Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BL2935

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
200.021.876
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9604, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.021.876

(zaaknummer rechtbank 239504/ HA ZA 07-2096)

arrest van de eerste civiele kamer van 13 oktober 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Audax Publishing B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. E.M.F. van Doorn,

2. [geïntimeerde sub 2],

kantoorhoudende [vestigingsplaats],

niet verschenen,

3. [geïntimeerde sub 3],

kantoorhoudende [vestigingsplaats],

niet verschenen,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. A. Knigge,

geïntimeerden.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 januari 2008 en 3 september 2008 die de rechtbank Utrecht heeft gewezen tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna te noemen: Audax, respectievelijk [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] (geïntimeerde sub 1, respectievelijk sub 2, 3 en 4)) als gedaagden; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft [geïntimeerde sub 4] bij exploot van 11 november 2008 en Audax, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] bij exploot van 2 december 2008 aangezegd van het vonnis van 3 september 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van hen voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en één productie in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

- zal verklaren voor recht dat de publicatie getiteld “Rijkmans Kasteel” d.d. 13 juni 2007 in HP/De Tijd en in het bijzonder de kwalificatie “barbaren” en “het huis wekt agressie op” onrechtmatig is jegens [appellant] en zijn gezin;

- Audax, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zal veroordelen tot het vergoeden van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- [geïntimeerde sub 4] zal veroordelen tot betaling van een voorschot op geleden schade ten bedrage van € 7.500,-;

- [geïntimeerde sub 4], Audax, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij hun memories van antwoord hebben [geïntimeerde sub 4] en Audax de grieven bestreden en verweer gevoerd. [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zijn in hoger beroep niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. [geïntimeerde sub 4] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden, en de vorderingen van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Audax heeft twee producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het bestreden vonnis zal bevestigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Nu er geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit tegen de feitenvaststelling, zoals vervat in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.13. van het bestreden vonnis, zal ook het hof uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het, mede aan de door de rechtbank vastgestelde feiten ontleende, belangrijkste feit in deze procedure betreft een artikel in HP/De Tijd over de in Loenen aan de Vecht gebouwde buitenplaats van [A], getiteld “Rijkmans kasteel”, geschreven door [geïntimeerde sub 3], waarin de volgende passage voorkomt:

Maar als nieuwe buitenplaatsbewoner moet je je ook een beetje weten te gedragen. [geïntimeerde sub 4]: “De mensen die hier komen wonen en hier aarden, weten heel goed hoe met hun omgeving om te gaan. Iedereen wordt hier in zijn waarde gelaten.” (…) Helaas is zulk gedrag nog niet bij iedereen ingeburgerd. (…) [B]: “Helaas is het merendeel waar je als eigenaar van een buitenplaats mee bezig bent, ervoor zorgen dat dingen níet gebeuren.” Maar niet altijd kunnen de barbaren buiten de poort worden gehouden. Eind jaren negentig werd in Loenen een ‘moderne buitenplaats’ gebouwd door een vastgoedondernemer, opgetrokken uit lichte baksteen, met grote ronde ramen en een knalgroen dak. [geïntimeerde sub 4]: “Ik zat toen in de monumentencommissie, en heb geprobeerd er een grijs dak op te krijgen. Want dit is erg opvallend, het detoneert.”

Vervolgens zijn er leuzen op gespoten, waarvan de verf in de stenen is getrokken. Die moest er worden uit gebikt, er moesten nieuwe stenen in, die weer niet helemaal de goede kleur hadden. “Het huis wekt agressie op, en dan zijn er mensen die zich niet kunnen beheersen … Maar je wint er niets mee, want de stenen werden vervangen en het huis staat er nog steeds.” Volgens mensen uit het dorp wordt het dak als oriëntatiepunt gebruikt door vliegtuigen die op Schiphol vliegen.

[appellant] heeft [geïntimeerde sub 4], Audax, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] naar aanleiding van dit artikel voor de rechter gedaagd en gevorderd als hiervoor in rechtsoverweging 2.2. staat omschreven. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.

4.2 De grieven van [appellant] richten zich tegen alle, de afwijzing van zijn vorderingen dragende, overwegingen van de rechtbank. De grieven zullen daarom gezamenlijk besproken worden.

