Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BN3669

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
08/00681 tot en met 08/00683, 08/00685 en 08/00712 tot en met 08/00714
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BL6498, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BL6498
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat de kilometeradministratie van belanghebbende gelet op de (te) globale aanduiding van de plaats van vertrek en aankomst op de rittenkaarten in samenhang met de constateringen van de inspecteur dermate gebrekkig is dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer heeft gebruikt en niet overtuigend heeft aangetoond dat de taxi op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

Belanghebbende is door de pas ter zitting overgelegde pleitnota van de inspecteur niet geschaad in zijn processuele positie. Geen (verzoek) heropening.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 16
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 72
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 76
Wet inkomstenbelasting 2001 3.20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken P 08/00681 tot en met 08/00683, 08/00685 en 08/00712 tot en met 08/00714

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

- de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Hoofddorp,

de inspecteur; en

- de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn,

de inspecteur MRB;

tegen de uitspraken in de zaken met de kenmerknummers AWB 06/5304 t/m 5307 en 06/5313 t/m 5315 van de rechtbank Haarlem van 3 juni 2008 in het geding tussen

- [X],

wonende te [Z],

belanghebbende,

gemachtigde mr. I.R.J. Thijssen,

en

- de inspecteur en de inspecteur MRB.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met betrekking tot de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (08/00681)

De inspecteur heeft met dagtekening 2 november 2005 aan belanghebbende over het tijdvak 25 februari 2000 tot en met 24 februari 2003 (verder ook: het BPM-naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag betreffende de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (verder ook BPM) opgelegd van € 13.622.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 22 maart 2006, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Bij mondelinge uitspraak van 3 juni 2008 (AWB 06/5304) heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigd.

1.2. Met betrekking tot de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2000 (08/00862)

De inspecteur heeft met dagtekening 31 maart 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag opgelegd in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (verder ook navorderingsaanslag WAZ 2000) berekend naar een premie-inkomen van ƒ 39.053.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 21 maart 2006, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Bij mondelinge uitspraak van 3 juni 2008 (AWB 06/5307) heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en navorderingsaanslag vernietigd.

1.3. Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2001 (08/00683)

De inspecteur heeft met dagtekening 26 maart 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder ook navorderingsaanslag IB 2001) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.097.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 21 maart 2006, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Bij mondelinge uitspraak van 3 juni 2008 (AWB 06/5305) heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en navorderingsaanslag vernietigd.

1.4. Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2002 (08/00685)

De inspecteur heeft met dagtekening 31 maart 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder ook navorderingsaanslag IB 2002) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.857.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 21 maart 2006, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Bij mondelinge uitspraak van 3 juni 2008 (AWB 06/5306) heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en navorderingsaanslag vernietigd.

1.5. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (08/00712 tot en met 08/00714)

De inspecteur MRB heeft met dagtekening 7 september 2005 aan belanghebbende een drietal naheffingsaanslagen betreffende de motorrijtuigenbelasting (verder ook MRB) opgelegd.

Over het tijdvak 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [123.45.678].Y.0.90001) motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 595, alsmede bij beschikking een boete van 100%.

Over het tijdvak 17 januari 2001 tot en met 16 januari 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [123.45.678].Y.1.90001) motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 1.602, alsmede bij beschikking een boete van 100%.

Over het tijdvak 17 januari 2002 tot en met 16 januari 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [123.45.678].Y.2.90001) motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 1.590, alsmede bij beschikking een boete van 100%.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraken, gedagtekend 7 april 2006 de naheffingsaanslagen en daarmee verbandhoudende boeten gehandhaafd.

Bij mondelinge uitspraak van 3 juni 2008 (AWB 06/5313 tot en met 06/5315) heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar, naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen vernietigd.

1.6. Met betrekking tot het hoger beroep

Tegen bovenstaande onder 1.1 tot en met 1.4 vermelde uitspraken van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschriften van 24 juni 2008, bij het Hof ingekomen op dezelfde datum, en aangevuld bij brieven 18 respectievelijk 21 augustus 2008.

Tegen bovenstaande onder 1.5 vermelde uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur MRB hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 2 juli 2008, bij het Hof ingekomen op dezelfde dag .

Belanghebbende heeft verweerschriften ingediend.

