Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1062

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
200.021.248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht art. 7:653 BW schending non-concurrentiebeding; gerechtvaardigd vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.021.248

(zaaknummer rechtbank 596184-UV-08-360)

arrest van de vijfde civiele kamer van 21 juli 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.F.P.M. Vermeer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCS Energy & ICT B.V.,

gevestigd te Maarssen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C. Brederije.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

17 november 2008 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) in kort geding tussen principaal appellant (hierna ook te noemen: [appellant] ) als eiser in conventie, verweerder in reconventie en principaal geïntimeerde (hierna ook te noemen: VCS) als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 11 december 2008 VCS aangezegd van het vonnis 17 november 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van VCS voor dit hof.

2.2 In het exploot van dagvaarding heeft [appellant] zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof

primair

het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het in de schriftelijke arbeidsovereenkomst van [appellant] opgenomen concurrentie- en/of relatiebeding en de daaraan gekoppelde boetebeding(en) met terugwerkende kracht met ingang van 16 augustus 2007 zal schorsen c.q. zal bepalen dat VCS zich niet op het concurrentie- en/of relatiebeding mag beroepen zolang [appellant] werkzaam is bij Energy Art B.V. en zonder dat [appellant] enigerlei boete verschuldigd zal zijn totdat hierover onherroepelijk in hoofdzaak is beslist, althans de vorderingen van VCS in reconventie zal afwijzen;

subsidiair

het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het concurrentiebeding en/of het relatiebeding en/of de daaraan gekoppelde boetebeding(en) zal matigen, althans

meer subsidiair

het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende VCS zal veroordelen een vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 te betalen van € 2.300,-- bruto exclusief 8% vakantietoeslag per maand voor elke maand dat eiser niet in dienst kan treden van c.q. in dienst kan blijven van Energy Art B.V.

met veroordeling van VCS in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft VCS de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het hoger beroep.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft VCS incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, heeft zij daartegen een grief aangevoerd en toegelicht en heeft zij bewijs aangeboden. VCS heeft haar eis vermeerderd en heeft gevorderd dat het hof:

i. [appellant] zal gebieden binnen 24 uur na in het in deze te wijzen arrest per direct uit dienst te treden van Energy Art B.V. en daar ook uit dienst te blijven, alsmede het met VCS overeengekomen concurrentiebeding ook overigens te respecteren, dit alles voor de resterende duur van het met VCS overeengekomen concurrentiebeding, dus tot 1 juli 2009, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- (dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen ander bedrag) voor iedere dag dat [appellant] niet aan dit (bedoeld zal zijn:) arrest voldoet;

ii. [appellant] zal veroordelen tot betaling, binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest van een bedrag ad € 1.785,-- terzake van buitengerechtelijke incassokosten;

iii. [appellant] zal veroordelen tot betaling, binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest van een bedrag van € 238,84 terzake van de gemaakte deurwaarderskosten;

iv. [appellant] zal veroordelen tot betaling van € 10.000,- als voorschot op een contractuele boete ter zake van de overtreding van het geheimhoudingsbeding;

met veroordeling van [appellant] in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het hoger beroep.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof de grief van VCS zal verwerpen en VCS ten aanzien van haar vorderingen met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten, de nakosten en het te betalen voorschot van € 10.000,- niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel deze vordering zal afwijzen dan wel zal verminderen tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van VCS in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het incidenteel hoger beroep.

2.6 Ter zitting van 27 maart 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.A. Kale, advocaat te Nunspeet, en VCS door mr. Brederije voornoemd, advocaat te Rijswijk; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.7 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

3.1 De kantonrechter heeft in het vonnis van 17 november 2008 onder 1 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

3.2 De kantonrechter heeft voorts in het bestreden vonnis overwogen dat tussen partijen vaststaat dat een geldig relatie- en non-concurentiebeding is overeengekomen en dat evenmin in geschil is dat VCS en Energy Art B.V. met elkaar concurrerende ondernemingen zijn, noch dat Rendo een klant van VCS is. Nu tegen deze overwegingen geen grief is gericht, staan ook deze feiten in hoger beroep vast.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het spoedeisend belang in deze procedure in hoger beroep, vloeit voort uit de aard van de gevorderde voorlopige voorzieningen.