4.3 In de kern komt hetgeen [appellant] ter toelichting op zijn grieven heeft gesteld, neer op het volgende. [appellant] en zijn buitenplaats zijn afgezet tegen [A] om met het positieve beeld, dat van laatstgenoemde geschetst wordt, te contrasteren. De term “barbaar”, die pleegt te worden gebezigd om iemand ernstig te diskwalificeren, is gebruikt om te onderstrepen dat [appellant] een nieuwkomer is die niet weet hoe het hoort, die niet welgemanierd is en die geen smaak heeft. Het artikel in HP/De Tijd bevat een aantal onjuistheden en wetenswaardige positieve feiten zijn weggelaten. Het artikel heeft geen ironische toonzetting, maar een toon van hoon. De hiervoor in rechtsoverweging 4.1 weergegeven passages zijn geschikt om het publiek afkerig te maken van [appellant] en zijn gezin. Audax, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hebben dan ook onrechtmatig gehandeld door de plaatsing van het artikel. [geïntimeerde sub 4] heeft Audax c.s. munitie gegeven voor het artikel. Hij heeft onder meer ten onrechte gezegd dat het huis van [appellant] agressie opwekt. Hij heeft bewust nagelaten om gunstige kritieken op de buitenplaats te noemen.

[appellant] heeft er tot slot op gewezen dat hij geen bekende Nederlander is, hetgeen reden temeer had moeten zijn voor Audax, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] om met de nodige zorgvuldigheid te werk te gaan.

4.4 Bij de beantwoording van de vraag of het artikel in HP/De Tijd, getiteld “Rijkmans kasteel”, of enkele passages ervan onrechtmatig zijn jegens [appellant], moet voorop gesteld worden dat een ieder vrijheid van meningsuiting toekomt. Die uitingsvrijheid geldt ook in geval van opmerkingen die een ander onwelgevallig zijn. Aangezien ervoor gewaakt dient te worden dat bij de uitoefening van het recht van vrije meningsuiting aan een ander schade wordt berokkend, vindt de vrijheid van meningsuiting haar begrenzing in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de eer en goede naam van [appellant]. Gelet hierop dient te worden beoordeeld of voormeld artikel, dan wel enkele passages ervan, gezien de aard van de mededelingen en de te verwachten gevolgen, beledigend of onnodig grievend zijn jegens [appellant].

4.5 Het artikel in HP/De Tijd gaat over de buitenplaats van [A], maar ook over de buitenplaatsen rond Loenen aan de Vecht in het algemeen en de mentaliteit van de bewoners ervan. Dit blijkt uit de verwijzingen naar en de foto’s van andere buitenplaatsen (zoals die van [geïntimeerde sub 4], [...] [B], [C], [D] en [E]) en onder meer de volgende passages:

De moderne smaak van de [A c.s.] doet wel meer wenkbrauwen fronsen. Zo vindt [titel] [[naam]] [B], zelf een buitenplaatsbewoner in het naburige Vreeland, het onderkomen van de bankpresident niet zo geslaagd. “(…)

De meeste buitenplaatsen aan de Vecht hebben een bepaalde symmetrie en detaillering, met mooie ornamenten, daklijsten … Als je dan zegt: dat gaan wij eens helemaal anders doen, ben je de essentie van het Vechtse bouwen kwijt.

Toch duurde het nog tot de laatste vijftien jaar, met de beurshausse van de jaren negentig, dat de Vechtstreek weer het speelterrein van rijke Amsterdammers werd. Hier neerstrijken betekent, net zoals een paar eeuwen terug, dat je het gemaakt hebt.

Het is de gewoonte om nieuwe buitenplaatsbewoners welkom te heten. (…) Zulke bijeenkomsten zijn nuttig, vindt [B]. “Ook omdat je allemaal met dezelfde problemen zit.”

[F] (…) ziet [A] weleens (…) “Kijk, als iemand zich zó uitslooft om er iets moois van te maken, moet je dat koesteren. Kijk maar naar Vinkeveen, daar zit me toch een zooitje schorem… Dit zijn allemaal gegoede families. Daar mogen we trots op zijn.”

4.6 Het artikel is voorts licht ironisch, mild spottend van toon over (de mentaliteit van) de bewoners van de buitenplaatsen aan de Vecht. Daarvan getuigen de volgende passages:

Het zullen niet de makkelijkste tijden zijn voor de ABN Amro-baas. Zijn bank wordt óf overgenomen en geamputeerd, óf opgesplitst, zo lijkt het. (…) Toch een beetje vervelend voor een man die jarenlang van de daken riep dat de bank tot de top vijf van de wereld moest horen. Maar er is één troost: als straks alles voorbij is, krijgt [A] een optie- en aandelenpakket mee van zo’n tien miljoen euro - wat er ook gebeurt.

Tja, een bankier als [A] is zichzelf niet als zijn nieuwe landgoed geen goede investering zou zijn.

Zoals de kwestie dat de gemeente alleen een riolering aanlegt bij panden met een eigen huisnummer. “Maar als je op een perceel verschillende wooneenheden hebt, sluiten ze dus maar één pand aan. De rest mag je zelf uitzoeken. Ik heb twee wooneenheden, en die liggen honderd meter uit elkaar!” Tja, zie dat eens op te lossen. Zo blijkt maar weer: ook het leven op de buitenplaats kent zo zijn ontberingen.

4.7 In het licht van het vorenstaande, en het feit dat in de context van die term slechts is verwezen naar de vorm van [appellant]s buitenplaats en de reacties daarop, niet naar [appellant] persoonlijk en/of zijn gezin, moet de term “barbaren” worden bezien. Gelet hierop moet dat woord naar het oordeel van het hof aldus worden begrepen dat daarmee op een mild spottende toon een waardeoordeel tot uitdrukking is gebracht, namelijk dat de buitenplaats van [appellant] een voorbeeld is van een buitenplaats, waarvan bewoners van andere buitenplaatsen aan de Vecht vinden dat die niet past in de omgeving en niet getuigt van goede smaak. Die opvatting mogen zij hebben en mag geventileerd worden. Een aantasting van de eer en goede naam valt daarin niet te lezen. De niet bij naam genoemde bewoner van de afwijkende buitenplaats wordt in het stuk ook niet als onbeschaafd neergezet, enkel als afwijkend van de overige buitenplaatsbewoners wat hun buitenplaats betreft. Aldus beschouwd is de gewraakte passage niet als beledigend, onnodig grievend of anderszins onrechtmatig aan te merken.

4.8 Uit de overgelegde kranten- en tijdschriftartikelen blijkt dat [appellant]s buitenplaats al tijdens de bouw en ook daarna commotie heeft veroorzaakt. Zo wordt bijvoorbeeld in een artikel in Quote van oktober 2007 [G] met betrekking tot die buitenplaats als volgt geciteerd:

In Loenen wordt al jaren gesproken over “het crematorium”, vanwege die rare schoorsteen en de kleur.

[appellant] heeft ook niet betwist dat (de bouw van) zijn buitenplaats voor de nodige onrust heeft gezorgd. Voorts staat vast dat het pand ten minste één keer is beklad met leuzen als “wansmaak”, “schande” en “kuthuis”. Met name in dat laatste kan feitelijke steun worden gevonden voor de uitspraak van [geïntimeerde sub 4] dat de buitenplaats agressie opwekt. [appellant] heeft wel gesteld dat de bekladding met iets anders te maken had dan het huis, maar heeft die stelling noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep onderbouwd, zodat daaraan verder voorbijgegaan zal worden. Dat na 2001 geen werkelijke agressie tegen de buitenplaats van [appellant] meer is gepleegd, doet aan het vorenstaande niet af, temeer daar uit de artikelen in HP/De Tijd en Quote en de daarin opgetekende commentaren kan blijken dat [appellant]s buitenplaats nog steeds negatieve reacties uitlokt. [geïntimeerde sub 4] heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld door de in het artikel geciteerde uitspraak te doen.

4.9 Dat bepaalde gunstige kritieken met betrekking tot de buitenplaats niet zijn vermeld in het stuk en wellicht ten onrechte de suggestie is gewekt dat [geïntimeerde sub 4] in zijn hoedanigheid van lid van de monumentencommissie heeft getracht een grijs dak te laten plaatsen, maakt de door [appellant] gewraakte passages niet alsnog onrechtmatig. De mededeling dat er stenen moesten worden vervangen vindt feitelijke steun in het krantenbericht uit het Utrechts Nieuwsblad van 23 augustus 2001 (waarin door de uitvoerder op de bouw wordt verklaard dat er nieuwe stenen uit Frankrijk moeten komen omdat de tectyl niet overal verwijderd kon worden). Dat de uitspraak van [geïntimeerde sub 4] mensen zou kunnen aanzetten tot agressie tegen de buitenplaats is zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, niet aannemelijk.

4.10 Het hof kan, nu niet is geoordeeld dat onrechtmatig is gehandeld, in het midden laten of er sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van [appellant], zoals door Audax gesteld.

4.11 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat Audax, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub3] en [geïntimeerde sub 4] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant]. De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep van [geïntimeerde sub 4] en Audax worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 3 september 2008;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde sub 4] begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 406,- voor griffierecht en aan de zijde van Audax begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en € 406,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. V. van den Brink, S.B. Boorsma en K.J. Haarhuis en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009.