Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BN6896

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
14-09-2010
Zaaknummer
106.004.110/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lease-overeenkomst. Vervolg op HR 3 juni 2005, LJN: AS7053, Hof Amsterdam 7 september 2006, LJN: BN6894, en 3 juli 2008, LJN: BN6895. Het hof oordeelt dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. (Noot: partijen zijn na deze uitspraak gekomen tot een schikking.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

tevens handelende onder de naam Combi Huizen,

wonende te [woonplaats],

APPELLANT (na verwijzing door de Hoge Raad),

advocaat: mr. Q.A.L.M. Gijsbers, te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPECTOR NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Almere,

GEÏNTIMEERDE (na verwijzing door de Hoge Raad),

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam.

1. Het (verdere) geding in hoger beroep

1.1 De partijen worden hierna wederom [appellant] en Spector genoemd.

1.2 Het hof heeft in deze zaak op 3 juli 2008 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

1.3 Spector heeft daarna een akte genomen, waarop [appellant] heeft gereageerd met een antwoordakte met productie. [Appellant] heeft daarbij uiteengezet dat Spector is opgevolgd door een vennootschap met een gelijkluidende naam.

1.4 Partijen hebben het hof andermaal gevraagd arrest te wijzen op basis van de stukken van het geding.

2. Behandeling van het hoger beroep

2.1 De rechtsopvolging waarvan [appellant] melding heeft gemaakt, zal Spector in een volgende fase van deze procedure kunnen bespreken. In afwachting daarvan laat het hof deze stelling rusten.

2.2 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 3 juli 2008 heeft overwogen en beslist.

Dat betekent dat, kort samengevat, thans de volgende uitgangspunten hebben te gelden:

- [appellant] is de door Spector aan [appellant] gefactureerde bedragen aan Spector verschuldigd, met dien verstande dat vanaf 1 maart 1997 tot 15 juli 1999 een aftrek moet worden toegepast in verband met het opgezegde onderhoudscontract, als volgt:

- [appellant] is voor het eerste contractsjaar NLG 6.300,- exclusief BTW voor onderhoud verschuldigd aan Spector,

- de overige gefactureerde onderhoudskosten, in totaal een bedrag groot NLG 27.333,33 exclusief BTW (NLG 32.116,66 inclusief BTW), is [appellant] niet aan Spector verschuldigd;

- [appellant] heeft in de jaren 1996 tot en met 2000 in totaal NLG 173.207,97 (inclusief BTW) aan Spector betaald;

- de betalingstermijn bedraagt 30 dagen; voor zover [appellant] openstaande facturen te laat heeft betaald, is hij aan Spector een vertragingsrente van 1% per maand verschuldigd geworden.

2.3 Op de voet van de stellingen van partijen kan thans worden aangenomen dat [appellant] bij zijn betalingen geen toerekeningsaanwijzing(en) heeft gegeven als bedoeld in artikel 6:43 Burgerlijk Wetboek. Daarom mag nu ook uitgangspunt zijn dat de betalingen van [appellant] op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:43 lid 2 en 6:44 lid 1 Burgerlijk Wetboek op de oudste openstaande facturen moeten worden toegerekend, waarbij het betaalde bedrag in de eerste plaats in mindering van de verschenen rente en vervolgens in mindering van de hoofdsom strekt.

2.4 Het hof heeft in zijn tussenarrest voorts aangekondigd een deskundige te willen betrekken bij het onderzoek naar de vraag hoeveel [appellant] met inachtneming van deze uitgangspunten nog aan Spector heeft te betalen.

Partijen kregen de gelegenheid om het hof bij akte te laten weten of zij benoeming door een of meer deskundigen wensen. Ook konden zij een te benoemen persoon/personen voorstellen en het hof berichten of zij specifieke expertise verlangen.

2.5 Spector heeft te kennen gegeven dat met benoeming van één deskundige kan worden volstaan. Deze dient te beschikken over boekhoudkundig en cijfermatig inzicht, zodat de keuze voor een accountant voor de hand ligt, aldus Spector.

[Appellant] heeft voorgesteld om drie deskundigen te benoemen, te weten registeraccountants die beschikken over boekhoudkundig en cijfermatig inzicht.

2.6 Naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, de hierna te noemen persoon. Het onderzoek van de problematiek die partijen verdeeld houdt vergt boekhoudkundig en cijfermatig inzicht. Die problematiek is niet zodanig van aard dat naar redelijke verwachting de expertise van drie deskundigen nodig is om tot beantwoording van de door het hof te stellen vragen te komen.