4.2 Het gaat in deze procedure -zakelijk weergegeven- om het volgende. In januari 2008 hebben Delta Investments B.V. en Energy Art B.V. hun aandelen in VCS verkocht aan Luna Investment Groep B.V., waardoor Luna Investment Groep B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van VCS is geworden.

4.3 VCS is een onderneming die zich bezig houdt met het bemiddelen van personeel, waaronder het te werk stellen van medewerkers als consultant voor het uitvoeren van opdrachten bij bedrijven in de energiemarkt.

4.4 [appellant] was sedert 1 december 2006 op grond van een stageovereenkomst voor VCS werkzaam. Dat zelfde geldt voor zijn broer [broer van appellant] die in een parallelle procedure met VCS betrokken is. Met ingang van 16 augustus 2007 was tussen [appellant] en VCS sprake van een dienstverband voor zes maanden, welke dienst verband met ingang van 16 februari 2008 met zes maanden werd verlengd. [appellant] was in dienst van VCS werkzaam op een project van een klant genaamd Rendo N.V. Bij brief van 29 mei 2008 (voorafgegaan door een e-mailbericht van 28 mei 2008) heeft [appellant] dit dienstverband met ingang van 1 juli 2008 opgezegd om in dienst te treden van Energy Art B.V., een met VCS concurrerende onderneming. VCS heeft in reactie hierop aan [appellant] niet kenbaar gemaakt zich te verzetten tegen diens indiensttreding bij Energy Art B.V., maar wel bij e-mailbericht van 29 mei 2008 meegedeeld dat [appellant] de opdracht voor Rendo N.V. niet vanuit naam van Energy Art mocht vervolgen.

4.5 Bij brief van 3 september 2008 heeft de advocaat van VCS aan [appellant] meegedeeld dat het hem ingevolge het relatie- en non-concurrentiebeding niet vrijstond om voor Energy Art B.V. werkzaam te zijn. Aan [appellant] is meegedeeld dat in kort geding zal worden gevorderd dat het hem verboden wordt om in dienst te blijven bij Energy Art B.V. en om werkzaamheden te verrichten bij Rendo en/of andere relaties van VCS. In dezelfde brief wordt aan [appellant] een voorstel gedaan om de kwestie in der minne te regelen. [appellant] heeft dit voorstel niet aanvaard. [appellant] heeft in kort geding, ingeleid bij dagvaarding van 17 oktober 2008, voor zover van belang, gevorderd dat het non-concurrentiebeding zal worden geschorst, dan wel zal worden gematigd, dan wel dat VCS zal worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van € 2.300,-- bruto exclusief 8% vakantietoeslag per maand voor elke maand dat [appellant] niet in dienst kan treden c.q. kan blijven van (bedoeld zal zijn:) Energy Art B.V.

4.6 In reconventie heeft VCS -kort samengevat- gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot i) betaling van een bedrag van € 25.000,- als voorschot op de reeds door [appellant] verbeurde boete ter zake van overtreding va het non-concurrentie- en relatiebeding ii) het uit dienst treden bij Energy Art B.V. en iii) het staken van alle contacten via Energy Art B.V. dan wel rechtstreeks met Rendo N.V. en/of aan Rendo N.V. gelieerde ondernemingen.

