Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BL4232

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200.018.333/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn het er over eens dat de Pensioen en Uitkeringsraad (PUR) ten onrechte maandelijks een bepaald bedrag aan de gerechtsdeurwaarder heeft afgedragen. De gerechtsdeurwaarder kan verweten worden dat hij niet heeft ingezien dat er geen grond was voor de ontvangst van deze bedragen. Door hem was immers geen nieuw beslag gelegd onder de PUR. Zijn betoog dat hij ervan uit ging dat de betalingen werden verricht in het kader van een bevel tot betaling ter zake van een achterstand in de betaling van de alimentatieverplichting van klager, kan niet worden gevolgd. Anders dan door de gerechtsdeurwaarder beweerd heeft de PUR immers wel degelijk gemeld dat twee andere gerechtsdeurwaarders ten laste van klager beslag hadden gelegd. De gerechtsdeurwaarder had moeten weten dat de PUR bij die stand van zaken geen bedragen aan hem mocht overmaken en de conclusie moeten trekken dat de door hem ontvangen bedragen dienden te worden terugbetaald aan de PUR of doorbetaald aan de deurwaarder, die het oudste executoriale beslag onder PUR had gelegd. Nu de gerechtsdeurwaarder in zoverre is tekortgeschoten heeft hij tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.

Klager is door het handelen van de gerechtsdeurwaarder evenwel niet financieel benadeeld. Het enige geschonden belang van klager is dat hem door de gerechtsdeurwaarder geen, althans te laat, inzicht is verschaft in de gang van zaken.

Voor zover de klacht de vraag betreft of de gerechtsdeurwaarder nog bedragen moet terugbetalen verwijst het hof evenals de kamer naar de gewone rechter, aangezien voor de beantwoording van die vraag in een tuchtrechtelijke procedure als deze geen plaats is.

Dit leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is voor zover het de door de gerechtsdeurwaarder ontvangen betalingen van de PUR betreft. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer en, opnieuw rechtdoende, verklaart de klacht gegrond zoals omschreven in rechtsoverweging 6.1, wijst de klacht voor het overige af en laat het opleggen van een maatregel achterwege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 8 december 2009 in de zaak met zaaknummer 200.018.333/01 GDW van:

[naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

[naam],

wonend te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Ter griffie van het hof is op 13 november 2008 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, waarbij hij hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 14 oktober 2008.

1.2. Bij die met redenen omklede beslissing heeft de kamer het verzet van geïntimeerde, verder te noemen klager, tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 2 april 2008 gegrond verklaard, de beslissing van de voorzitter vernietigd, de klacht gegrond verklaard en aan de gerechts¬deurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

1.3 Op 1 december 2008 is van de zijde van klager bij het hof een verweerschrift met bijlagen ingekomen.

1.4 De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 september 2009, alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de voorzitter van de kamer in de beslissing van 2 april 2008 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de voorzitter geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

De klacht betreft de door de gerechtsdeurwaarder in opdracht van de ex-echtgenote van klager ten laste van klager uitgevoerde executie¬werkzaamheden met betrekking tot (achterstallige) alimentatie. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder, kort gezegd, dat hij ondoorzichtig werkt, dat hij ten onrechte van de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: PUR) ontvangen betalingen onder zich heeft gehouden, dat hij klager ten onrechte heeft gesommeerd tot betaling en niet heeft voldaan aan de sommatie van klager om de niet afgedragen alimentatie terug te betalen.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder betwist het oordeel van de kamer dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door dertien maanden lang geld van de PUR te hebben geïnd en dit geld te hebben behouden zonder dat hij zich bewust was wat daarvan de reden was. Hij wijst erop dat op 27 januari 2005 door hem executoriaal beslag is gelegd ten laste van klager onder de PUR ter zake van achterstallige alimentatie en dat in het desbetreffende proces-verbaal tevens, voorafgegaan door een bevel tot inhouding van het beslagene, de verplichting is vermeld tot betaling van het maandelijks nog te vervallen alimentatiebedrag rechtstreeks aan de ex-echtgenote. Dit beslag is op 24 februari 2005 opgeheven.

Op 23 februari 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder opdracht gekregen van de ex-echtgenote van klager om opnieuw te executeren in verband met een nieuwe achterstand in de betaling van de alimentatie. Op 7 april 2005 heeft de gerechtsdeurwaarder bij exploot hernieuwd bevel tot betaling gedaan aan klager. Daarna heeft de gerechtsdeurwaarder maandelijks een bedrag van € 93,61 van de PUR ontvangen. De gerechtsdeurwaarder voert aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de van de PUR ontvangen betalingen werden verricht uit hoofde van de voornoemde verplichting. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de PUR hem nooit heeft geïnformeerd over de status van de beslagen, die op 7 april 2005 en 13 december 2005 door collegadeurwaarders waren gelegd.

