Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1098

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
104.004.450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Particuliere Arbeidsongeschiktheidverzekering; strekking uitsluitingsclausule; misbruik van omstandigheden? Geen 6:248 lid 2 BW verband uitval en uitsluiting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.450

(zaaknummer rechtbank: 218931)

arrest van de tweede civiele kamer van 4 augustus 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

voorheen genaamd: Fortis ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Knigge.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 november 2006 en 1 augustus 2007 die de rechtbank Utrecht tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: ASR) als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 1 augustus 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 26 oktober 2007 ASR aangezegd van het vonnis van 1 augustus 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van ASR voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Hij heeft bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft bij deze memorie, onder wijziging en aanvulling van zijn eis, gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest,

1. de tussen partijen gesloten overeenkomst (partieel) zal vernietigen in die zin dat de tussen partijen gesloten uitsluitingsclausule wordt vernietigd, met instandhouding van de rest van de tussen partijen gesloten arbeidsongeschikheidsverzekering, althans de tussen partijen gesloten overeenkomst (partieel) zal vernietigen op een wijze in goede justitie te bepalen;

2. ter opheffing van de nadelen van voormelde uitsluitingsclausule voor [appellant] de rechtsgevolgen van deze bepaling met toepassing van artikel 3:54 lid 2 BW zal wijzigen in die zin dat deze bepaling buiten toepassing wordt gelaten;

3. de in voormelde overeenkomst opgenomen uitsluitingsclausule op grond van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing zal laten;

4. zal verklaren voor recht dat aan [appellant] met ingang van 15 mei 2001 een uitkering toekomt uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering die tussen partijen is gesloten op 7 november 1998;

5. ASR zal veroordelen tot betaling van de achterstallige uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 15 mei 2001, althans een datum in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 15 mei 2001, althans een datum in goede justitie te bepalen, althans de datum der dagvaarding tot de datum der algehele voldoening;

6. ASR zal veroordelen tot betaling van de kosten die [appellant] heeft moeten maken in het kader van de verzoekschriftprocedure bekend onder het rolnummer 193012 / HA RK 05-111, in totaal € 3.444,56, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum der dagvaarding tot de datum der algehele voldoening;

7. ASR zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.450,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening;

8. ASR zal veroordelen tot betaling van alle overige schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van ASR in de kosten van het geding, daaronder begrepen een bedrag voor de noodzakelijke verschotten.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft ASR de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van [appellant] tegen het bestreden vonnis zal verwerpen, het bestreden vonnis zal bekrachtigen en alle vorderingen van [appellant] in het hoger beroep zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

2.4 Partijen hebben de zaak schriftelijk doen bepleiten door op 12 mei 2009 pleitnotities in het geding te brengen.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend dan wel niet of onvoldoende is weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bescheiden, staan vast de feiten zoals vermeld in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5. Weliswaar heeft [appellant] met zijn eerste grief de juistheid van de feitenweergave onder 2.2 bestreden, maar zoals hierna onder 4.7 - 4.8 zal blijken, wordt die grief tevergeefs voorgedragen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] heeft bij (de rechtsvoorganger van) ASR een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten met als ingangsdatum 4 november 1998. Bij de totstandkoming van de verzekering is [appellant] bijgestaan door een onafhankelijk assurantietussenpersoon, de heer [A]. De verzekering is per 21 januari 2005 geroyeerd.

4.2 Bij het sluiten van de verzekering was bekend dat [appellant] reeds jaren leed aan een ganglioglioom (een zeldzame, doorgaans goedaardige tumor), gelegen in het cervicale ruggenmerg (ter hoogte van halswervel C2) en het verlengde ruggenmerg (de medulla oblongata). Het ruggenmerg bevindt zich in een kanaal in de wervelkolom, het ruggenmergkanaal. In het verlengde van het ruggenmerg ligt de hersenstam. Het onderste deel van de hersenstam/de hersenen heet het verlengde merg (de medulla oblongata). Het verbindt de hersenstam met het ruggenmerg.

