Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BL7099

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
200.029.810
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geen eeuwige jachtvelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.029.810

(zaaknummer rechtbank 256850)

arrest in kort geding van de tweede civiele kamer van 13 oktober 2009

inzake

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats] en

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.J. Jongsma,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A.F. Boor.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 19 november 2008, dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht tussen appellanten (hierna: [appellanten]) als eisers en geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 10 december 2008, hersteld bij exploot van 5 februari 2009 onder handhaving van het eerste exploot, [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, een nieuwe productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

1. [geïntimeerde] zal bevelen

a. primair: binnen 2 werkdagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, alle jachtovereenkomsten die [geïntimeerde] met de grondbezitters van de oorspronkelijke jachtgrond van 400 ha heeft gesloten over te leggen aan de politie Utrecht, Afdeling bijzondere wetten, met de schriftelijke verklaring dat:

1. [geïntimeerde] bij het aangaan van deze overeenkomsten mede heeft gehandeld namens en als gevolmachtigde van primair de informele vereniging Jachtcombinatie Schalkwijk, subsidiair [appellanten], meer subsidiair een of meerdere van hen, en

2. primair de informele vereniging Jachtcombinatie Schalkwijk, subsidiair [appellanten], meer subsidiair een of meerdere van hen voor het geheel, althans voor een door het hof in goede justitie te bepalen gedeelte, als jachthouders over de jachtgrond waarvan [geïntimeerde] als jachthouder is geregistreerd, dienen te worden geregistreerd en als zodanig dienen te worden aangemerkt,

alsook [geïntimeerde] zal bevelen te gehengen en te gedogen dat [appellanten] hun rechten als (leden van) (mede)jachthouders uitoefenen zonder hen enige belemmering in de weg te leggen;

b. althans subsidiair: binnen 2 werkdagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, buiten gezelschapsverklaringen als bedoeld in artikel 36 lid 2 van de Flora- en Faunawet af te geven aan [appellanten], althans een of meerdere van hen, voor het gehele jachtseizoen 2009/2010 voor al die gronden die deel uitmaakten van de oorspronkelijke jachtgrond van circa 400 ha en waarvan [geïntimeerde] alsdan jachthouder is, alsmede het gebruik daarvan door [appellanten] te gehengen en te gedogen zonder hen enige belemmering in de weg te leggen;

c. althans meer subsidiair: een zodanige voorlopige voorziening te treffen als - en voor de termijn die - het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

zulks op straffe van een aan [appellanten] te verbeuren dwangsom van € 3000 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] nalaat geheel of gedeeltelijk aan het gegeven bevel of de getroffen voorlopige voorziening te voldoen;

2. [geïntimeerde] zal bevelen een afschrift van alle overeenkomsten die hij heeft gesloten en die thans nog geldend zijn met betrekking tot de jachtgrond van circa 400 ha, zoals aangegeven in productie 1 van [appellanten] in eerste aanleg, alsmede een financiële verantwoording van de besteding van de contributies die door [appellanten] in de seizoenen 2005-2008 betaald zijn, aan [appellanten] te doen toekomen binnen 7 dagen na de betekening van het in deze te wijzen arrest, zulks op straffe van een aan [appellanten] te verbeuren dwangsom van € 3000 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] nalaat geheel of gedeeltelijk aan het gegeven bevel of de getroffen voorlopige voorziening te voldoen;

3. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, daaronder tevens te verstaan de kosten van betekening van het in deze te wijzen (toewijzend) arrest.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, bewijs aangeboden, nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [appellanten] zal afwijzen dan wel hen daarin niet-ontvankelijk zal verklaren met hun veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.4 Ter zitting van 31 augustus 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. Jongsma voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Boor voornoemd. Beide advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Boor heeft voorafgaand aan de zitting aan [appellanten] en het hof bij brief van 11 augustus 2009 twee producties gezonden. Desgevraagd heeft mr. Jongsma ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die producties, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel van het hof. Vervolgens is aan mr. Boor akte verleend van het in het geding brengen van die producties.