6. De beoordeling

6.1 Partijen zijn het er over eens dat de PUR ten onrechte vanaf juli 2006 maandelijks een bedrag van € 93,61 aan de gerechtsdeurwaarder heeft afgedragen. De gerechtsdeurwaarder kan verweten worden dat hij niet heeft ingezien dat er geen grond was voor de ontvangst van deze bedragen. Door hem was immers geen nieuw beslag gelegd onder de PUR. Zijn betoog dat hij ervan uit ging dat de betalingen werden verricht in het kader van een bevel tot betaling ter zake van een achterstand in de betaling van de alimentatie¬verplichting van klager, kan niet worden gevolgd. Anders dan door de gerechtsdeurwaarder beweerd heeft de PUR immers wel degelijk - bij brief van 7 juli 2006 aan de gerechtsdeurwaarder - gemeld dat twee andere gerechtsdeurwaarders (namelijk [namen]) ten laste van klager beslag hadden gelegd. De gerechtsdeurwaarder had moeten weten dat de PUR bij die stand van zaken geen bedragen aan hem mocht overmaken en de conclusie moeten trekken dat de door hem ontvangen bedragen dienden te worden terugbetaald aan de PUR of doorbetaald aan de deurwaarder, die het oudste executoriale beslag onder PUR had gelegd. Nu de gerechtsdeurwaarder in zoverre is tekortgeschoten heeft hij tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.

6.2 Klager is door het handelen van de gerechtsdeurwaarder evenwel niet financieel benadeeld. De gerechtsdeurwaarder heeft de ontvangen gelden immers niet onder zich gehouden, maar een bedrag van € 370,- in november 2006 doorbetaald aan de ex-echtgenote en het resterende bedrag nadien afgedragen aan de deurwaarder die het oudste beslag had gelegd. Het enige geschonden belang van klager is dat hem door de gerechtsdeurwaarder geen, althans te laat, inzicht is verschaft in de gang van zaken.

6.3 Voor zover de klacht de vraag betreft of de gerechtsdeurwaarder nog bedragen moet terugbetalen verwijst het hof evenals de kamer naar de gewone rechter, aangezien voor de beantwoording van die vraag in een tuchtrechtelijke procedure als deze geen plaats is.

6.4 Dit leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is voor zover het de door de gerechtsdeurwaarder ontvangen betalingen van de PUR betreft. Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2 ziet het hof echter geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel.

6.5 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6 Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer en, opnieuw rechtdoende;

- verklaart de klacht gegrond zoals omschreven in rechtsoverweging 6.1;

- wijst de klacht voor het overige af;

- laat het opleggen van een maatregel achterwege.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, S. Clement en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2009 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 14 oktober 2008 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 189.2008 ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 2 april 2008 (zaaknummer 61.2008) heeft de voorzitter van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klager tegen beklaagde ingediende klacht. Bij brief van 14 april 2008 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Op 22 april 2008 heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 september 2008 alwaar klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 29 juli 2008 gereageerd op het verzetschrift. Hij heeft meegedeeld niet te zullen verschijnen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 14 oktober 2008.

2. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager samengevat aangevoerd dat hij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter. Klager voelt zich niet serieus genomen door de beslissing van de voorzitter. Klager acht het onder meer wel degelijk tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte geïnde gelden onder zich heeft gehouden zonder daarvan melding te maken. Deze gelden had hij dienen terug te storten. Ook het onterecht aanmanen tot betaling van achterstallige alimentatie acht klager tuchtrechtelijk laakbaar. Uit de overweging van de voorzitter in dit verband dat het niet aan de tuchtrechter is om vast te stellen of er gelden moeten worden terugbetaald en zo ja aan wie, omdat die vraag aan de gewone rechter moet worden voorgelegd, leidt klager af dat de voorzitter het hem zo moeilijk mogelijk heeft willen maken.

3. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in zijn verzet kan worden ontvangen.

4. De beoordeling van de gronden van het verzet

4.1 De gerechtsdeurwaarder heeft in hoofdzaak verwezen naar zijn eerdere verweer. Volgens hem dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

4.2 Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.3 Dat geval doet zich hier voor. De door klager in verzet aangevoerde gronden werpen naar het oordeel van de Kamer nieuw licht op de beslissing van de voorzitter. De kamer acht het verzet dus gegrond. De Kamer acht de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder voorts onzorgvuldig. De Kamer acht het met name onzorgvuldig dat de gerechtsdeurwaarder dertien maanden lang geld van de [ ] heeft geïnd en dit geld heeft behouden, zonder dat hij zich ervan bewust was wat daarvan de reden was. Hij schrijft immers zelf in zijn brief aan zijn opdrachtgeefster d.d. 11 december 2007 “tot onze verbazing ontvingen wij vanaf de maand juli 2006 telkens betalingen ad Eur 93,61 per maand, overigens zonder dat door ons opnieuw beslag werd gelegd op de inkomsten van de wederpartij”. De gerechtsdeurwaarder had alle bedragen die ten onrechte werden geïnd moeten terugbetalen aan de [ ]. De beslissing van de voorzitter is daarom niet juist.

4.4 Zoals de voorzitter al heeft overwogen met zijn verwijzing van klager naar de gewone rechter, behoort het niet tot de bevoegdheid van de Kamer om te beslissen of er gelden moeten worden terugbetaald.

4.5 De gerechtsdeurwaarder heeft ernstig verwijtbaar gehandeld. Er is daarom reden om de hierna te noemen maatregel op te leggen.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

verklaart het verzet gegrond;

vernietigt de beslissing van de voorzitter;

verklaart de klacht gegrond;

legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. R.G. Kemmers, plaatsvervangend-voorzitter en mr. G.H.I.J. Hage en mr. A.C.J.J.M. Seuren, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2008 in tegenwoordigheid van de secretaris.