4.3 Vanwege dit ganglioglioom is [appellant] in eerste instantie als verzekerde geweigerd. Daarop heeft [A] namens [appellant] bij ASR erop aangedrongen toch een - op de persoon afgestemd - aanbod te doen. Na uitvoerig overleg tussen [A] en ASR is alsnog een verzekering totstandgekomen, zij het met een aantal bijzondere voorwaarden waaronder een verhoogde premie, een vervroegde eindleeftijd van 55 jaar en de volgende uitsluitingsclausule:

“Tussen partijen is nader overeengekomen, dat generlei uitkering zal geschieden voor arbeidsongeschiktheid, welke is ontstaan, bevorderd of verergerd door aandoeningen van de gehele wervelkolom met bijbehorende banden en spieren, zoals ischias, brachialgie en lumbago voorzover geen direct gevolg van na het sluiten van de verzekering ontstane wervelfracturen.

Tussen partijen is nader overeengekomen, dat voor arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan, bevorderd of verergerd door aandoeningen van een en/of beide schouders alsmede complicaties en/of gevolgen hiervan generlei uitkering zal geschieden.”

4.4 Op 15 mei 2001 is [appellant] in verband met ernstige ademhalingsproblemen in het ziekenhuis opgenomen, waarna diverse complicaties zijn opgetreden. [appellant] is daarop arbeidsongeschikt geworden en heeft uitkering ingevolge de verzekering geclaimd. ASR heeft op grond van de uitsluitingsclausule uitkering geweigerd.

4.5 Daarop heeft op verzoek van [appellant] een voorlopig deskundigenonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is uitgevoerd door dr. H.J.J.A. Bernsen, neuroloog in het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen. Dr. Bernsen vermeldt in zijn rapport van 9 november 2005 als diagnose dat bij [appellant] sprake is van een ganglioglioom in het gebied reikend van halswervel C2 tot ver in de hersenstam. De sinds 2001 bij [appellant] opgetreden stoornissen zijn volgens dr. Bernsen terug te voeren op het deels in de hersenstam gelegen ganglioglioom. Zo laten de sedert 2001 bestaande ademhalingsregulatiestoornissen zich volgens dr. Bernsen uitsluitend verklaren door een disregulatie op grond van een progressie van het ganglioglioom in de hersenstam, waardoor een verdere beschadiging van de daar aanwezige ademhalingscentra is ontstaan. Ook de toegenomen uitval van de linkerarm en het linkerbeen en de oogbewegingsstoornissen zijn volgens hem het gevolg van het ganglioglioom. Hij meldt dat de bij [appellant] sinds 2001 aanwezige ademhalingsstoornissen en de daardoor veroorzaakte arbeidsongeschiktheid niet te wijten zijn aan afwijkingen in het ruggenmerg of afwijkingen anderszins in de wervelkolom, maar worden bepaald door afwijkingen in het gebied van de hersenstam, met name in de medulla oblongata. De toegenomen uitval van de linkerarm en het linkerbeen kunnen volgens dr. Bernsen zowel samenhangen met de progressie van het ganglioglioom in het gebied van het cervicale ruggenmerg als met een toename van deze tumor in de medulla oblongata, maar op grond van het beeldmateriaal en de klinische verschijnselen valt dat volgens hem niet met zekerheid vast te stellen.

4.6 Het deskundigenrapport van dr. Bernsen heeft ASR niet van standpunt doen veranderen. Daarop heeft [appellant] voor de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat hem vanaf 15 mei 2001 een uitkering op grond van de verzekering toekomt. Voorts heeft hij gevorderd de veroordeling van ASR tot betaling van de achterstallige uitkering met ingang van 15 mei 2001, met nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen richten zich de grieven van [appellant].