Op 18 februari 2009 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Op 6 maart 2009 is een pleitnota ontvangen van belanghebbende met bijlagen. Afschriften van deze stukken zijn aan de belanghebbende respectievelijk de inspecteur gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld: de zaken 08/00681 (BPM), 08/00862 (WAZ 2000), 08/00683 (IB 2001), 08/00685 (IB 2002) en 08/00712 tot en met 08/00714 (MRB).

2. Overwegingen

2.1. Feiten

Het Hof stelt de feiten vast zoals hierna opgenomen.

2.1.1. Belanghebbende is werkzaam als taxichauffeur in de regio Amsterdam. In de jaren dan wel de tijdvakken waarop de onderhavige belastingaanslagen betrekking hebben exploiteerde hij onder de naam [Y] een taxibedrijf. Voor zijn werkzaamheden maakte belanghebbende gebruik van een Mercedes-Benz S 300 Turbodiesel Sedan met het kenteken AA-BB-00 (hierna: de taxi).

Het kenteken van de taxi stond met ingang van 8 september 2000 op naam van belanghebbende. De cataloguswaarde van de taxi was f 175.400.

2.1.2. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB en WAZ over de onderhavige jaren geen bijtelling privé gebruik auto aangegeven. Aan belanghebbende is op verzoek teruggaaf van BPM verleend. Op verzoek van belanghebbende heeft de inspecteur MRB voor de taxi vrijstelling van MRB verleend.

2.1.3. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn aan de inspecteur MRB gerenseigneerd. Afschriften van het inzake het boekenonderzoek opgemaakte concept controlerapport en definitieve controlerapport zijn op respectievelijk 8 februari 2005 en 2 maart 2005 aan belanghebbende gezonden.

2.1.4. De inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek onder meer de onder ‘Ontstaan en loop van het geding’ opgenomen belastingaanslagen opgelegd. De inspecteur MRB heeft op basis van hetzelfde onderzoek de aldaar vermelde naheffingsaanslagen en boeten opgelegd.

2.2. Het geschil in hoger beroep

Nadat de inspecteur ter zitting van het Hof nader het standpunt heeft ingenomen dat de navorderingsaanslag WAZ 2000 en de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001 moeten worden vernietigd en dat de naheffing van BPM moet worden beperkt tot de op de laatste twee jaren van het naheffingstijdvak betrekking hebbende teruggaaf (derhalve tot 2/3 x € 13.622 = € 9.081), is in hoger beroep nog in geschil:

- of belanghebbende conform artikel 3.20, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001) heeft doen blijken dat de taxi in 2001 en 2002 voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt;

- of de taxi in de laatste twee jaren van het BPM-naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer;

- of de taxi in het MRB-naheffingstijdvakken 17 januari 2001 tot en met 16 januari 2002 en 17 januari 2002 tot en met 16 januari 2003 geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer;

- of de inspecteur MRB terecht en voor het juiste bedrag boeten heeft opgelegd.

2.3. Vooraf

2.3.1. De inspecteur heeft verzuimd belanghebbende in de bezwaarfase te horen. Nu belanghebbende bij de behandeling in eerste aanleg heeft laten weten op die grond geen terugwijzing naar de inspecteur te willen en hij dit standpunt in hoger beroep niet heeft verlaten zal ook het Hof aan het niet nakomen van de hoorplicht niet de consequentie verbinden dat de zaken moeten worden teruggewezen naar de inspecteur.

2.3.2. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij de pleitnota van de inspecteur liever eerder (dat wil zeggen: niet pas ter zitting) had ontvangen omdat over elke rit wel wat valt te zeggen. Het Hof merkt dienaangaande op dat de pleitnota van de inspecteur nog geen twee A-4tjes beslaat en dat daarin geen enkel gegeven voorkomt dat ook al niet in enige vorm eerder in de procedure door de inspecteur is aangevoerd. Belanghebbende is door de omstandigheid dat hij (evenals het Hof) eerst ter zitting kennis heeft kunnen nemen van de pleitnota van de inspecteur dan ook niet geschaad in zijn processuele positie.

2.3.3. Na sluiting van het onderzoek heeft de gemachtigde van belanghebbende op 23 maart 2009 nog een fax aan het Hof gezonden. In deze fax wordt geen verzoek gedaan tot heropening van het onderzoek en het Hof vindt hier ook ambtshalve geen aanleiding toe.

