbaal weergegeven informatie afkomstig is en de CIE-informanten die de informatie hebben verschaft zoals verwoord in de processen-verbaal van de CIE d.d. 21 december 2006 en 31 januari 2007. Voorts heeft de raadsvrouw met betrekking tot de schending van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering wederom verzocht tot het als getuigen horen van de bij faxbericht van 7 oktober 2009 verzochte personen.

B.9.

Ter terechtzitting van 27 oktober 2009 heeft de raadsvrouw haar verzoeken zoals opgenomen in haar faxbericht van 26 oktober 2009 herhaald, zich onder meer beroepend op het “Karman criterium en het Zwolsman criterium”. De overige raadslieden in de onderhavige megazaak Arend hebben zich wederom daarbij aangesloten.

Ter voornoemde terechtzitting heeft het hof onder meer beslist dat het hof het niet noodzakelijk acht om de verzochte getuigen te horen, nu de vragen die het hof ter terechtzitting van 13 oktober 2009 heeft gesteld genoegzaam zijn beantwoord in de aanvullende processen-verbaal. Uit niets kan worden afgeleid dat de betreffende CIE-processen-verbaal niet naar waarheid en op onjuiste gronden zijn opgemaakt, terwijl de verdediging dat ook niet concreet en feitelijk heeft aangevoerd.

B.10.

Ter terechtzitting van 30 oktober 2009 heeft de raadsvrouw van medeverdachte [medeverdachte], mr. S.C. Sassen, opgemerkt dat op pagina ZD1: 554 een tweetal geheimhoudersgesprekken tussen [J.S.] en de receptioniste/secretaresse van zijn raadsman uit het onderzoek Bioloog fysiek aan het onderhavige dossier Arend zijn toegevoegd.

C. Wettelijk kader

C.1.

Sinds 1 januari 1926 luidt artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering als volgt:

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

C.2.

Artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.

Bij het vernietigen van de hier bedoelde processen-verbaal en andere voorwerpen dienen de voorschriften en aanwijzingen te worden nageleefd die zijn neergelegd in het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken (Besluit en de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders van het College van procureurs-generaal).

C.3.

Het eerste en tweede lid van artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken luiden als volgt:

1. De opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering, kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, stelt hiervan de officier van justitie onverwijld in kennis.

2. Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 126aa (Kamerstukken II 1996-1997, 25403 nr.3, pagina 82-83) volgt dat mededelingen van of aan een geheimhouder, zoals hier bedoeld, in beginsel niet aan het procesdossier mogen worden toegevoegd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden vernietigd. In dit verband is tijdens de behandeling van deze wetsbepaling in de Tweede Kamer uitdrukkelijk aan de orde geweest dat het verschoningsrecht illusoir zou worden als geen spoedige vernietiging zou plaatsvinden en deze stukken gedurende een onbepaalde periode bewaard zouden worden.

C.4.

Op 2 november 1996 is artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in werking getreden. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

(…)

D. Beoordeling

D.1.

Aan het in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor een ander maatschappelijk belang, te weten dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de zogenaamde “geheimhouders” kan wenden. Een hulpzoekende moet er op kunnen rekenen dat hetgeen hij toevertrouwt aan een verschoningsgerechtigde, zoals zijn advocaat en zijn arts, niet alleen voor de politie en het openbaar ministerie, maar ook voor de strafrechter geheim blijft. Alle informatie die aan de verschoningsgerechtigde in die hoedanigheid is toevertrouwd, valt daaronder. In het algemeen zal, naar uit de rechtspraak volgt, dit “toevertrouwen” ruim, en dus niet restrictief, moeten worden uitgelegd. Er is geen grond om een en ander te beperken tot “vertrouwelijke” en/of “inhoudelijke” informatie.

De wetgever acht dit verschoningsrecht in het algemeen van hogere orde dan het belang dat gemoeid is met de waarheidsvinding in een strafzaak. Met dit, in onze rechtsorde verankerde beginsel, houdt direct verband de in artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verplichting tot vernietiging van processen-verbaal die mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering zou kunnen verschonen ("geheimhouder"), indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, alsmede de verplichting om processen-verbaal die andere mededelingen behelzen gedaan door of aan een geheimhouder niet dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris bij de processtukken te voegen.