4.7 De eerste grief van [appellant] richt zich tegen de feitenvaststelling onder 2.2 van het bestreden vonnis. De rechtbank stelt onder 2.2 vast dat partijen de bewuste uitsluitingsclausule zijn overeengekomen omdat [appellant] reeds jaren bekend was met een ganglioglioom in het ruggenmerg en het verlengde ruggenmerg. Volgens [appellant] suggereert de rechtbank hiermee ten onrechte dat het ruggenmerg onderdeel uitmaakt van de wervelkolom. De wervelkolom met bijbehorende banden en spieren vormt een geheel ander deel van het menselijk lichaam dan de hersenstam en/of het (verlengde) ruggenmerg, aldus [appellant].

4.8 Deze grief faalt. De rechtbank geeft onder 2.2 slechts weer wat de aanleiding voor het opnemen van de uitsluitingsclausule is geweest. Zij laat zich daar niet uit over de vraag of het ruggenmerg (dan wel het verlengde ruggenmerg/de hersenstam) onderdeel van de wervelkolom vormt. Voorzover [appellant] met deze grief tevens wil bestrijden dat bij hem al jaren sprake was van een ganglioglioom in het ruggenmerg en het verlengde ruggenmerg is die stellingname onbegrijpelijk. Blijkens [appellant]s eigen stellingen in de inleidende dagvaarding (op p. 2) is hij reeds jaren bekend met een tumor in het ruggenmerg en het verlengde ruggenmerg. De overgelegde medische rapporten, waaronder het rapport van dr. Bernsen, bevestigen dit.

4.9 Met grief 3 (grief 2 komt hierna aan de orde) komt [appellant] op tegen de uitleg die de rechtbank aan de uitsluitingsclausule heeft gegeven. Volgens de rechtbank zijn partijen met die clausule overeengekomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van het (bestaande) ganglioglioom van dekking uit te sluiten. Naar het hof begrijpt dient volgens [appellant] bij de uitleg van de uitsluitingsclausule de letterlijke tekst van die clausule uitgangspunt te zijn. Bij een zuiver taalkundige uitleg ziet deze clausule volgens [appellant] uitsluitend op aandoeningen aan het benige gedeelte van de wervelkolom met bijbehorende banden en spieren, maar niet op aandoeningen aan het ruggenmerg en het verlengde ruggenmerg/de hersenstam. Volgens [appellant] behoren naar gangbaar spraakgebruik het ruggenmerg noch het verlengde ruggenmerg/de hersenstam tot de wervelkolom. Voorts bestrijdt hij het oordeel van de rechtbank dat het hem bij het aangaan van de verzekering duidelijk is geweest dat partijen bedoelden arbeidsongeschiktheid als gevolg van het (destijds reeds bestaande) ganglioglioom van dekking uit te sluiten. Het was voor hem toen niet helder dat ASR beoogde álle mogelijke gevolgen van dit ganglioglioom uit te sluiten en ASR had ook niet mogen verwachten dat hem dit wel duidelijk was, aldus [appellant].

