Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BO7170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
15-12-2010
Zaaknummer
07/00877
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6675, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenvatting: De stelling van belanghebbende dat de panden aan de …weg en N te L één gebouw zijn als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet B 2001 wordt door het Hof niet gevolgd. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat van een eigen woning in de zin van dit artikel slechts één zelfstandig gebouw deel kan uitmaken. Op de percelen 2005 en 2007 staan afzonderlijke opstallen, zodat geen sprake is van één gebouw. Uit het arrest van 16 juli 1993, nr. 29 174, BNB 1993/281 van de Hoge Raad leidt het Hof af dat niet doorslaggevend is dat de …weg vóór de aankoop door belanghebbende als eigen woning werd gebruikt. De stelling van de inspecteur dat de …weg geen aanhorigheid kan zijn omdat deze het karakter van zelfstandige eigen woning heeft behouden, kan daarom niet worden gevolgd. Nagegaan dient te worden of de …weg gelet op de omstandigheden na aankoop door belanghebbende in gebruik is bij N en daaraan dienstbaar is. Na de bouw van de woning en de garage op het perceel met nummer 2007 is de tuin van N en de …weg opnieuw ingericht. De tuin strekt zich uit over de percelen 2004 tot en met 2007, de tuinpaden zijn zo aangelegd dat de woning, de garage en het object …weg onderling zijn verbonden. De percelen en de panden zijn alleen nog toegankelijk via een oprijlaan aan de …weg en de inrichting van de tuin is met aanzienlijke kosten gepaard gegaan. Ten aanzien van de vraag of het pand …weg en de daarbij behorende tuin een aanhorigheid zijn, stelt belanghebbende dat hij ten tijde van de aankoop heeft overwogen om het pand …weg te slopen. Belanghebbende heeft hiervan echter afgezien omdat dit pand gebruikt zou kunnen worden als opslagruimte, hobbyruimte en gastenverblijf. De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de tuin van de …weg waarschijnlijk wel als een aanhorigheid van N zou hebben aangemerkt als belanghebbende het pand zou hebben gesloopt. Het Hof is van oordeel dat het pand …weg tezamen met de tuin een aanhorigheid is van N. Het pand is in gebruik bij de bewoners en is dienstbaar aan de woning van N. Anders dan de inspecteur voorstaat, is voor de vraag of sprake is van dienstbaarheid niet doorslaggevend of de woning van N onafhankelijk van het pand …weg kan worden gebruikt. Een dergelijke beperkte invulling van `dienstbaar zijn aan' zou immers betekenen dat ook bijvoorbeeld een garage niet als aanhorigheid kan worden aangemerkt omdat een woning zonder garage zelfstandig kan worden gebruikt. Door de bestemming die belanghebbende aan het pand …weg heeft gegeven, welke bestemming door de inspecteur niet is betwist, is dit pand dienstbaar aan de woning. Op basis van kopieën van foto's, die door belanghebbende in het geding zijn gebracht, kan verder worden aangenomen dat de afstand tussen de woning en het pand …weg beperkt is, dat het pand niet is afgescheiden van N en dat de tuin zo is ingericht dat het pand …weg goed bereikbaar is vanuit de woning.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2901
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/00877 Uitspraakdatum: 23 maart 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van

R. wonende te L,

belanghebbende,

gemachtigde mr. W. ,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 06/10487 van de rechtbank Haarlem van 3 oktober 2007 in het geding tussen

belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van bet geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.801.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 15 september 2006, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van £ 115.429 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.122

1.3. Bij uitspraak van 3 oktober 2007 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 november 2007, aangevuld bij brief van 10 december 2007. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Feiten

Het Hof sluit zich aan bij de feiten zoals die door de rechtbank als volgt zijn vastgesteld.

2

N te L gekocht voor een koopprijs (inclusief bijkomende kosten) van

€ 1.276.206. Deze aankoop is gefinancierd door middel van een geldlening bij een bank. Op 1 oktober 2002 heeft belanghebbende de aan de percelen N 2 grenzende bebouwde percelen, perceelnummers 2005 en 2006, …weg te L gekocht voor een koopprijs (inclusief bijkomende kosten) van € 977.423. Deze aankoop is gefinancierd door middel van een geldlening die belanghebbende heeft opgenomen bij R B.V., van welke vennootschap hij enig aandeelhouder is.

2.2. Belanghebbende heeft een woning en een garage c.q. schuur laten bouwen op het perceel N 2. Tevens is de tuin heringedeeld, waardoor de percelen N 2 en …weg te L niet meer afgescheiden zijn. De percelen zijn alleen nog toegankelijk via de oprijlaan aan de …weg, het object (woning en tuin) aan N is thans niet meer direct toegankelijk vanaf de openbare weg.