2.5 De stukken voor het wijzen van arrest zijn aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

In hoger beroep staan de volgende feiten vast:

3.1 In 1984 hebben [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [geïntimeerde] de Jachtcombinatie Schalkwijk opgericht. De combinatie had tot doel het verschaffen van gelegenheid tot jagen aan de leden van de combinatie op de van oudsher door de families [appellanten] en [geïntimeerde] gehuurde jachtvelden te Schalkwijk, destijds in totaal ongeveer 400 ha.

3.2 Vanaf 2000 heeft [geïntimeerde] aan [appellant sub 1], [appellant sub 3] en aan [appellant sub 2] vergunning/toestemming verleend om in het gezelschap van [geïntimeerde] de jacht uit te oefenen.

3.3 De relatie tussen [geïntimeerde] en [appellanten] is verstoord geraakt. Voor het jachtseizoen 2008/2009 heeft [geïntimeerde] geweigerd zogenoemde buiten gezelschapsverklaringen aan [appellanten] af te geven.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Als meest ver strekkende verweren heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de spoedeisendheid ontbreekt, dan wel dat [appellanten] misbruik maken van procesrecht.

4.2 Met [geïntimeerde] constateert het hof dat [appellanten] na het vonnis in kort geding van 19 november 2008 op 10 december 2008 een dagvaarding in hoger beroep hebben uitgebracht met oproeping van [geïntimeerde] te verschijnen op de roldatum 27 januari 2009. De zaak hebben zij toen echter niet aangebracht. Bij herstelexploot van 5 februari 2009 hebben zij [geïntimeerde] voor de roldatum 7 april 2009 opgeroepen. De memorie van grieven is vervolgens op 19 mei 2009 genomen.

4.3 [appellanten] hebben gelet hierop kennelijk niet veel haast gemaakt met het aanbrengen van de zaak. Dat brengt echter niet mee dat een spoedeisend belang ontbreekt. Het gaat hier immers om rechten die alleen kunnen worden uitgeoefend tijdens het jachtseizoen dat loopt van 15 augustus tot 1 februari. Seizoen 2008/2009 was nagenoeg verstreken op het moment dat de zaak volgens het eerste appelexploot zou worden aangebracht. De procedure kon daarom in hoger beroep slechts gaan over rechten in het jachtseizoen 2009/2010 welk seizoen pas op 15 augustus 2009 zou beginnen. Het standpunt van [geïntimeerde] dat de spoedeisendheid ten aanzien van de vorderingen ontbreekt dan wel dat [appellanten] misbruik maken van procesrecht houdt dus geen stand. Het verweer faalt.

4.4 Ten aanzien van de vordering onder 2 - het overleggen van de jachthuurovereenkomsten en het afleggen van financiële verantwoording - valt het spoedeisend belang van [appellanten] niet zonder meer in te zien. Na daartegen gevoerd verweer, hebben [appellanten] bij pleidooi hun spoedeisend belang op dit punt niet nader onderbouwd. Het hof zal [appellanten] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering onder 2.

4.5 De grieven stellen de oordelen van de voorzieningenrechter aan de orde die tot afwijzing van de vorderingen in eerste aanleg hebben geleid. Deze vorderingen zijn - op onderdelen gewijzigd - opgenomen in de vordering in hoger beroep onder 1 a t/m c.

4.6 Het hof stelt het volgende voorop. Het genot van de jacht komt primair toe aan de grondeigenaar of de andere in artikel 33 van de Flora- en Faunawet (FFW) genoemden. Voor zover de grondeigenaar/-gebruiker deze rechten op de voet van artikel 34 lid 1 FFW verhuurt aan een ander, komt het genot van de jacht aan de huurder toe. Het genotsrecht is voor de huurder niet vrij overdraagbaar (artikel 34 lid 2 FFW).