4.10 De uitsluitingsclausule spreekt over “arbeidsongeschiktheid, welke is ontstaan, bevorderd of verergerd door aandoeningen van de gehele wervelkolom met bijbehorende banden en spieren (…).” Naar taalkundige betekenis vallen daaronder wel degelijk aandoeningen aan het ruggenmerg, aangezien het ruggenmerg zich in de holte van de wervelkolom bevindt en daarvan deel uitmaakt. Dat de clausule uitsluitend op het benige gedeelte van de wervelkolom zou zien, zoals [appellant] verdedigt, valt hierin niet te lezen. Aandoeningen aan het verlengde ruggenmerg/de hersenstam vallen taalkundig uitgelegd daarentegen niet onder de clausule. Dit valt onder meer af te leiden uit het antwoord van dr. Bernsen op vraag 4, waar hij schrijft: “De (…) ademhalingsstoornissen (…) zijn niet te wijten aan afwijkingen in het ruggenmerg of afwijkingen anderszins in de wervelkolom maar worden bepaald door afwijkingen in het gebied van de hersenstam, met name in de medulla oblongata [hof: het verlengde ruggenmerg].” De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan echter niet uitsluitend worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen. Het komt mede aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.11 Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het voor beide partijen duidelijk moet zijn geweest dat zij bij aangaan van de overeenkomst hebben bedoeld arbeidsongeschiktheid als gevolg van het (bestaande) ganglioglioom van dekking uit te sluiten. Naar vaststaat vormde dit ganglioglioom voor ASR eerst nog reden om [appellant] als verzekerde te weigeren en is [appellant] pas na eigen aandringen alsnog geaccepteerd, zij het met de bewuste uitsluitingsclausule. Voorts heeft [appellant] ter comparitie in eerste aanleg uitdrukkelijk verklaard dat hij bij het aangaan van de verzekering wist dat dit ganglioglioom voor ASR de reden vormde om de uitsluitingsclausule op te nemen omdat hij toen nergens anders last van had. Gelet hierop heeft [appellant] ook moeten begrijpen dat ASR met die clausule beoogde alle gezondheidsklachten, ontstaan, bevorderd of verergerd door het bestaande ganglioglioom van dekking uit te sluiten. [appellant]s betoog dat een clausule die alle mogelijke gevolgen van het bewuste ganglioglioom uitsluit vrijwel elk beroep op de verzekering uitsluit en dat ASR daarom instemming van [appellant] met zo’n clausule in redelijkheid niet kon verwachten, faalt. Arbeidsongeschiktheid kan namelijk ook tal van andere oorzaken hebben dan een ganglioglioom in het cervicale en het verlengde ruggenmerg. In het licht van de gezamenlijke partijbedoeling heeft de rechtbank de clausule derhalve terecht zo uitgelegd dat daarmee in ieder geval arbeidsongeschiktheid, ontstaan, bevorderd of verergerd als gevolg van het bestaande ganglioglioom van dekking is uitgesloten. Met betrekking tot het ganglioglioom is de clausule in redelijkheid niet voor meer dan één uitleg vatbaar en is er - anders dan [appellant] lijkt te bepleiten - geen plaats voor een uitleg te zijnen gunste. De derde grief wordt dan ook verworpen.

4.12 [appellant] betoogt met zijn tweede grief dat de uitsluitingsclausule onder misbruik van omstandigheden is totstandgekomen. Op die grond vordert hij in hoger beroep alsnog (partiële) vernietiging van de verzekering, althans wijziging van de verzekering op de voet van artikel 3:54 lid 2 BW door het buiten toepassing laten van de uitsluitingsclausule. [appellant] voert aan dat hij bij zijn aantreden als directeur/grootaandeelhouder genoodzaakt was een arbeidsongeschiktheidsverzekering te sluiten en dat hij zich gezien zijn aandoening waarschijnlijk nergens anders had kunnen verzekeren, zodat hij de uitsluitingsclausule wel moest accepteren. Hij zou destijds de gevolgen van de clausule niet hebben kunnen overzien en in feite zou hij jarenlang een onevenredig hoge premie hebben betaald voor een niet, althans in zéér beperkte mate aanwezige restcategorie van oorzaken voor arbeidsongeschiktheid.

4.13 Ook dit betoog faalt. Vast staat dat ASR [appellant] vanwege het ganglioglioom eerst nog als verzekerde heeft geweigerd. Pas na aandringen van de zijde van [appellant] was ASR bereid een verzekering aan te bieden, zij het met de bewuste uitsluitingsclausule en voor een bepaalde premie. [appellant] was vrij dit aanbod te accepteren dan wel dit te weigeren en op zoek te gaan naar een gunstiger verzekering of - mocht die niet voorhanden blijken - van een verzekering af te zien, al dan niet met een (beperkte) voorziening in eigen beheer. Van een dwangpositie, zoals [appellant] stelt, is derhalve geen sprake geweest. Voorts kan niet worden gezegd dat vanwege de clausule toekomstige arbeidsongeschiktheid niet, althans slechts in zeer beperkte mate werd gedekt. Zoals onder 4.11 reeds overwogen kan arbeidsongeschiktheid immers ook tal van andere oorzaken hebben dan een ganglioglioom in het cervicale en het verlengde ruggenmerg. Van misbruik van omstandigheden is derhalve onvoldoende gebleken.