4.7 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de door [appellant] gevorderde voorziening afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld tot betaling aan VCS van een voorschot op van € 25.000,- ter zake van overtreding van het non-concurrentie- en relatiebeding. Ook is [appellant] bij genoemd vonnis veroordeeld om –zakelijk weergegeven- op straffe van een dwangsom alle contacten met Rendo N.V. te staken en het met VCS overeengekomen relatiebeding te respecteren. De vordering om uit dienst van Energy Art B.V. te treden, is door de kantonrechter afgewezen.

in het principaal hoger beroep

4.8 Met de grieven legt [appellant] het geschil in het principaal hoger beroep in volle omvang aan het hof voor. In eerste aanleg –en dat is ook in hoger beroep het geval- heeft

[appellant] zijn vordering gebaseerd op de stelling dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet aan het non-concurrentie- en relatiebeding zou worden gehouden, dan wel dat VCS van haar rechten op handhaving van deze bedingen heeft afgezien. [appellant] onderbouwt dit met een beroep op de notarieel vastgelegde, en naar hij stelt aan het personeel van VCS bekend gemaakte, afspraken die tussen onder meer VCS en Energy Art B.V. zijn gemaakt bij het verwerven van de aandelen van VCS door Luna Investment Groep B.V. De afspraken waarop [appellant] zich beroept, luiden, voor zover van belang, als volgt.

7 NON-CONCURRENTIE/RELATIEBEDING

7.1 Tussen Partijen is uitdrukkelijk geen enkel non-concurrentiebeding en/of relatiebeding van toepassing. Het staat de Energy Art volledig vrij om direct of indirect betrokken te zijn bij de volgende activiteiten:

(a) het voor eigen rekening, voor rekening van een derde of in de hoedanigheid als werknemer of adviseur, verrichten van activiteiten die concurreren met of vergelijkbaar zijn met de activiteiten van de VCS Vennootschappen;

(b) het als aandeelhouder of als verstrekker van vreemd vermogen participeren in een persoon, vennootschap of organisatie die activiteiten verricht die concurreren met of vergelijkbaar zijn met de activiteiten van de VCS Vennootschappen

(c) het in dienstbetrekking staan tot, alsmede het verrichten van diensten of het verlenen van advies aan enig persoon , vennootschap of organisatie die activiteiten verricht die concurreren met of vergelijkbaar zijn met de activiteiten van de VCS Vennootschappen;

(d) het benaderen van klanten, kandidaten, relaties, afnemers en/of leveranciers van de Vennootschappen, alsmede het veroorzaken of trachten te veroorzaken dat enige werknemer, klant, kandidaat, relatie, afnemer, leverancier en/of enige andere persoon die verbonden is aan de Vennootschappen zijn zakelijke relatie met de VCS Vennootschappen verbreekt of nadelig wijzigt.

7.2 Energy Art zal gedurende een periode van 4 maanden na ondertekening van deze Overeenkomst niet zonder voorafgaande toestemming Luna werknemers van de Vennootschappen benaderen. Na deze periode is het Energy Art alsmede SMS uitdrukkelijk wel toegestaan deze werknemers te benaderen en in dienst te nemen. [persoon A] en [persoon B] (interfaces) zijn essentieel in de bedrijfsvoering van SMS en dienen beschikbaar voor SMS te zijn voor inkoopbedrag van EUR 65,-. Vanaf 1 januari 2008 maken de VCS Vennootschappen en SMS afspraken over de inzet van consultants waarbij de belangen van SMS, vanaf heden en naar de huidige en toekomstige klanten, worden gerespecteerd.

7.3 Energy Art zal gedurende een periode van 12 maanden na ondertekening van deze Overeenkomst op geen enkele andere wijze dan overeengekomen in deze Overeenkomst diensten of medewerkers in zetten op bestaande projecten van de VCS Vennootschappen, de huidige contracten en verlengingen van deze contracten van de VCS vennootschappen.