D.2.

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat politie en openbaar ministerie door de handelwijze, welke onder B.1. tot en met B.10. is beschreven, hoe dan ook de onder C.2. en C.3. genoemde wettelijke voorschriften hebben geschonden. Het hof acht de schending van deze regels, die strekken ter bescherming van het verschoningsrecht, even ernstig als een directe schending van het verschoningsrecht zelf. Daarom behoeft de vraag, of de litigieuze gesprekken achteraf wel of niet onder het verschoningsrecht vielen, geen beantwoording. Gelet op het belang dat aan een strikte handhaving van het verschoningsrecht moet worden toegekend, is naar het oordeel van het hof sprake van een ernstig verzuim. Duidelijk is dat dit verzuim onherstelbaar is.

D.3.

De vraag is vervolgens of door het onder D.2. vastgestelde verzuim aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens tekort is gedaan.

D.4.

Het hof is van oordeel dat het niet zorg dragen voor de tijdige voorgeschreven vernietiging van

-rechtmatig- opgenomen communicatie met een geheimhouder, dan wel het nalaten daarvan, niet op zichzelf al een schending oplevert van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De in dit artikel gewaarborgde rechten van de verdachte behoeven daardoor immers geenszins in het gedrang te komen. Het is gesteld noch aannemelijk geworden dat de verdediging in casu is belemmerd in de voorbereiding van de zaak en het voeren van de verdediging ter terechtzitting. Opsporingsambtenaren hebben weliswaar kennis kunnen nemen van de inhoud van communicatie met geheimhouders, maar daarin wordt door de wettelijke regeling (126m van het Wetboek van Strafvordering) uitdrukkelijk voorzien. Ook het Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg heeft dit op zichzelf niet aangemerkt als een inbreuk op artikel 6 van het Verdrag (zie EHRM 25 november 2004, LJN AS2645, in de zaak Aalmoes).

Dat de periode, gedurende welke opsporingsambtenaren van voornoemde communicatie kennis hebben kunnen nemen, zeer veel langer heeft geduurd dan door de wetgever is bedoeld, leidt op zichzelf evenmin tot de conclusie dat artikel 6 is geschonden. Dit zou anders kunnen zijn wanneer de aan deze communicatie ontleende informatie in het opsporingsonderzoek (op de een of andere wijze middellijk of onmiddellijk) is gebruikt. Het hof heeft echter geen aanwijzingen van een dergelijk gebruik gevonden. De verdediging heeft zich ook niet op het bestaan van dergelijke aanwijzingen beroepen. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen grond voor een nader onderzoek naar mogelijk gebruik bij het opsporingsonderzoek van informatie, welke zou kunnen zijn ontleend aan de in deze vastgelegde communicatie met geheimhouders.

D.5.

Het onder D.4. gestelde neemt niet weg dat met het oog op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering desondanks de vraag onder ogen moet worden gezien, of aan het onder D.2. vastgestelde verzuim het gevolg dient te worden verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Het hof stelt het volgende vast:

a) De wetgever heeft (onder meer) in de onder C.2. en C.3. weergegeven bepalingen voorzien in een werkwijze, welke er toe leidt dat opsporingsambtenaren kennis nemen van communicatie waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze plaats vond met een geheimhouder. Naar het oordeel van het hof kan alleen al daarom niet worden gezegd dat het tot de kern van het wettelijke systeem behoort, dat opsporingsambtenaren geen kennis (kunnen) nemen van dergelijke communicatie.

Anders dan door de verdediging is betoogd acht het hof het onder D.2. vastgestelde verzuim dan ook niet in strijd met de grondslagen van het Nederlandse strafproces zoals bedoeld in het zogeheten “Karman-arrest” (Hoge Raad 1 juni 1999, NJ 1999, 567). Immers, in die zaak ging het om een handelwijze van de Officier van Justitie -het doen van een toezegging aan de verdachte die erop neer kwam dat onder omstandigheden een rechterlijke uitspraak op een in te stellen vervolging niet (geheel) zou worden ten uitvoer gelegd- die in strijd was met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter; aldus werd het wettelijk systeem in de kern geraakt. Aan de orde was toen derhalve het fundamentele belang dat de gemeenschap heeft bij inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

Van een dergelijk geval is hier geen sprake.