4.14 Met dezelfde (tweede) grief bepleit [appellant] voorts dat de uitsluitingsclausule op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing dient te blijven. Ook dit betoog wordt verworpen. Met deze, door [appellant] uitdrukkelijk geaccepteerde clausule heeft ASR de grenzen omschreven waarbinnen zij bereid was arbeidsongeschiktheid te dekken, hetgeen haar vrij stond.

4.15 De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de op 15 mei 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid het gevolg is van het reeds bij aanvang van de verzekering bestaande ganglioglioom. Volgens [appellant] zou uit het rapport van dr. Bernsen blijken dat de klachten vanaf 15 mei 2001 een andere oorzaak hebben dan de klachten voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst. De klachten vanaf 15 mei 2001 zouden zijn veroorzaakt door afwijkingen in het gebied van de hersenstam, terwijl de klachten van vóór de verzekering te herleiden zouden zijn geweest tot het ganglioglioom in het ruggenmerg. Dr. Bernsen zou niet hebben willen aangeven dat er sprake is van één aaneengesloten tumor. Dat tumoren zich na het afsluiten van de verzekering hebben kunnen uitstrekken van het ruggenmerg tot in de hersenstam is een ander gegeven dan dat het om dezelfde tumor (en ziekte) gaat, aldus [appellant]. Een tumor in het ruggenmerg kan volgens hem bezwaarlijk als dezelfde ziekte worden gekwalificeerd als een tumor in de hersenstam. Voorts verwijst [appellant] naar bevindingen van de KNO-arts, van de cardioloog en van neurochirurg Blaauw. De KNO-arts zou hebben aangegeven dat de slikproblematiek en de verlamming van de luchtpijp niet zijn te herleiden tot het ganglioglioom. Ook de cardioloog zou geen enkel verband hiermee hebben vastgesteld. Dr. Blaauw zou eerder aan een aanlegstoornis hebben gedacht dan aan een verslechterde tumor. [appellant] sluit niet uit dat de op 15 mei 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid is te wijten aan een samenspel van verschillende medische aandoeningen.

4.16 [appellant] heeft in dit kader naar medische rapportage verwezen en daarbij aangegeven die rapportage als productie 6 in het geding te brengen (pleitnotities mr. Dabekaussen, p. 9). Het hof heeft echter geen productie 6 bij de stukken aangetroffen. Voorts maakt [appellant] in de memorie van grieven (op p. 8) melding van medische verklaringen die als productie 5 en 6 zouden zijn overgelegd. Ook hier is niet duidelijk welke producties het betreft. Het hof kan zich pas een oordeel over de vierde grief vormen zodra het over alle producties beschikt. [appellant] dient volledigheidshalve alle producties waarnaar hij in zijn processtukken in hoger beroep verwijst in het geding te brengen, alvorens het hof ter zake zal beslissen.

4.17 In afwachting van de onder 4.16 bedoelde stukken zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. Slotsom

De grieven 1 tot en met 3 falen. Alvorens het hof over de vierde grief zal oordelen, dient [appellant] alle producties waarnaar hij in zijn processtukken in hoger beroep verwijst in het geding te brengen. Voor zover aan ASR onbekend mag zij daarop nog reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat [appellant] op de roldatum 1 september 2009 bij akte alle producties waarnaar hij in zijn processtukken in hoger beroep verwijst in het geding dient te brengen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, P.M.M. Mostermans en J.G.J. Rinkes, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2009.