2.4. De heffing van inkomstenbelasting

2.4.1. Toepassing van de autokostenfictie blijft ingevolge artikel 3.20, tweede lid, van de Wet IB 2001 achterwege als blijkt – dat wil zeggen als belanghebbende overtuigend aantoont – dat de taxi op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

2.4.2. Belanghebbende stelt dat hij het van hem verlangde bewijs heeft geleverd door middel van zijn kilometeradministratie.

De kilometeradministratie van belanghebbende bestaat uit door hem ingevulde rittenkaarten. Het betreft contant betaalde ritten en ritten die werden betaald met een creditkaart of door middel van een factuur in rekening werden gebracht.

2.4.3. Een zeer groot deel van de geregistreerde ritten heeft als vertrek- of aankomstlocatie Schiphol. De overige vertrek- en aankomstlocatie van de ritten worden op de rittenkaarten veelal aangeduid met een plaatsnaam (bijvoorbeeld: van Uithoorn naar Amsterdam) zonder dat die locaties op enigerlei wijze nader (bijvoorbeeld door middel van een straatnaam) worden aangeduid.

2.4.4. De inspecteur heeft aan de hand van belanghebbendes rittenkaarten een overzicht gemaakt van de gemaakte ritten in (met name) de maanden augustus 2001, november 2001 en maart 2002 (bijlage 26 bij het hogerberoepschrift). In dit overzicht zijn zowel de rittenkaarten die betrekking hebben op de contant betaalde ritten als de rittenkaarten die zien op de met een creditkaart betaalde of door middel van een factuur in rekening gebrachte ritten begrepen.

In het overzicht wordt het aantal verreden kilometers en de voor de ritten ontvangen of in rekening gebrachte vergoeding volgens de rittenkaarten vergeleken met het door de inspecteur berekende aantal kilometers dat bij die vergoeding zou passen. Bij een aanzienlijk aantal ritten (bijlage 28 bij het hogerberoepschrift) concludeert de inspecteur vervolgens tot ‘negatieve fooien’ (waaronder hij verstaat dat de klant minder betaalde dan de ritprijs die normaliter zou behoren bij het aantal gereden km volgens de rittenstaat), of tot extreem grote fooien (oplopend tot meer dan 300% van de ritprijs die normaliter zou behoren bij het aantal gereden kilometers volgens de rittenstaat).

2.4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat de door de inspecteur in gemelde bijlage 26 opgenomen gegevens onjuist zijn. Hij heeft echter – hoewel dat op zijn weg had gelegen – geen enkele concrete onjuistheid aangegeven. In het bijzonder heeft hij geen enkel geval aangewezen waarin de door de inspecteur genoteerde en in bijlage 26 vermelde gegevens niet overeenstemmen met hetgeen op de desbetreffende rittenkaart is aangetekend.

Voorts heeft belanghebbende geen afdoende verklaring gegeven voor de opmerkelijke constateringen van de inspecteur weergegeven in gemelde bijlage 28. De in algemene zin gemaakte opmerkingen over files, werkzaamheden aan de weg en andere prijsafspraken dan een prijs per kilometer, zijn daartoe onvoldoende.

2.4.6. In het licht van de slechts globale aanduiding van de plaats van vertrek en aankomst (overweging 2.4.3.) – waarbij het Hof opmerkt dat met name de aanduiding ‘Amsterdam’ een zo groot gebied omvat dat het aantal kilometers naar en van ‘Amsterdam’ afhankelijk van de feitelijke locatie zeer aanzienlijk kan verschillen –, en hetgeen is overwogen onder 2.4.4. en 2.4.5. acht het Hof belanghebbende niet geslaagd in het van hem op grond van artikel 3.20, tweede lid, van de Wet IB 2001 verlangde bewijs.

2.4.7. De navordering van inkomstenbelasting over 2001 en 2002 is derhalve terecht.

2.5. De heffing van BPM

2.5.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Wet BPM) houdt – voor zover hier van belang – in dat een teruggaaf van belasting op aanvraag wordt verleend voor personenauto's die zijn bestemd om taxivervoer te verrichten. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Wet BPM bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

2.5.2. De inspecteur heeft de aan belanghebbende op diens verzoek teruggegeven BPM nageheven, waartoe hij, kort gezegd, aanvoert dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de taxi geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. De kilometeradministratie is ondeugdelijk en onbetrouwbaar, aldus de inspecteur, en met een dergelijke kilometeradministratie kan niet het vereiste bewijs worden geleverd.