Naar het oordeel van het hof dwingt derhalve hetgeen in zoverre ter onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is aangevoerd niet tot de conclusie dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is aangetast.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

b) Naar het oordeel van het hof is evenmin sprake van een verzuim waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn belangen tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

De onder B.1. tot en met B.10. vastgestelde handelwijze van de politie en het openbaar ministerie kan naar het oordeel van het hof -de daarmee gepaard gaande langdurige schending van artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering ten spijt- niet worden aangemerkt als een doelbewuste of grove veronachtzaming van verdachtes belangen. Er is meer in het bijzonder geen reden om aan te nemen dat door of vanwege het openbaar ministerie is aangestuurd op het afluisteren van geheimhouders, nu het afluisteren van de telefoon(s) van de medeverdachten in deze rechtmatig geschiedde. Er is evenmin reden om aan te nemen dat doelbewust een situatie is geschapen waarin opsporingsambtenaren langer dan is toegestaan kennis konden nemen van de inhoud van communicatie met geheimhouders.

c) Weliswaar kan uit het enkele feit dat het openbaar ministerie zelf het initiatief heeft genomen tot een zogenaamde “Schoningsactie geheimhouders” en dat het met betrekking tot de bevindingen van dat onderzoek transparant is geweest, niet worden afgeleid dat reeds aanstonds met goede bedoelingen werd gehandeld, maar het hof is van oordeel dat dit wel een factor is, welke in de beoordeling behoort te worden betrokken. Anderzijds stelt het hof vast dat geen sprake is geweest van een ongelukkig incident, maar van een langdurig en -naar inmiddels van algemene bekendheid moet worden geacht- zo frequent begaan verzuim, dat het welhaast niet anders kan zijn dan dat hieraan een het openbaar ministerie ernstig te verwijten organisatiefout ten grondslag ligt.

Het hof neemt echter ook in aanmerking dat de wettelijke regeling en de ter uitvoering daarvan gegeven regels -doordat zij er van uitgaan dat communicatie met geheimhouders steeds, zij het voor korte tijd, wordt vastgelegd- in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn, ook wanneer met de beste bedoelingen wordt gehandeld.

d) Zoals onder D.4. al werd gesteld, heeft het hof geen aanwijzingen gevonden dat naar aanleiding van de opgenomen communicatie met geheimhouders op de een of andere wijze middellijk of onmiddellijk onderzoekshandelingen zijn verricht, laat staan dat zij in de bewijssfeer tot "vruchten" heeft geleid.

Tenslotte betrekt het hof bij zijn overwegingen dat hij niet van de inhoud van de litigieuze gesprekken kennis heeft genomen en dat deze gesprekken derhalve op geen enkele wijze (in het onderzoek Arend) een rol spelen bij de thans te nemen beslissingen.

Dit geldt eveneens voor de onder B.10. genoemde twee geheimhoudersgesprekken (ZD1: 554; onderzoek Bioloog), die ter terechtzitting niet aan de verdachte of de medeverdachten zijn voorgehouden, en waarop het hof evenmin acht heeft geslagen bij de beraadslaging.

D.6.

Op grond van het voorafgaande stelt het hof vast dat thans geen aanleiding bestaat om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

E. Conclusie

E.1.

Gelet op vorenstaande overwegingen is het hof van oordeel dat aan het verzuim van de in artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering opgenomen vormvoorschriften niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te worden verbonden. Het gevoerde verweer wordt verworpen.

Gelet op vorenstaande overwegingen is het hof voorts van oordeel dat door het niet aanhouden van de behandeling van de strafzaak teneinde nader onderzoek op het punt van de exacte aard en omvang van de schendingen en de mogelijke invloed hiervan op het onderzoek te laten plaatsvinden, zoals door de raadsvrouw -subsidiair- is verzocht, de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad. Het hof handhaaft hieromtrent zijn eerder ingenomen standpunt ter terechtzittingen van 13 en 27 oktober 2009 en wijst derhalve het verzoek van de raadsvrouw af.

