Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BR4715

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
08/00169 t/m 08/00171
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4081, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omkering en verzwaring van de bewijslast. Geen recht op zelfstandigen- en startersaftrek. Er is niet aangetoond dat met te weinig ondernemingskosten rekening is gehouden. Voorts is het voordeel van het doen van onjuiste aangiften namens cliënten van belanghebbende en het doen overmaken van aan cliënten toekomende bedragen op door belanghebbende aangewezen rekeningen, niet zijnde rekeningen ten name van de desbetreffende cliënten, tot het juiste bedrag vastgesteld en tot het juiste bedrag aan belanghebbende toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 08/00169, 08/00170, 08/00171

uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraken in de zaken met de nummers AWB 06/11896 tot en met 06/11898 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 11 februari 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 22 oktober 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie WAZ (hierna: IBB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.922.

De inspecteur heeft met dagtekening 14 oktober 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de IBB/PVV berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.090.

De inspecteur heeft met dagtekening 24 september 2003 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag opgelegd in de IB/PVV (exclusief premie WAZ) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 170.574.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 10 november 2006, de aanslagen gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 februari 2008, verzonden op 13 februari 2008, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep betreffende de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 en 2002 ongegrond verklaard, het beroep betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 gegrond verklaard en de desbetreffende uitspraak op bezwaar vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 144.657.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 14 februari 2008, bij het Hof ingekomen op dezelfde dag, aangevuld bij brief van 18 februari 2008.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 25 november 2008 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

Op 17 december 2008 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 18 december 2008 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief van 13 januari 2009, ter griffie ingekomen op dezelfde dag, heeft de Hoge Raad der Nederlanden verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“2.1. [Belanghebbende] is boekhouder en drijft in die hoedanigheid een eigen onderneming, genaamd [X Administratie]. Hij huurt in verband hiermee een deel van een kantoor van een schoonmaakbedrijf. [Belanghebbende] wordt vanaf het jaar 2000 door [de inspecteur] als zelfstandig ondernemer aangemerkt.

2.2. In de maanden november en december 2002 en januari 2003 is bij de politie […] door 6 klanten van [belanghebbende], voor wie hij de aangifte IB/PVV had verzorgd, aangifte gedaan van oplichting en/of valsheid in geschrifte. Er zouden naar aanleiding van die aangiftes (veel) te hoge teruggaves door de Belastingdienst zijn gedaan, die in het merendeel van de gevallen niet op de rekeningen van de klanten zijn overgemaakt, maar op een bankrekening met nummer […]. De tegoeden op dit rekeningnummer zijn van [belanghebbende]. [Belanghebbende] is naar aanleiding van deze aangiftes gehoord. Daarbij heeft hij de beschuldigingen ontkend.

2.3. Naar aanleiding van een melding van een heffingsmedewerker van de Belastingsdienst van mogelijke fraude heeft de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische Controle Dienst (FIOD/ECD) in de periode van mei 2003 tot en met oktober 2003 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Verdachten in dit onderzoek waren [belanghebbende], [A], [B] en [C]. In het kader van dit onderzoek heeft [belanghebbende] tegenover de FIOD/ECD verklaard dat hij samen met [A] en in opdracht van [C] over het jaar 2002 op naam van derden op basis van valse jaaropgaves 20 tot 25 valse papieren aangiften IB/PVV heeft ingediend, en ongeveer 70 valse electronische aangiften. Over 2003 heeft [belanghebbende] volgens zijn eigen verklaring 35 valse verzoeken tot voorlopige teruggaven op naam van derden gedaan.

2.4. [Belanghebbende] is voor het hiervoor onder 2.3 genoemde strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld ter zake van het plegen van valsheid in geschrifte. Het vonnis is niet door partijen in het geding gebracht.

2.5.1. [De inspecteur] heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning van [belanghebbende] in de hier aan de orde zijnde aanslagen vastgesteld op basis van schatting. [De inspecteur] heeft zich daarbij mede gebaseerd op de bevindingen van de hiervoor onder 2.2 en 2.3 genoemde onderzoeken.

2.5.2. [Belanghebbendes] belastbaar inkomen uit werk en woning over 2001 is door [de inspecteur], in afwijking van de aangifte, als volgt vastgesteld:

uitkering Gemeentelijke Sociale Dienst € 9.422

winst uit onderneming volgens aangifte € 850

extra winst uit onderneming op basis van

bevindingen FIOD/ECD € 7.500

inkomsten box 1 € 16.922

[Belanghebbende] heeft de uitkering van de Gemeentelijke Sociale Dienst niet in zijn aangifte genoemd.

2.5.3. Voor 2002 heeft [belanghebbende] weliswaar een aangifte IB/PVV ingediend, maar daarbij geen jaarrekening aan [de inspecteur] doen toekomen. [De inspecteur] is daarom bij het vaststellen van de door [belanghebbende] behaalde winst uitgegaan van de door [belanghebbende] over 2002 ingediende aangiften voor de omzetbelasting. [De inspecteur] heeft de winst vervolgens als volgt vastgesteld:

omzet exclusief OB volgens aangifte € 15.373

-\- geschatte kosten op basis voorbelasting € 1.000

-\- geschatte overige kosten zonder OB € 373

geschatte jaarwinst € 14.000

Aan [belanghebbende] is geen zelfstandigenaftrek verleend.