4.7 Vast staat dat [geïntimeerde] - naar zijn zeggen samen met zijn neef [voornaam] [achternaam] - op de voet van artikel 34 lid 1 FFW huurder is van jachtrechten te Schalkwijk. Hij heeft deze rechten gehuurd van boeren in Schalkwijk. [appellanten] vorderen niet dat [geïntimeerde] het genot van de jacht aan hen onderverhuurt op de voet van artikel 34 lid 2 FFW en zij wensen dat ook niet (pleitnotitie p. 7 bovenaan). In zoverre is grief 3 terecht voorgesteld. Zij stellen primair dat [geïntimeerde] de jachthuurovereenkomsten behoort te zijn aangegaan namens de Jachtcombinatie Schalkwijk, althans mede namens hen, en dat zij daarom ook jachthouder zijn volgens artikel 33 onder d FFW.

4.8 Voor zover moet worden aangenomen dat aan [geïntimeerde] is opgedragen de overeenkomsten met de boeren namens de Jachtcombinatie, althans mede namens [appellanten], te sluiten en [geïntimeerde] dat heeft verzuimd, gaat het om een mogelijke tekortkoming van [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van opdrachtnemer/vertegenwoordiger dan wel om een onrechtmatige daad jegens [appellanten]. Die opdracht kan er echter op zichzelf niet toe leiden dat de Jachtcombinatie of [appellanten] jachthouder zijn of worden. Voor de vraag of de Jachtcombinatie, althans [appellanten], op grond van de overeenkomsten met de boeren jachthouder is/zijn, is immers doorslaggevend of zij partij is/zijn bij de jachthuurovereenkomsten.

4.9 Of [geïntimeerde] in persoon of (mede) namens (een) derde(n) heeft gecontracteerd, is niet in algemene zin te beantwoorden. Voor dat antwoord zal moeten worden gekeken naar wat partijen - in dit geval [geïntimeerde] en de boeren - over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij de huurovereenkomsten - met zijn neef - op eigen naam (persoonlijk) met de boeren heeft gesloten. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde verklaringen van enkele boeren volgt dat zij van mening zijn dat zij de jachthuurovereenkomsten op persoonlijke titel met [geïntimeerde] - en zijn neef - zijn aangegaan. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de boeren uit de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] hebben afgeleid (of hebben moeten afleiden) dat [geïntimeerde] ook namens de Jachtcombinatie, althans mede namens [appellanten] handelde.

4.10 Het hof is daarom van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellanten] op grond van jachthuurovereenkomsten (mede)jachthouder zijn (geworden). Een andersluidende schriftelijke verklaring van [geïntimeerde] als gevorderd onder 1a kan niets afdoen aan de rechtsverhouding die bestaat tussen [geïntimeerde] en de boeren en is daarom zinledig. Het voorgaande brengt mee dat grief 5 voor zover het de toelichting onder 12.2 betreft, faalt.

4.11 Ten aanzien van de buiten gezelschapsverklaringen op de voet van artikel 36 lid 2 FFW (grief 5, toelichting onder 12.3 tot en met 12.8) oordeelt het hof als volgt. De jachthouder kan aan de jachtopzichter of anderen toestemming verlenen om anders dan in zijn gezelschap het hem toekomende genot van de jacht of een deel daarvan uit te oefenen. Artikel 1 FFW definieert een jachtopzichter als degene die zorgdraagt voor de bescherming van de jachtbelangen van een jachthouder en tevens als buitengewoon opsporingsambtenaar belast is met de opsporing van strafbare feiten. [geïntimeerde] heeft onweersproken verklaard dat hij geen bijzonder opsporingsambtenaar is. De stelling van [appellanten] onder randnummer 12.7 dat [geïntimeerde] jachtopzichter is verwerpt het hof dan ook. [geïntimeerde] is uitsluitend jachthouder.