7.4 (…)

4.9 Daarnaast, zo voert [appellant] aan, heeft hij het genoemde gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen aan het feit dat de directeur van VCS, de heer [directeur VCS], vanaf het moment waarop [appellant] te kennen gaf het dienstverband met VCS te willen beëindigen, ervan op de hoogte was dat [appellant] in dienst zou treden van Energy Art B.V. Dit wordt bevestigd door een aantal e-mailberichten waarin de heer [directeur VCS] [appellant] succes toewenst in zijn verdere loopbaan zonder hem te wijzen op een mogelijke overtreding van het non-concurrentie- en relatiebeding.

4.10 Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat de afspraken die tussen een aantal

vennootschappen zijn gemaakt in het kader van de overdracht van aandelen van VCS aan de Luna Investment Groep B.V. ook jegens [appellant] direct of indirect werken. De hierboven in rechtsoverweging 5.5 weergegeven afspraken zijn onmiskenbaar gemaakt door de partijen die bij de genoemde aandelentransactie waren betrokken. [appellant] was hierbij geen partij en de genoemde afspraken hadden geen rechtsgevolgen voor de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en VCS en in het bijzonder het in die arbeidsovereenkomst non-concurrentiebeding, het relatiebeding en het geheimhoudingbeding. Ook al zouden, zoals

[appellant] stelt, de door de rechtspersonen gemaakte afspraken aan het personeel zijn bekend gemaakt, dan nog kan dit niet leiden tot het oordeel dat het door [appellant] ingenomen standpunt juist is, nu gesteld noch gebleken is dat in deze communicatie naar het personeel mededelingen zijn gedaan waaruit zou kunnen blijken dat deze afspraken ook gevolgen hadden voor het personeel, in het bijzonder ten aanzien van de in de individuele arbeidsovereenkomsten vastgelegde afspraken. Naar het voorlopig oordeel van het hof kon [appellant] derhalve aan de door de vennootschappen gemaakte afspraken niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat VCS hem niet aan het non-concurrentie- en relatiebeding zou houden.

4.11 Het betoog van [appellant] dat hij aan de inhoud van de e-mailberichten van de heer [directeur VCS] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat VCS zou afzien van het handhaven van haar rechten op handhaving van het non-concurrentie- en relatiebeding, faalt. Uit de tekst van de overgelegde e-mailberichten kan naar het oordeel van het hof slechts de gevolgtrekking worden gemaakt dat [directeur VCS] zich er niet tegen verzette dat [appellant] bij Energy Art B.V. in dienst zou treden. In het e-mailverkeer worden van de kant van [directeur VCS] geen mededelingen gedaan omtrent het non-concurrentiebeding, laat staan dat uit de inhoud zou kunnen blijken dat VCS de aanspraken die ze aan dit beding zou kunnen ontlenen prijsgaf. Ook blijkt niet dat aanspraken op grond van het relatiebeding door VCS worden prijsgegeven. Uit het in rechtsoverweging 4.2 genoemde e-mailbericht van 29 mei 2008 moest voor [appellant] duidelijk zijn dat VCS het niet toe zou staan dat hij in dienst van Energy Art B.V. werkzaamheden voor Rendo N.V. zou verrichten. Voor het door [appellant] gestelde gerechtvaardigd vertrouwen bieden de e-mailberichten derhalve onvoldoende grondslag.

4.12 Door [broer van appellant] is bij memorie van grieven aangevoerd dat ten aanzien van het non-concurrentie- en relatiebeding geen wilsovereenstemming zou zijn bereikt, omdat VCS bij het tot stand komen van het beding misbruik van omstandigheden zou zijn gemaakt. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [broer van appellant] naar voren gebracht dat hij zijn beroep op wilsgebreken bij het tot stand komen van de overeenkomst niet langer handhaaft zodat dit geen verdere beoordeling behoeft.

4.13 Naar het oordeel van het hof heeft VCS er belang bij dat haar bedrijfsdebiet door het non-concurrentie- en relatiebeding wordt beschermd. Het (niet weersproken) feit dat zij door de werkzaamheden die [appellant] in dienst van Energy Art B.V. (heeft) verricht, een belangrijke klant, Rendo N.V., is kwijtgeraakt, onderstreept dit belang, temeer nu VCS in januari 2008 door een aandelentransactie aan Energy Art B.V. voor de overname van de desbetreffende klant heeft betaald.