2.5.3. De stellingen van belanghebbende komen erop neer dat hij met zijn kilometeradministratie, en met name de vastlegging op de rittenkaarten, aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi voor ten minste 90% voor personenvervoer werd gebruikt.

2.5.4. Het Hof oordeelt dat op een belastingplichtige die zich op een vrijstelling beroept – zoals in casu belanghebbende – de last rust te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet.

2.5.5. Het Hof acht belanghebbendes kilometeradministratie gelet op de (te) globale aanduiding van de plaats van vertrek en aankomst op de rittenkaarten (overweging 2.4.3.) in samenhang met de constateringen van de inspecteur met betrekking tot de maanden augustus 2001, november 2001 en maart 2002 (bijlage 28) – welke constateringen door belanghebbende niet afdoende zijn weerlegd of verklaard – dermate gebrekkig dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi in de laatste twee jaren van het BPM-naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee hij het verlangde bewijs heeft geleverd. Het nadere standpunt van de inspecteur met betrekking tot de BPM is derhalve juist.

2.6. De heffing van MRB

2.6.1. Artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting (tekst tot en met 2000, verder Wet MRB) houdt – samengevat – in dat vrijstelling van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend voor motorrijtuigen die bestemd zijn om daarmee als personenauto taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. De hiervoor genoemde voorwaar-den en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit MRB).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit MRB is – voor zover hier van belang - bepaald dat vrijstelling van belasting wordt verleend indien een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer.

2.6.2. Op verzoek is belanghebbende bij beschikking vrijstelling van MRB verleend. De inspecteur MRB heeft bij de in geschil zijnde naheffingsaanslagen MRB nageheven omdat hij van mening is dat belanghebbende in het desbetreffende tijdvak geen juiste en controleerbare kilometeradministratie heeft bijgehouden en ook overigens niet heeft bewezen dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig werd gebruikt.

2.6.3. Met betrekking tot de op partijen rustende bewijslast geldt voor de MRB hetzelfde als voor de BPM. Ook met betrekking tot de MRB concludeert het Hof dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt.

2.6.4. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen omtrent de BPM concludeert het Hof ook in dit verband dat belanghebbendes kilometeradministratie dermate gebrekkig is dat met een dergelijke administratie niet aannemelijk gemaakt kan worden dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee hij het verlangde bewijs heeft geleverd.

2.6.5. De beslissing van de rechtbank inzake de naheffingsaanslagen MRB is gebaseerd op het oordeel – zakelijk weergegeven – dat op grond van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB de periode waarover kan worden nageheven beperkt is en wel tot de twaalf maanden voorafgaande aan 2 maart 2005, zijnde het tijdstip waarop (aldus de rechtbank) de inspecteur MRB geconstateerd heeft dat belanghebbende niet aan de voorwaarden voor de MRB-vrijstelling voldeed

2.6.6. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Artikel 76 van de Wet MRB luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden kan de belasting worden nageheven.

2. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd. (…)”

2.6.7. Over de strekking van de in dezen van belang zijnde bepalingen is in HR 5 oktober 2001, nr. 36.493, BNB 2001/420 het volgende overwogen:

“3.4. Vooropgesteld moet worden dat de algemene bevoegdheid van de inspecteur te weinig geheven motorrijtuigenbelasting na te heffen, berust op artikel 20 van de AWR. Voor een aantal specifieke situaties zijn in afdeling 7 van hoofdstuk II van de Wet - en, hier niet van belang, de artikelen 52 tot en met 54, 60 en 61, alsmede 69 en 70 - ten dele van artikel 20 van de AWR afwijkende regels gegeven. De afwijking van artikel 20 van de AWR in afdeling 7 van hoofdstuk II komt in essentie hierop neer dat de naheffingsaanslag wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het tot naheffing aanleiding gevende feit is geconstateerd, behoudens voorzover de belastingplichtige overtuigend aantoont dat zich een van de in de Wet vermelde situaties heeft voorgedaan waarin evident is dat naheffing over de voorgeschreven periode onjuist zou zijn. Een vergelijkbare afwijking van artikel 20 van de AWR kwam voor in artikel 16 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 1965/66, 8445, nr. 3, blz. 7) is af te leiden dat de strekking van deze afwijking was een praktische regeling te treffen voor de bewijsmoeilijkheden waarvoor de inspecteur zich ziet gesteld indien hij wil naheffen in situaties waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald, zonder dat kan worden vastgesteld sinds wanneer dat het geval is. Aangenomen moet worden dat dit ook de strekking is van de in de thans geldende wet opgenomen afwijkingen van artikel 20 van de AWR.”