4.12 Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 36 lid 2 FFW volgt dat de wetgever er belang aan hechtte te voorkomen dat in een jachtveld teveel personen tegelijkertijd bevoegd zouden zijn de jacht uit te oefenen buiten de aanwezigheid van de jachthouder zelf. Nader te stellen regels zouden in elk geval betrekking moeten hebben op het aantal personen aan wie de jachthouder een dergelijke toestemming kan verlenen (MvT II, 23147, nr. 3, p. 74).

4.13 In het Jachtbesluit van 28 november 2000 zijn vervolgens nadere regels gesteld. In paragraaf 6 - De jachtvelden - is onder artikel 10 lid 1 het volgende bepaald:

"1. Een jachtveld waarop het genot van de jacht met gebruikmaking van een geweer mag worden uitgeoefend, heeft een aaneengesloten oppervlakte van:

a. ten minste 40 hectare per jachthouder waarop deze als zodanig bevoegd is te jagen en bovendien

b. ten minste zoveel maal 40 hectare als er behalve de onder a bedoelde jachthouder anderen dan jachtopzichters in datzelfde jachtveld bevoegd zijn te jagen uit hoofde van een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet."

In de Nota van Toelichting (NvT) bij dit artikel is nader uitgelegd hoe de 40 ha-eis moet worden opgevat. Aan die NvT ontleent het hof dat er buiten de 40 ha voor de jachthouder ten minste zoveel maal 40 ha aanwezig moet zijn als het aantal personen dat bevoegd is op grond van een buiten gezelschapsverklaring. Als voorbeeld noemt de NvT een jachtveld van 280 ha waar drie jachthouders het genot van de jacht hebben. Daar kan nog aan vier personen een buiten gezelschapsverklaring worden verleend omdat er zevenmaal 40 ha aanwezig is.

4.14 De eis van 40 ha geldt dus per jachthouder en per persoon die toestemming heeft uit hoofde van artikel 36 tweede lid FFW en daarom bevoegd is om op het desbetreffende jachtveld te jagen. De andersluidende opvatting van [appellanten] volgt het hof dan ook niet. Uit de NvT volgt verder dat de toestemming om buiten aanwezigheid van de jachthouder in een jachtveld te jagen niet mag worden gebruikt om een te klein jachtveld te vergroten. De mogelijkheid die [appellanten] onder 12.10 suggereren, is daarom in strijd met het Jachtbesluit. [appellanten] wensen voorts geen onderhuur (artikel 34 lid 2 FFW) zodat het overige onder 12.10 gestelde onbesproken kan blijven.

4.15 De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of er jachtvelden van een veelvoud van 40 ha in Schalkwijk voorhanden zijn zodat de Jachtcombinatie, althans [appellanten], naast [geïntimeerde] kan/kunnen jagen. De bewijslast hiervoor berust op [appellanten] omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen. Onder 12.3 betogen [appellanten] dat de omvang van de jachtvelden groter is dan [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft willen doen voorkomen. Zij hebben als onderbouwing productie 2 in het geding gebracht, een gezelschapsverklaring ex artikel 36 lid 1 FFW op naam van [appellant sub 2]

4.16 De thans in Schalkwijk nog resterende gebieden zijn volgens [geïntimeerde] veelal minder dan 40 ha groot. Feitelijk bestaan er volgens [geïntimeerde] nog maar twee jachtvelden, een van 67 ha en een van 93 ha. Ter zitting heeft [geïntimeerde] met een plattegrond zijn standpunt nader toegelicht. Ten aanzien van het veld van 67 ha is hij naar zijn zeggen slechts deelgerechtigd tot het jachtgenot. De grondgebruiker (een fruitkweker) jaagt zelf ook. Het perceel van 93 ha heeft volgens [geïntimeerde] twee jachthouders, namelijk [geïntimeerde] en zijn neef, zodat er niets resteert voor de jachtcombinatie of (een van) [appellanten], aldus [geïntimeerde].