Wel is het zo dat de deskundige door partijen in staat moet worden gesteld om zijn onderzoek te doen. Elk van partijen is gehouden om aan de deskundige het schriftelijk materiaal ter beschikking te stellen dat deze nodig acht om een ter zake dienend rapport uit te brengen.

2.7 Het hof staat voor ogen dat de deskundige ten aanzien van elke betaling van [appellant] onderzoekt, op welke schuld de betaling in mindering heeft gestrekt, waarbij de deskundige de hierboven in rechtsoverweging 2.3 omschreven volgorde in acht heeft te nemen. Dat betekent dat de deskundige ook heeft te onderzoeken, of en zo ja hoeveel vertragingsrente [appellant] verschuldigd was geworden op het moment van betaling. Het hof wil dan ook van de deskundige ten aanzien van alle door [appellant] verrichte betalingen op de door Spector in de periode van 1 maart 1996 tot 15 juli 1999 aan [appellant] gezonden facturen vernemen:

a. op welke schuld de betaling in mindering is gebracht,

b. de datum van betaling en, in geval van te late betaling, de omvang van het bedrag aan vertragingsrente dat [appellant] als gevolg daarvan verschuldigd is geworden,

c. in hoever de betaling van [appellant] op de verschenen rente is toegerekend,

d. of [appellant] schulden (hoofdsom én rente) onbetaald heeft gelaten, en

e. zo ja: de omvang van die schulden, en zo neen: de omvang van hetgeen hij teveel heeft betaald.

Mocht het onderzoek de deskundige daartoe aanleiding geven dan kan hij de betalingen van [appellant] van NLG 49.000,- (in 1997) en NLG 85.000 (in 2001) bij de beantwoording van de hierboven gestelde vragen betrekken. Vooralsnog behoeft de deskundige geen acht te slaan op deze betalingen, gelet op het door [appellant] in dit geding ingenomen standpunt.

2.8 Het door de deskundige begrote voorschot komt op grond van artikel 195 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voor rekening van Spector. De stand van de procedure brengt niet mee dat alsnog de helft van het voorschot voor rekening van [appellant] zou moeten worden gebracht.

2.9 Spector en [appellant] zullen te zijner tijd mogen reageren op het rapport van de deskundige, eerst Spector en vervolgens [appellant]. In dit stadium van het geding zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3. Beslissing

Het hof:

A. beveelt een onderzoek door een deskundige ten aanzien van ieder van de door [appellant] verrichte betalingen op de door Spector in de periode van 1 maart 1996 tot 15 juli 1999 aan [appellant] gezonden facturen ter beantwoording van de volgende vragen:

a. op welke schuld is de betaling in mindering gebracht,

b. wat is de datum van betaling en, in geval van te late betaling, wat is de omvang van het bedrag aan vertragingsrente dat [appellant] als gevolg daarvan verschuldigd is geworden,

c. in hoever is de betaling van [appellant] op de verschenen rente toegerekend,

d. heeft [appellant] schulden (hoofdsom én rente) onbetaald gelaten, en

e. zo ja: wat is de omvang van die schulden, en zo neen: wat is de omvang van hetgeen hij teveel heeft betaald;

B. benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

F.A.J. Kuipers MBA RV,

kantoorhoudende aan het adres Winthontlaan 200, 3526 KV Utrecht,

postbus 85183, 3508 AD Utrecht,

tel. 030-7508933,

e-mail: info@aenfpartners.nl;

C. bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest en van de twee daaraan voorafgaande tussenarresten aan de deskundige zal toezenden;

D. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig – dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijd en plaats;

E. bepaalt dat de deskundige een schriftelijk ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 1 augustus 2009, onder indiening van zijn declaratie onder vermelding van zaaknummer 106.004.110/01;

F. bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijk bericht zal doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen of gedane verzoeken;

G. bepaalt dat Spector vóór 30 april 2009 een bedrag van € 6.664,- (inclusief BTW) als voorschot op loon en kosten van de deskundige ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op het rekeningnummer bij de Rabobank: 30.00.047.45, ten name van: Gerechtshof Amsterdam, onder vermelding van zaaknummer 106.004.110/01 [naam appellant]/Spector;

H. verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2009 voor het nemen van een akte na deskundigenbericht aan de zijde van Spector;

I. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, R.E. de Winter en R.J.Q. Klomp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2009 door de rolraadsheer.