Met betrekking tot het door de raadsvrouw meer subsidiair gevoerde verweer merkt het hof op dat gelet op voormelde gang van zaken het hof van oordeel is dat, hoewel het geconstateerde verzuim een schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift met zich meebrengt, hieraan geen consequenties dienen te worden verbonden, ook niet in de eventuele strafoplegging aan de verdachte. Dit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde onder meer aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de

OVC-gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de auto van medeverdachte op iets anders betrekking hebben dan hetgeen waarvan de rechtbank is uitgegaan. De OVC-gesprekken gaan over vorderingen en zaken en over een uitzending van Opsporing Verzocht die aan de onderhavige strafzaak was gewijd en waar de verdachte naar gekeken heeft omdat hij en medeverdachte uit het geruchtencircuit hadden opgemaakt dat hun namen werden genoemd in verband met de onderhavige strafzaak.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht het door de raadsvrouw geschetste niet aannemelijk en is van oordeel dat de OVC-gesprekken in onderling verband en samenhang beschouwd met de overige bewijsmiddelen in hun totale context bezien betrekking hebben op de betrokkenheid van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het tenlastegelegde. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep (p. 8 pleitnota) met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde onder meer aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 25 april 2007 (ZD1: 669 e.v.) met betrekking tot het tonen van de foto van [foto] aan de getuige niet als bewijsmiddel kan worden opgenomen in de zaak van de verdachte, nu de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris op 19 december 2007 een expliciet ontlastende verklaring met betrekking tot de verdachte heeft afgelegd.

Het hof is van oordeel dat voor het verweer van de raadsvrouw geen steun in het recht te vinden is (niet het enige bewijsmiddel), nu uit de bewoordingen van de door de raadsvrouw bedoelde verklaring van 19 december 2007 niet valt af te leiden dat deze expliciet ontlastend voor de verdachte zou zijn, en bovendien, het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 25 april 2007 met betrekking tot het door de verdachte tonen van de foto van [foto] aan voornoemde getuige in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen (zoals OVC gesprek opnamenummer 254 en [K.] Ve3: 66 e.v.), zodat deze verklaring derhalve als bewijsmiddel kan worden opgenomen. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Tevens hebben de verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep onder meer nog aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de getuige [getuige] een motief heeft om belastend over de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] te verklaren, daar de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met de getuige [getuige] zaken zouden hebben gedaan, ook al in de periode vóór 13 december 2006, en voornoemde getuige hen nog EUR 2.000.000,- schuldig zou zijn.

Het hof is van oordeel dat noch uit de onderzoeksgegevens -zoals het proces-verbaal van aangifte van [aangever] (dossierpagina ZD1: 966 e.v.), het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 28 december 2006 (dossierpagina ZD1: 982-989), het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van de getuige [getuige] van 19 december 2007, het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 25 april 2007 met betrekking tot het aan de getuige tonen van de foto van [foto] (dossierpagina ZD1: 669 e.v.) en het OVC-gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de auto van medeverdachte [medeverdachte], opnamenummer 254, van 3 april 2007 te 19:55:35 (dossierpagina 20 e.v., aanvullend proces-verbaal, PL1200/06-543380A)-, noch uit andere verklaringen in het dossier het bestaan van een dergelijke vordering op de getuige [medeverdachte] aannemelijk is geworden. Feitelijk bezien is voor de juistheid van deze stelling geen grond gevonden, temeer daar de getuige [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2009 het bestaan van een dergelijke vordering heeft betwist, verklaard heeft (o.a. Ve3: 062-063;Ve3:076) de man, wiens foto hij op 18 april 2007 aanwijst als zijnde [medeverdachte], vóór 13 december 2006 nog nooit eerder gezien te hebben, terwijl bovendien de medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie verklaard heeft [medeverdachte] niet te kennen (Ve1: 033 en 053) en dat [medeverdachte] er niets mee te maken heeft (Ve1: 051).