4.17 [appellanten] hebben weliswaar het standpunt van [geïntimeerde] betwist maar geen stukken in het geding gebracht of anderszins voldoende aannemelijk gemaakt dat er naast de door [geïntimeerde] genoemde jachtvelden nog andere, voldoende grote jachtvelden in het gebied zijn. Productie 2 bij memorie van grieven is daartoe niet toereikend. Deze gezelschapsverklaring is op 2 februari 2008 door [geïntimeerde] ingevuld. Bij de vraag in de verklaring naar de omvang van de jachtgronden heeft [geïntimeerde] 315 ha ingevuld. Louter dit gegeven maakt niet dat er daadwerkelijk jachtvelden tot die omvang aanwezig waren in 2008. Bovendien heeft [geïntimeerde] ter zitting verklaard dat hij destijds [begrepen wordt: verouderde] gegevens uit de computer gebruikte en gegevens niet jaarlijks aanpaste. Voor 2009 heeft hij die gegevens wel aangepast. Hij vult bij de vraag naar de omvang van de gronden nu 160 ha in, aldus [geïntimeerde] ter zitting.

4.18 Bij deze stand van zaken is niet aannemelijk dat er jachtvelden van voldoende grootte zijn om buiten gezelschapsverklaringen uit te geven. Het hof merkt hierbij op dat het gebied kennelijk is verdeeld in 190 kavels maar dat die kavels niet aan 190 verschillende eigenaren/gebruikers toebehoren. Anders dan [appellanten] voorstaan, kon van hen gevergd worden dat zij zelfstandig nader hadden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre en aan wie de huidige grondeigenaars/-gebruikers hun jachtrechten hebben verhuurd. Daarbij komt dat [appellanten] de gronden en/of de boeren al geruime tijd (moeten) kennen omdat zij er jarenlang gejaagd hebben. De plattegrond die [geïntimeerde] ter zitting heeft getoond heeft hij bovendien in eerste aanleg ook al ter zitting laten zien. Nu [appellanten] verzuimd hebben nader onderzoek naar de omvang van de beschikbare jachtvelden te doen, moet dat voor hun rekening blijven. Gelet hierop en nu het een kort geding betreft, ziet het hof geen aanleiding hen ambtshalve tot bewijs toe te laten.

4.19 Onder 12.9 in hun memorie van grieven hebben [appellanten] nog een motiveringsklacht opgenomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de rechten met betrekking tot het gebied aan [geïntimeerde] toekomen. [appellanten] vinden dit onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd omdat al decennia vóór oprichting van de Jachtcombinatie de familie [appellanten] jachtrechten had in het gebied en de combinatie vervolgens gelijke rechten in het jachtgebied heeft verkregen. Daarbij zien [appellanten] over het hoofd dat het niet aan de voorzieningenrechter is om jachtrechten te verdelen of jachtrechten aan één der partijen toe te kennen, nog daargelaten dat [appellanten] dit niet gevorderd hebben. Bij hun motiveringsklacht hebben [appellanten] dus geen belang.

4.20 Hetgeen onder 12.11 is aangevoerd stuit af op het oordeel dat het hof onder 4.8 heeft gegeven. De slotsom is dat grief 5 geen doel treft. [appellanten] hebben in het licht hiervan geen belang meer bij de bespreking van de grieven 1, 2, 4 en 6.

4.21 Het hof ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen als gevorderd onder 1 c). De enige mogelijkheid zou immers een in gezelschapsverklaring zijn (artikel 36 lid 1 FFW). Ter zitting is duidelijk geworden dat de verhouding tussen partijen, althans wat [geïntimeerde] betreft, dermate is verstoord dat een gezamenlijke jachtpartij er niet meer in zit.

Slotsom

4.22 [appellanten] zullen in hun vorderingen deels niet-ontvankelijk worden verklaard. Grief 3 is gedeeltelijk terecht voorgesteld maar leidt niet tot vernietiging van het vonnis omdat grief 5 faalt. De overige grieven behoeven geen bespreking. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 2;

bekrachtigt het vonnis in kort geding van 19 november 2008 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 313 voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, A.W. Steeg en J.G.J. Rinkes, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009.