2.3. Het object (woning en tuin) aan de …weg is sinds de aankoop bij belanghebbende in gebruik als opslagruimte, hobbyruimte en gastenverblijf.

2.4. Het woonadres van belanghebbende is volgens de gemeentelijke basisadministratie met ingang van 20 december 2002 N2 te L.

2.5. Ten aanzien van ieder van beide objecten is een afzonderlijke WOZ-beschikking afgegeven.

2.6. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 heeft belanghebbende een bedrag van

€ 136.787 als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in de zin van artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in aanmerking genomen.

2.7. In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het hof vast dat de kosten voor de aanleg van de tuin voor N 2 en …weg in totaal € 107.340 bedroegen.

2.1. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

"4.1. Eiser betoogt primair dat sprake is van één gebouw aangezien hij de panden aan N en aan de …weg feitelijk gezamenlijk in gebruik heeft als één woning. Dit betoog miskent dat uit de tekst van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 volgt dat van een `eigen woning' in de zin van dit artikel slechts één zelfstandig gebouw deel kan uitmaken. Nu - naar uit onderdeel 4.2. van deze uitspraak volgt - het object …weg geen aanhorigheid vormt van het object N en derhalve sprake is van twee zelfstandige gebouwen, faalt eisers primaire standpunt.

4.2. Eiser betoogt subsidiair dat het object …weg een aanhorigheid vormt van het object N. Dit betoog faalt eveneens, nu - naar tussen partijen niet in geschil is -

De woning aan de …weg bouwkundig op geen enkele

manier is verbonden met de woning aan de N, blijkens haar indeling is

bestemd om als een afzonderlijk

3

geheel te worden gebruikt en is aangesloten op de openbare nutsvoorzieningen, en deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien meebrengen dat de woning aan de …weg een zelfstandige woning is en derhalve geen aanhorigheid van het object N. De omstandigheden dat beide tuinen na de herinrichting naar maatschappelijke opvattingen één geheel vormen en dat de woning aan N slechts toegankelijk is via de oprijlaan aan de …weg doen aan het voorgaande niet af, nu de tuin op eenvoudige wijze weer is te splitsen in twee (afzonderlijke) tuinen en de toegang tot N vanaf de openbare weg op (technisch) eenvoudige wijze is te herstellen, zo heeft gemachtigde ter zitting bevestigd op daartoe gestelde vragen van de rechtbank.

4.3. Meer subsidiair voert eiser aan dat de tuin gelegen aan de …weg een aanhorigheid is van de woning aan N. Ook dit betoog faalt, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tuin aan de …weg behoort en in gebruik is bij en (hoofdzakelijk) dienstbaar is aan de op die kavel gelegen woning N, maar veeleer aannemelijk is geworden dat de tuin aan de …weg behoort en in gebruik is bij en (hoofdzakelijk) dienstbaar is aan de op die kavel gelegen woning …weg. De omstandigheden dat de tuin aan de …weg ook toegang geeft tot de woning aan de N en dat de tuinen aan de …weg en aan N één geheel vormen, doen aan het voorgaande niet af."

3. Omvang van het geschil in hoger beroep

In geschil is het antwoord op de vraag of het object aan N2 te Laren tezamen met het naastgelegen object aan …weg te L kan worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, Wet B 2001.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, Wet B 2001 wordt onder eigen woning verstaan: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

5.2. De stelling van belanghebbende dat de panden aan de …weg en N te L één gebouw zijn als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet B 2001 wordt door het Hof niet gevolgd. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat van een eigen woning in de zin van dit artikel slechts één zelfstandig gebouw deel kan uitmaken. Op de percelen 2005 en 2007 staan afzonderlijke opstallen, zodat geen sprake is van één gebouw.

5.3. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het pand …weg en

daarbij ten tijde van de aankoop behorende tuin tezamen, dan wel alleen de tuin een aanhorigheid is als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001. De Hoge Raad heeft in het arrest van 16 juli 1993, nr. 29 174, BNB 1993/281 voor een stal geoordeeld dat van belang is of de aanhorigheid behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. Of een aanhorigheid bij de woning hoort, is volgens de Hoge Raad afhankelijk van diverse omstandigheden, zoals de afstand tussen de aanhorigheid en de woning, de bouwkundige situatie en de bereikbaarheid van de aanhorigheid vanuit de woning of vanaf de daarbij behorende grond. Verder volgt uit dit arrest dat het Hof was uitgegaan van een onjuiste opvatting van het begrip aanhorigheid door te oordelen dat de stal geen aanhorigheid was op de enkele grond dat de stal steeds een bedrijfsgebouw is geweest en door belanghebbende inmiddels werd gebruikt voor het uitoefenen van een liefhebberij.