2.6.8. De naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op het standpunt van de inspecteur MRB dat het belanghebbende in de naheffingstijdvakken ontbreekt aan een administratie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de (mede) bij hem in gebruik zijnde taxi geheel of nagenoeg geheel als taxi is gebruikt.

2.6.9. De last aannemelijk te maken dat de taxi geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer rust – gelijk het Hof heeft overwogen onder 2.6.3. – op belanghebbende als degene die zich op de vrijstelling heeft beroepen.

2.6.10. Het bewijsprobleem waarvoor de inspecteur MRB zich in het algemeen gesteld ziet indien hij wil naheffen in een situatie waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald doet zich in een geval als hier aan de orde niet voor. Het onderhavige geval behoort derhalve niet tot de categorie gevallen waarvoor de naheffingsbevoegdheid van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB is bedoeld. De omstandigheid dat zich niet een situatie voordoet waarvoor artikel 76 is bedoeld, houdt naar het oordeel van het Hof niet in dat overigens niet zou kunnen worden nageheven op de voet van artikel 20 AWR. Een ander oordeel acht het Hof niet in overeenstemming met het in wezen aanvullende karakter van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB. Artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB heeft geen exclusieve werking. Mitsdien acht het Hof – anders dan de rechtbank – de inspecteur MRB in het onderhavige geval op de voet van artikel 20 AWR bevoegd tot het opleggen van de in geschil zijnde naheffingsaanslagen MRB.

2.7. Boeten

2.7.1. De MRB-boeten zijn verzuimboeten die de inspecteur MRB op basis van artikel 67c van de AWR heeft opgelegd. De inspecteur MRB heeft – met inachtneming van § 34, onderdeel 2, van het BBBB 1998 - een boete opgelegd van 100% van het nageheven bedrag.

2.7.2. Belanghebbende heeft de boeten betwist. Anders dan hij daarbij tot uitgangspunt heeft genomen gaat het bij de onderhavige boeten niet om vergrijpboeten en is opzet of grove schuld derhalve niet vereist. Het betreft voorts evenmin situaties waar de heffingsgrondslag met ‘omkering van de bewijslast’ is vastgesteld.

2.7.3. De omstandigheid dat de naheffingen niet kunnen worden gebaseerd op artikel 76 van de Wet MRB, maar (slechts) op artikel 20 AWR doet er niet aan af dat de MRB-boeten verzuimboeten zijn die zijn opgelegd op basis van artikel 67c AWR. De omstandigheid dat de inspecteur MRB ten onrechte artikel 76 van de Wet MRB aan de naheffingen ten grondslag heeft gelegd brengt dan ook niet mee dat de boeten moet worden vernietigd.

Niet kan worden geoordeeld – voor zover belanghebbende dit al heeft betoogd – dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Indien sprake is van het niet betalen van een belasting die op aangifte moet worden voldaan - zoals de motorrijtuigenbelasting -, mag de inspecteur ingevolge § 24, eerste lid, van het BBBB 1998 een boete opleggen van ten hoogste 10% van de verschuldigde belasting. Anders dan de inspecteur MRB meent, is § 34 - dat een boete van maximaal 100% toestaat - niet van toepassing. Immers de naheffingsaanslagen MRB zijn niet op artikel 76 van de Wet MRB, maar op artikel 20 van de AWR gebaseerd. Het Hof acht verzuimboeten van 10% in dezen op zichzelf ook passend en geboden.