Nog daargelaten dat de verdachte geen aannemelijke verklaring geeft waarom hij dit pas ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2009 heeft aangevoerd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 14 december 2006 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde:

op 12 oktober 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/hebben verdachte en een of meer van zijn mededader(s), opzettelijk dreigend een vuurwapen zittend in de broeksband van zijn, verdachtes broek getoond en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Er moet voor de gestolen wiet een regeling getroffen worden of ik wil mijn geld" en "Er moet iets geregeld worden, ik wil daar wel 30 jaar voor zitten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging:

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd

-zakelijk weergegeven- dat de getuige [medeverdachte] een onbetrouwbare getuige is en dat zijn verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verklaringen van de getuige [medeverdachte] worden op essentiële punten ondersteund door de (onderzoeks)gegevens die zich in het dossier bevinden. Deze betreffen onder meer:

- het telefoontje van [medeverdachte] naar de verdachte op 13 december 2006 blijkt uit de historische printgegevens (proces-verbaal historisch telecommunicatieonderzoek, dossierpagina ZD1: 2313 e.v. en met name 2319-2320);

- de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren op de bewuste avond van de 13e december 2006 tot de volgende ochtend 14 december 2006 volgens hun eigen verklaring samen op het Cornelis Evertsenplein in Alkmaar (verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2009 en proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte], dossierpagina Ve1: 042);

- de tijd die is verstreken tussen het telefoontje tot aan de schietpartij is voldoende om vanaf het adres waar de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verbleven te rijden naar café Scheiwijck (proces-verbaal van bevindingen betreffende narijden route Alkmaar - café Scheiwijck te Beverwijk, dossierpagina ZD1: 2290 e.v.);

- het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 20 december 2006 (dossierpagina ZD1: 043 e.v.), die onder meer verklaart dat hij en zijn vrouw op 14 december 2006 om ongeveer kwart over twaalf ’s nachts te Beverwijk door de bijrijder van een personenauto naar de Arendsweg werden gevraagd;

- uit het dossier blijkt dat gesproken wordt over meerdere schutters (onder meer het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], dossierpagina ZD1: 093 e.v.);

- er is met twee verschillende typen wapens geschoten (deskundigenrapport betreffende munitieonderzoek, dossierpagina ZD1: 016);

- uit de OVC-opname in de auto van medeverdachte [medeverdachte], direct na de uitzending van Opsporing Verzocht (OVC gesprek 4 april 2007, opnamenummer 271, p. 26 aanv. p.v.), blijkt de betrokkenheid van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de dodelijke schietpartij in café Scheiwijck;

- de betalingen waarover [medeverdachte] het heeft (o.a. bij de rechter-commissaris op 14 juni 2007) worden bevestigd door de OVC-gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (OVC gesprek nr. 114, p. 10; nr. 254, p. 21; nr. 271, p. 25 e.v. aanv. p.v.);

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 18 april 2007 (dossierpagina Ve3: 66 e.v. en met name pagina 69), die onder meer verklaart dat de verdachte tegen [medeverdachte] heeft verteld dat de verdachte, op de dag dat hij, de foto van [slachtoffer] had genomen, door de politie in Heemskerk is gecontroleerd, wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen inzake controle auto bij tankstation De Twaalfmaat te Heemskerk (dossierpagina ZD1: 975-976): op 12 oktober 2006 omstreeks 21:00 uur is de verdachte door de politie te Heemskerk gecontroleerd;

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 18 april 2007 (dossierpagina Ve3: 66 e.v. en met name pagina 69), waarin deze onder meer verklaart dat de verdachte tegen [medeverdachte] heeft verteld dat hij een foto van [slachtoffer] had genomen en deze foto had laten zien aan de vrouw wiens woning was geript, wordt bevestigd door het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 25 april 2007 (dossierpagina ZD1: 669 e.v.) en het OVC-gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de auto van medeverdachte [medeverdachte], opnamenummer 254, van 3 april 2007 te 19:55:35 (dossierpagina 20 e.v., aanvullend proces-verbaal, PL1200/06-543380A).