4.14 Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in verhouding tot het te beschermen belang van VCS niet onbillijk wordt benadeeld door het non-concurrentie- en relatiebeding.

Uit de stellingen van [appellant] komt naar voren dat het non-concurrentie- en relatiebeding hem belet om in dienst van Energy Art B.V. voor (ex-)relaties van VCS werkzaam te zijn, doch hij heeft niet, althans niet onderbouwd, gesteld dat de bedoelde bedingen hem beletten om anders dan in dienst van VCS of Energy Art B.V. inkomsten uit arbeid te verwerven.

4.15 Gelet op hetgeen hierboven onder rechtsoverweging 4.10 en 4.11 is overwogen, is het hof van oordeel dat de duur van het non-concurrentie- en relatiebeding ook na een relatief kort dienstverband, in overeenstemming is met de wederzijdse belangen van partijen, zodat het beroep [broer van appellant] op matiging van het beding niet dient te worden gehonoreerd.

4.16 Het hof is van oordeel dat de op artikel 7:653 BW gestoelde vordering van [appellant] dient te worden afgewezen. Door [appellant] is niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat het non-concurrentie- en relatiebeding hem in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst VCS werkzaam te zijn, zodat voor het betalen van een vergoeding door VCS geen grond is.

4.17 Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd tegen het door de kantonrechter in reconventie aan VCS toegekend voorschot ter zake van overtreding van het non-concurrentie- en relatiebeding begrijpt het hof aldus dat de kantonrechter dit bedrag niet had mogen toewijzen omdat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet aan deze bedingen zou mogen worden gehouden. Gelet op hetgeen hierboven daaromtrent is overwogen en nu door [appellant] niet is gesteld op grond waarvan het bedoelde voorschot overigens niet toewijsbaar is en ook geen bezwaar is geuit tegen de hoogte van het voorschot, faalt de tegen de toekenning van het voorschot geformuleerde grief.

in het incidenteel hoger beroep

4.18 Het incidenteel hoger betreft -kort weergegeven- de afwijzing van de in reconventie door VCS ingestelde vordering dat de kantonrechter [appellant] zal gebieden om per direct uit dienst te treden van Energy Art B.V. en om daar gedurende de resterende duur van het non-concurrentiebeding ook uit dienst te blijven. Deze vordering is afgewezen omdat naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter [appellant] er op zichzelf wel op mocht vertrouwen dat indiensttreding bij Energy Art B.V. door VCS werd toegestaan.

4.19 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het staat, mede gelet op de tussen partijen voorafgaande aan 1 juli 2008 gewisselde e-mail correspondentie vast dat VCS ervan op de hoogte was dat [appellant] aansluitend op het dienstverband met VCS in dienst zou treden van Energy Art B.V. Niet is voorshands aannemelijk dat VCS zich tegen de indiensttreding van [appellant] bij Energy Art B.V. heeft verzet. Integendeel, VCS heeft gedurende de periode 1 juli 2008 tot 1 augustus 2008 gebruik gemaakt van de diensten van [appellant] die in de periode door Energy Art B.V. bij VCS was gedetacheerd. Het hof begrijpt de houding van VCS aldus dat zij wel met indiensttreding van [appellant] bij VCS heeft kunnen instemmen voor zover deze zich in dienst van Energy Art B.V. van concurrerende werkzaamheden zou onthouden. Uit hetgeen naar voren is gebracht omtrent de werkzaamheden van [appellant] hebben de werkzaamheden waarmee [appellant] in dienst van Energy Art B.V. aan VCS concurrentie zou kunnen aandoen uitsluitend betrekking op zijn werkzaamheden voor Rendo N.V. en eventuele andere relaties van VCS. Nu de kantonrechter bij het bestreden vonnis [appellant] op straffe van een dwangsom heeft veroordeeld om alle contacten (via Energy Art dan wel rechtstreeks op welke wijze dan ook), met Rendo N.V. en/of met aan Rendo gelieerde ondernemingen per direct te staken, alsmede het met VCS overeengekomen relatiebeding te respecteren tot 1 juli 2009, is aan de concurrerende werkzaamheden een halt toegeroepen. Hetgeen hierboven is overwogen leidt ertoe dat naar het voorlopige oordeel van het hof VCS geen (spoedeisend) belang had bij een voorziening die ertoe strekt dat [appellant] uit dienst treedt van Energy Art B.V. De opgeworpen grief faalt. Overigens zou VCS, het hiervoor overwogene daargelaten, thans geen belang meer hebben bij toewijzing van deze vordering nu de duur van het non-concurrentiebeding reeds is verstreken.