2.7.4. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is in dezen niet later aangevangen dan op 27 juli 2005, de datum van de vooraankondigingen van de MRB-naheffingsaanslagen en MRB-boeten. Nu de rechtbank eerst uitspraak heeft gedaan op 3 juni 2008 is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De MRB-boeten zijn door het Hof uit anderen hoofde reeds tot een zodanig laag bedrag verminderd dat het Hof geen noodzaak ziet de overschrijding van de redelijke termijn met een verdere vermindering te compenseren. De geconstateerde verdragsschending is in zoverre voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

2.8. De uitspraken van de rechtbank waartegen hoger beroep is ingesteld moeten worden vernietigd en het Hof zal beslissen zoals de rechtbank had moeten doen.

De bij de rechtbank ingestelde beroepen zijn in zoverre gegrond dat:

- de navorderingsaanslag WAZ over het jaar 2000 moet worden vernietigd;

- de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001 en de daarbij genomen boetebeschikking moeten worden vernietigd;

- de MRB-boeten opgelegd bij de twee andere naheffingsaanslagen MRB moeten worden verminderd tot telkens 10%;

- de naheffingsaanslag BPM moet worden verminderd tot € 9.081.

2.9. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het in eerste aanleg betaalde griffierecht (€ 141) en op vergoeding van (proces)kosten in bezwaar, in eerste aanleg en in hoger beroep. Het Hof vindt daarbij - anders dan de rechtbank - geen termen aanwezig af te wijken van de forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De omstandigheid dat belanghebbende in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord geeft daartoe onvoldoende aanleiding. Voorts kan de inspecteur niet het verwijt worden gemaakt dat hij de belastingaanslagen en boetebeschikkingen heeft opgelegd en gehandhaafd terwijl reeds duidelijk was dat die besluiten in daartegen ingestelde procedures geen stand zouden houden.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan belanghebbende een vergoeding verleent van € 3.622,50.

Toelichting: De proceskostenvergoeding van belanghebbende heeft betrekking op de vermindering van de naheffingsaanslag BPM en de vernietiging van de navorderingsaanslag WAZ (samenhangende zaken, factor wegens samenhang 1), en de vernietiging van de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001 en de daarbij genomen boetebeschikking alsmede de vermindering van de MRB-boeten die zien op de niet vernietigde naheffingsaanslagen MRB (welke zaken eveneens met elkaar samenhangen, factor wegens samenhang 1,5). In iedere zaak zijn de in aanmerking te nemen (proces)handelingen: het indienen van een bezwaarschrift, van een beroepschrift in eerste aanleg en van een verweerschrift in hoger beroep alsmede het verschijnen ter zitting van de rechtbank en van het Hof. Voor het gewicht van deze zaken hanteert het Hof de factor 1.

Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken.

3. Beslissingen

Het Hof:

- vernietigt de uitspraken van de rechtbank waartegen hoger beroep is ingesteld behoudens voorzover de uitspraak met kenmerknummer AWB 06/5303, 06/5305, 06/5306 en 06/5307 betrekking heeft op het griffierecht;

- verklaart het beroep tegen de uitspraken inzake de navorderingsaanslag IB 2001, de navorderingsaanslag IB 2002, de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 17 januari 2001 tot en met 16 januari 2002, en de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 17 januari 2002 tot en met 16 januari 2003, ongegrond;

- verklaart de beroepen tegen de uitspraken inzake de navorderingsaanslag WAZ, de naheffingsaanslag BPM, de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001 alsmede de daarbij genomen boetebeschikking, en de boetebeschikkingen genomen bij de naheffing van MRB over de tijdvakken 17 januari 2001 tot en met 16 januari 2002 en 17 januari 2002 tot en met 16 januari 2003, gegrond;

- vernietigt de navorderingsaanslag WAZ;

- vermindert de naheffingsaanslag BPM tot € 9.081;

- vernietigt de naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001 alsmede de daarbij genomen boetebeschikking;

- vermindert de boete opgelegd bij de naheffing van MRB over het tijdvak 17 januari 2001 tot en met 16 januari 2002 tot 10% ofwel € 160;

- vermindert de boete opgelegd bij de naheffing van MRB over het tijdvak 17 januari 2002 tot en met 16 januari 2003 tot 10% ofwel € 159;

- veroordeelt de inspecteur in de (proces)kosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 3.622,50 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus vastgesteld door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, J. den Boer en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 24 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.