Voorts heeft [belanghebbende] in 2002 een uitkering ontvangen. [Belanghebbende] heeft deze uitkering niet in zijn aangifte vermeld. [De inspecteur] is voor het vaststellen van [belanghebbendes] belastbare inkomsten uit werk en woning over 2002 vervolgens uitgegaan van de volgende bedragen:

inkomsten uit arbeid € 2.090

winst uit onderneming € 14.000

inkomsten box 1 € 16.090

2.5.4.1. De voorlopige aanslag IB/PVV 2003 is opgelegd naar aanleiding van de bevindingen van de FIOD/ECD en naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 170.574. [De inspecteur] heeft daarbij een bedrag van € 10.000 in aanmerking genomen als winst uit onderneming ter zake van [belanghebbendes] reguliere werkzaamheden en een bedrag van € 160.574 aan verdiensten uit de gepleegde valsheid in geschrifte, ter zake van genoten voordeel, belastbaar als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.

2.5.4.2. [Belanghebbende] heeft over 2003 aangifte gedaan en daarin een winst uit onderneming vermeld van € 8.278. Aan [belanghebbende] is voorts een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd met dagtekening 12 december 2006, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van wederom € 170.574. [Belanghebbende] heeft daartegen bij brief van 5 december 2006 bezwaar gemaakt.”

Tegen de vaststelling van deze feiten door de rechtbank is in hoger beroep geen bezwaar ingebracht. Het Hof zal eveneens van deze feiten uitgaan, met dien verstande dat het Hof begrijpt dat met het onder 2.5.2 vermelde bedrag van € 7.500 bedoeld is een bedrag van € 6.650.

2.2. Het geschil in hoger beroep betreft evenals in eerste aanleg de vraag of belanghebbende bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2001 en 2002 recht heeft op zelfstandigen- en startersaftrek, en of de door belanghebbende gestelde kosten in aftrek dienen te worden toegestaan. Voorts is in geschil of de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning bij voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Het geschil dienaangaande spitst zich toe op de vraag of de inspecteur het voordeel van het doen van onjuiste aangiften namens cliënten van belanghebbende en het doen overmaken van aan cliënten toekomende bedragen op door belanghebbende aangewezen rekeningen, niet zijnde rekeningen ten name van de desbetreffende cliënten, door de inspecteur tot het juiste bedrag is vastgesteld en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is toegerekend.

2.3. De vraag of belanghebbende bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2001 en 2002 recht heeft op zelfstandigen- en startersaftrek, en of de door belanghebbende gestelde kosten in aftrek dienen te worden toegestaan wordt door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend beantwoord. Voorts stelt belanghebbende zich – in tegenstelling tot de inspecteur – op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 niet tot het juiste bedrag is vastgesteld.

2.4. De rechtbank heeft beslist dat de inspecteur de zelfstandigen- en startersaftrek voor het jaar 2001 en 2002 terecht niet in aanmerking heeft genomen. Tevens heeft de rechtbank het onder 2.2 bedoelde voordeel tot een bedrag van € 134.657 aan belanghebbende toegerekend.

2.5. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot het in geschil zijnde terecht heeft beslist dat de omkering en verzwaring van bewijslast dient te worden toegepast.

2.6. Voor wat betreft de aanslagen die betrekking hebben op de jaren 2001 en 2002 is het Hof met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur niet heeft aangetoond dat hij aanspraak heeft op zelfstandigen- en startersaftrek. Voorts heeft belanghebbende met betrekking tot de ten behoeve van zijn onderneming gemaakte kosten niets aangevoerd dat aantoont dat de inspecteur met een te laag bedrag aan kosten rekening heeft gehouden. In dit verband merkt het Hof op dat het op de weg van belanghebbende ligt de omvang van de kosten aan te tonen. Het Hof verenigt zich ten aanzien van deze geschilpunten derhalve met de beslissing van de rechtbank.

2.7. Met betrekking tot de vraag of het belastbaar inkomen uit werk en woning bij voorlopige aanslag voor het jaar 2003 tot het juiste bedrag is vastgesteld stelt belanghebbende naar het Hof begrijpt dat het voordeel van het overmaken op door belanghebbende aangewezen rekeningen van de al dan niet terecht geclaimde teruggaven van belasting voor cliënten niet uitsluitend aan hem kan worden toegerekend, maar dat dit voordeel geheel of nagenoeg geheel ten goede is gekomen aan anderen. Het Hof acht in dit verband aannemelijk dat belanghebbende een zeer belangrijke rol vervult bij het organiseren van de activiteiten en een overheersende invloed uitoefent op de bestemming van de uit die activiteiten voortvloeiende betalingen door de Belastingdienst. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de bankrekeningen heeft aangewezen waarop door de Belastingdienst bedragen zijn gestort.

2.8. Uit het onder 2.7 overwogene leidt het Hof af dat de door de Belastingdienst betaalde bedragen zijn ontvangen door belanghebbende. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat hij die bedragen heeft laten overmaken naar bankrekeningen die niet op zijn naam stonden. Daarvan uitgaande rust op belanghebbende de bewijslast om aan te tonen dat en in hoeverre bedoelde bedragen uiteindelijk toekwamen aan anderen op grond van hun aandeel in de onderhavige handelingen dan wel anderszins als kosten betrekking hebbend op die handelingen moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dat bewijs niet geleverd. Ook heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur niet aangetoond dat en in hoeverre bedragen zijn betaald aan gedupeerde cliënten.

2.9. Gezien het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat het door de rechtbank bepaalde voordeel voor belanghebbende uit de in geding zijnde handelingen niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

2.10. Aan vorenvermeld oordeel doet niet af de omstandigheid dat de inspecteur de aan [A] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2003 heeft verminderd. Derhalve ziet het Hof geen aanleiding de dossierstukken van [A] in het geding te betrekken.

2.11. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

2.12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld op 6 februari 2009 ter vervanging van de mondelinge uitspraak, gedaan door mr. D.B. Bijl, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier.

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.