4.20 VCS heeft haar eis vermeerderd met -kort weergegeven- de navolgende vorderingen:

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 10.000,- als voorschot op de door hem verbeurde boete wegens het schenden van het geheimhoudingsbeding;

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.785,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 238,84 (€ 69,88 wegens kosten van betekening van het bestreden vonnis, € 107,79 wegens kosten van het exploot waarbij executoriaal beslag is gelegd en € 61, 17 wegens het exploot van overbetekening van het executoriaal beslag).

4.21 Ten aanzien van het door VCS gestelde schenden van de geheimhouding door [appellant] zijn naar het voorlopige oordeel van het hof onvoldoende feiten komen vast te staan om er thans vanuit te kunnen gaan dat voorshands aannemelijk is dat in een bodemgeschil deze vordering van VCS zal worden toegewezen. Zonder nader onderzoek, waartoe de procedure in kort geding zich niet leent, kan thans niet worden vastgesteld of de informatie die door [broer van appellant], de broer van [appellant], aan laatstgenoemde ter beschikking is gesteld, en welke informatie volgens VCS de intellectuele eigendom van Eneco was, beschouwd moet worden als de in artikel 16 lid 1 van de arbeidsovereenkomst weergegeven “bijzonderheden betreffende of verband houdende met het bedrijf van werkgeefster en diens (potentiële) klanten en andere relaties, alsmede die van de aan werkgeefster gelieerde ondernemingen. In het bijzonder kan zonder nader onderzoek niet blijken of het hier ging om algemene informatie zoals [appellant] stelt of custom made materiaal zoals VCS aanvoert. Bovendien ontbreekt te dezer zake het spoedeisend belang. Dit onderdeel van de vermeerdering van eis dient derhalve te worden afgewezen.

4.22 Voor de explootkosten wegens de betekening van het vonnis van 17 november 2008, wegens het leggen van executoriaal beslag met bedoeld vonnis als titel en wegens het overbetekenen van het proces-verbaal van dit executoriale beslag, geldt dat het bedoelde vonnis hiervoor een titel biedt. Ten aanzien van dit onderdeel van de vermeerderde vordering dient VCS derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.23 Ten aanzien van de bij de vermeerdering van eis gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komt het hof tot het oordeel dat gesteld noch gebleken is dat hier sprake van een spoedeisend belang, zodat reeds om die reden VCS in deze vordering niet kan worden ontvangen.

4.24 De slotsom is dat het principaal hoger beroep geen succes heeft. Dat geldt ook voor het incidenteel hoger beroep. De grieven behoeven derhalve geen verdere bespreking.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. VCS zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 17 november 2008;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op

€ 2.682,- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief en € 254,- wegens griffierecht;

in het incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis;

verklaart VCS niet-ontvankelijk in het meer of anders gevorderde, althans wijst dit af;

veroordeelt VCS in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op

€ 1.341,- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P Fokker, H. van Loo en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

21 juli 2009.