5.4. Uit het hiervoor bedoelde arrest van de Hoge Raad leidt het Hof af dat niet doorslaggevend is dat de …weg vóór de aankoop door belanghebbende als eigen woning werd gebruikt. De stelling van de inspecteur dat de …weg geen aanhorigheid kan zijn omdat deze het karakter van zelfstandige eigen woning heeft behouden, kan daarom niet worden gevolgd. Nagegaan dient te worden of de …weg gelet op de omstandigheden na aankoop door belanghebbende in gebruik is bij N en daaraan dienstbaar is.

5.5. Na de bouw van de woning en de garage op het perceel met nummer 2007 is de tuin van N en de …weg opnieuw ingericht. De tuin strekt zich uit over de percelen 2004 tot en met 2007, de tuinpaden zijn zo aangelegd dat de woning, de garage en het object …weg onderling zijn verbonden. De percelen en de panden zijn alleen nog toegankelijk via een oprijlaan aan de …weg en de inrichting van de tuin is met aanzienlijke kosten gepaard gegaan.

5.6. Ten aanzien van de vraag of het pand …weg en de daarbij behorende tuin een aanhorigheid zijn, stelt belanghebbende dat hij ten tijde van de aankoop heeft overwogen om het pand …weg te slopen. Belanghebbende heeft hiervan echter afgezien omdat dit pand gebruikt zou kunnen worden als opslagruimte, hobbyruimte en gastenverblijf. De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de tuin van de …weg waarschijnlijk wel als een aanhorigheid van N zou hebben aangemerkt als belanghebbende het pand zou hebben gesloopt.

5.7. Het Hof is van oordeel dat het pand …weg tezamen met de tuin een aanhorigheid is van N. Het pand is in gebruik bij de bewoners en is dienstbaar aan de woning van N. Anders dan de inspecteur voorstaat, is voor de vraag of sprake is van dienstbaarheid niet doorslaggevend of de woning van N onafhankelijk van het pand …weg kan worden gebruikt. Een dergelijke beperkte invulling van `dienstbaar zijn aan' zou immers betekenen dat ook bijvoorbeeld een garage niet als aanhorigheid kan worden aangemerkt omdat een woning zonder garage zelfstandig kan worden gebruikt. Door de bestemming die belanghebbende aan het pand …weg heeft gegeven, welke bestemming door de inspecteur niet is betwist, is dit pand dienstbaar aan de woning. Op basis van kopieën van foto's, die door belanghebbende in het geding zijn gebracht, kan verder worden aangenomen dat de afstand tussen de woning en het pand …weg beperkt is, dat het pand niet is afgescheiden van N en dat de tuin zo is ingericht dat het pand …weg goed bereikbaar is vanuit de woning.

5

5.8. De stelling van de inspecteur, dat de tuin op eenvoudige wijze kan worden gesplitst zodat de woning en tuin van de …weg afzonderlijk kunnen worden verkocht, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gevolgd. Vast staat vast dat bij de inrichting van de tuin geen rekening is gehouden met de grenzen van de verschillende percelen en met de behoefte aan privacy van eventuele bewoners van de …weg. Verder is de woning aan N, uitgaande van de huidige situatie niet bereikbaar vanaf de openbare weg zodat aanpassingen van de tuin nodig zullen zijn.

5.9. Uit het voorgaande volgt dat het pand en de daarbij ten tijde van de aankoop behorende tuin …weg een aanhorigheid zijn van N. De vraag of alleen de tuin als aanhorigheid kan worden aangemerkt, behoeft hierdoor geen beantwoording meer. Het beroep van belanghebbende is derhalve gegrond.

6 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende zowel in beroep als in hoger beroep. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de te vergoeden kosten gesteld op 4 (punten voor proceshandelingen) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) = € 1.288.

Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties, zijnde (€ 38+€106=) €144.

7. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

stelt de aanslag vast naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.212 en een voordeel uit sparen en beleggen van € 12.211;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 1.288, wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

gelast de Staat het door de griffie van het Hof en de rechtbank geheven griffierecht ad €144 aan belanghebbende te voldoen.

Aldus gedaan door rnrs. A. Bijlsma, A.P.M. van Rijn en B. Emmerig, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing

is op 23 maart 2009 in het,openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Vederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 . bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende versnelden:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.