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de getuige [medeverdachte] op essentiële punten consistent heeft verklaard, ter terechtzitting in hoger beroep op 13 oktober 2009 hierbij gepersisteerd heeft, het hof zich ter terechtzitting van 13 oktober 2009 een oordeel over zijn betrouwbaarheid ten aanzien van hetgeen hij heeft verklaard heeft kunnen vormen, derhalve op dit punt als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt en dat zijn verklaringen, nu deze worden ondersteund door de onderzoeksgegevens, als geloofwaardig kunnen worden aangemerkt en mitsdien voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte na bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade toegewezen tot het bedrag groot EUR 7.880,55 en daarbij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is door mensen uit het criminele circuit benaderd om het slachtoffer, [slachtoffer],

aan te pakken omdat deze een partij wiet zou hebben gestolen. In oktober 2006 is de verdachte

samen met anderen naar het huis van [slachtoffer] gegaan, waarbij aan [slachtoffer] dreigend is gezegd dat hij de wiet of de tegenwaarde in geld terug moest geven. Daarbij is [slachtoffer] te verstaan gegeven dat er maatregelen genomen zouden worden als hij hieraan niet zou voldoen, welke bedreiging kracht werd bijgezet door het tonen van een vuurwapen. Uit de aangifte van [slachtoffer] en uit verklaringen van anderen blijkt dat [slachtoffer] bang was dat de daders hun dreigementen inderdaad zouden uitvoeren en hem zouden doodschieten.

In november 2006 heeft de verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] gevraagd om hem een seintje te

geven als hij [slachtoffer] ergens zou zien. Op de avond van 13 december 2006 was [slachtoffer] in

café Scheiwijck in Beverwijk, waar ook medeverdachte [medeverdachte] aanwezig was. Terwijl

[slachtoffer] aan een tafel zat te kaarten, heeft medeverdachte [medeverdachte] de verdachte gebeld om te

melden dat de persoon die hij zocht in het café zat. De verdachte is daarop samen met

medeverdachte [medeverdachte] vanuit Alkmaar naar Beverwijk gereden en zij zijn vervolgens

beiden met schietklare wapens het café binnen gegaan. Nadat [slachtoffer] te verstaan was gegeven

dat hij zijn handen omhoog moest doen, hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vrijwel

meteen vanaf korte afstand op [slachtoffer] geschoten. Terwijl het slachtoffer, nadat hij al getroffen

was, nog probeerde weg te strompelen, hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] nog enkele

malen op hem geschoten. [slachtoffer] is door meerdere kogels getroffen en is ten gevolge daarvan

ter plekke overleden.

Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het

leven van een medemens. Moord wordt beschouwd als het ernstigste commune misdrijf. Niet voor

niets heeft de wetgever op het plegen van dit delict de zwaarste sanctie gesteld.

Het hof stelt vast dat het hier gaat om een kille afrekening. De verdachte stond in geen enkele

relatie tot het slachtoffer en hij heeft zijn daad enkel en alleen in opdracht en uit winstbejag

gepleegd. [slachtoffer] is in koelen bloede geliquideerd, midden in een café met nietsvermoedende

gasten. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben niet alleen het slachtoffer van het leven

beroofd, maar zij hebben daarbij geen enkele rekening gehouden met de veiligheid van de toevallig

aanwezige cafégasten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 oktober 2009 is de verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld, onder meer voor geweldsdelicten.

Het hof is van oordeel dat de rechtsorde door het voorgaande zeer ernstig is geschokt. Voor de verdachte, die overigens al eerder is veroordeeld, is een langdurige vrijheidsstraf de enig passende sanctie. Hoewel het hof met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, het subidiaire bewezen verklaart, leidt dit niet tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd, gelet op de bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te Beverwijk, rekeningnummer 849449049, een bedrag van EUR 7.880,55 (zevenduizend achthonderdtachtig euro en vijfenvijftig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 7.880,55 (zevenduizend achthonderdtachtig euro en vijfenvijftig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 november 2009.