Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK9297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
200.016.462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appartementsruzies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.016.462

(zaaknummer rechtbank 237831)

arrest van de tweede civiele kamer van 18 augustus 2009

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats];

appellante,

advocaat: mr. F. G. Schalker,

tegen:

de vereniging van eigenaars Vereniging van Eigenaars De Nieuwe Hof II,

gevestigd te Amersfoort,

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.L..J.M. Rijssenbeek.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 3 oktober 2007 van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort en de vonnissen van 5 maart 2008 en 23 juli 2008 die de rechtbank Utrecht tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de VvE) als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie heeft gewezen; van de vonnissen van 3 oktober 2007 en 23 juli 2008 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 13 oktober 2008 de VvE aangezegd van het vonnis van 23 juli 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de VvE voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden, haar eis gewijzigd en producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende de vordering van [appellante] zal toewijzen. [appellante] heeft bij memorie van grieven haar eis gewijzigd en gevorderd dat voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Alsnog bij arrest (het hof begrijpt:) in reconventie de vorderingen van [appellante] zullen worden toegewezen en in conventie de vorderingen van de VvE zullen worden afgewezen;

2. De VvE zal worden veroordeeld om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de VvE heeft voldaan aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

3. De VvE zal worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van deze procedure, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de VvE de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 juli 2008 onder 2 feiten vastgesteld. Het hof zal in hoger beroep van diezelfde feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het hof stelt voorop dat het vonnis van de kantonrechter van 3 oktober 2007 een deelvonnis betreft waarin bij dictum de conventionele vordering van de VvE is toegewezen. Voor zover een deel van het gevorderde bij dictum is toe- of afgewezen bestaat daarvan slechts één appelgelegenheid, te weten binnen drie maanden na het wijzen van het deelvonnis. Nu [appellante] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis binnen een termijn van drie maanden na 3 oktober 2007 is de termijn voor het instellen van hoger beroep in zoverre verstreken en is [appellante] niet-ontvankelijk voor zover haar klachten zijn gericht tegen de toewijzing van de vordering in conventie in eerste aanleg.

4.2 Ten aanzien van de in hoger beroep voorgestelde eiswijziging overweegt het hof dat daartegen door geïntimeerde geen bezwaar is gemaakt, zodat in het verdere verloop van de procedure zal worden uitgegaan van deze gewijzigde eis.

4.3 Het gaat in deze zaak om het volgende. In eerste aanleg in reconventie heeft [appellante] een vijftal vorderingen bij de kantonrechter ingesteld. Bij vonnis van 3 oktober 2007 heeft de kantonrechter de zaak in reconventie verwezen naar de rechtbank, omdat deze vorderingen niet tot de competentie van de kantonrechter behoorden.

4.4 [appellante] vordert in totaal een bedrag van € 83.471,- opgebouwd uit de volgende onderdelen:

1. Schade door onrechtmatig handelen ad € 15.049,-;

2. Onverschuldigde betaling aan de VvE ad € 3.000,-;

3. Onrechtmatig uitvoeren van schilderwerk door de VvE ad € 422,-;

4. Waardevermindering van het appartementsrecht door nalatigheid van de VvE ad € 40.000,-;

5. Schade door smaad en laster ad € 25.000,-.

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.

4.5 Tegen die afwijzing richt zich het hoger beroep. