Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BL2309

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
200.030.520/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof kan zich verenigen met de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Het betoog van klager in hoger beroep dat hij ook een persoonlijk belang heeft bij de aan de orde zijnde klacht heeft hij niet voldoende toegelicht, zodat het niet noopt tot een ander oordeel. het hof verwerpt het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 27 oktober 2009 in de zaak met zaaknummer 200.030.520/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

1. [klager 1],

2. [klager 2],

gerechtsdeurwaarders te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Door appellant, verder te noemen klager, is bij een op 8 april 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 10 maart 2009, waarbij klager niet-ontvankelijk is verklaard in zijn klacht tegen geïntimeerden, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders.

1.2 Op 12 mei 2009 is van de zijde van de gerechtsdeurwaarders een verweerschrift ingekomen.

1.3 Klager heeft meegedeeld niet aanwezig te kunnen zijn op de op 16 september 2009 geplande mondelinge behandeling. De gerechtsdeurwaarders hebben ingestemd met een schriftelijke afdoening van de zaak.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. De standpunten van partijen

Voor de weergave van de wederzijdse standpunten verwijst het hof naar de bestreden beslissing.

In hoger beroep heeft klager nog aangevoerd dat met het indienen van de klacht niet alleen het algemeen belang, maar ook zijn persoonlijke belang is gediend.

5. De beoordeling

5.1 Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Het betoog van klager in hoger beroep dat hij ook een persoonlijk belang heeft bij de aan de orde zijnde klacht heeft hij niet voldoende toegelicht, zodat het niet noopt tot een ander oordeel.

5.2 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

5.3 Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, S. Clement en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2009 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 10 maart 2008 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 385.2008 ingesteld door:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

klager,

tegen:

1. [ ] en 2. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

hierna respectievelijk beklaagde sub1 en beklaagde sub 2.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 26 augustus 2008 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden.

Bij aangehechte brieven met bijlagen ingekomen op 2 en 3 oktober 2008 hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd.

1. De feiten

a) Beklaagden zijn verbonden aan ‘Gerechtsdeurwaarders incassokantoor [ ]’ ([ ]). [ ] (KBvG).

b) Na uitspraken van het gerechthof ’s-Hertogenbosch en het Gerechtshof te Amsterdam heeft deze Kamer in een uitspraak van 4 juli 2006 bepaald dat het doen van bevel voor nakosten zonder titel tuchtrechtelijk laakbaar is.

c) Klager is er op enig moment bekend mee geraakt dat [ ] op 5 januari 2004 een rekening heeft gezonden aan de [ ] ([ ]) met daarin een bedrag van € 450,00 aan nakosten en dat [ ] in de periode van 30 mei 2006 tot en met augustus 2006 in verschillende zaken nog nakosten in rekening gebracht, waaronder in een exploot van 24 augustus 2006 ([ ] versus Stichting [ ]) een bedrag van € 75,00 aan nasalaris (nakosten).

d) Klager heeft na een oproep op een ledenvergadering op 20 mei 2006, tot het melden van misstanden, bij brief van 19 juli 2006 de door [ ] berekende nakosten bij de KBvG onder de aandacht gebracht.

e) De KBvG heeft haar leden op 8 januari 2007 bericht dat zij met ingang van die datum een klacht zal indienen tegen elk lid dat in het exploot van betekening bevel doet voor nasalaris (nakosten).

f) Op 31 augustus 2007 heeft klager bij de KBvG gerappelleerd over zijn klacht omtrent de door [ ] berekende nakosten.

g) Bij brief van 21 december 2007 heeft de KBvG onder meer aan klager meegedeeld dat het in rekening brengen van € 450,00 aan [ ] op een misverstand berustte, dat door [ ] vanaf 8 januari 2007 geen nakosten meer in rekening zijn gebracht en dat de KBvG geen aanleiding ziet nadere acties tegen beklaagden te ondernemen.

2. De klacht

Klager verwijt beklaagden – samengevat - dat zij te hoge nakosten dan wel ten onrechte nakosten in rekening hebben gebracht. Klager meent dat, ook al heeft [ ] het bedrag van € 450,00 terug betaald, het berekenen van een zo hoog bedrag aan nakosten op zich klachtwaardig is.

3. Het verweer

Beklaagden stellen – samengevat – dat de € 450,00 is terugbetaald zodra aan beklaagde sub 2 bekend werd dat klager dit als misstand had aangemeld bij de KBvG. Ten aanzien van de klacht met betrekking tot [ ] erkennen beklaagden dat dit een misser was. Zij voeren aan dat dit tijdens de verzetprocedure is hersteld. Beklaagde sub 1 wijst er nog op dat klager afschriften van stukken met vertrouwelijke gegevens maakt en vanaf 2006 onder zich houdt.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet (GDW) is de gerechtsdeurwaarder aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

4.2. Noch in artikel 34 van de GDW, noch elders in de GDW is bepaald wie als klager kan optreden. Uit de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer 1991-1992, wetsvoorstel 22.775, nr. 3 [Memorie van Toelichting]) blijkt wie volgens de wetgever als klager kan optreden. : De tuchtrechtspraak is erop gericht, in het algemeen belang een optimaal functioneren van het ambt van gerechtsdeurwaarder binnen het rechtsbestel te verzekeren door in individuele gevallen tegen inbreuk op de ambtsplichten en de ambtsethiek op te treden (…)

Voorts wordt in de Memorie van Toelichting aangegeven dat het moet gaan om : Een particulier die zich door de behandeling van een gerechtsdeurwaarder in zijn belangen voelt aangetast.

Uit vorenstaande volgt dat een klager voldoende eigen belang moet hebben om als belanghebbende te worden aangemerkt en als klager te kunnen worden ontvangen in de tuchtprocedure.

4.3. Klager heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat het in de zaken waarover hij klaagt niet om cliënten van hem ging. Klager is naar aanleiding van een aan hem gestelde vraag of nakosten mochten worden gerekend, bekend geraakt met de zaken. Klager heeft verklaard de klacht te hebben ingediend in het algemeen belang.

4.4. De Kamer is, gelet op wat hiervoor onder 4.2. is overwogen, van oordeel dat het door klager gestelde algemeen belang onvoldoende is om hem te ontvangen in zijn klacht. Het algemeen belang - hoe zeer te respecteren ook - kan behoudens bijzondere omstandigheden niet als een voldoende eigen belang worden aangemerkt. Niet gebleken is van die bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de hoofdregel dat een klager voldoende eigen belangen dient te hebben Dit betekent dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.5. Gelet op vorenstaande behoeft hetgeen klager inhoudelijk heeft aangevoerd geen nadere bespreking.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. M.M. Beins, plaatsvervangend voorzitter, en mrs. H.M. Patijn en M.J.-M.L. Baudoin (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2009 in tegenwoordigheid van H.A.J. van der Lee, secretaris.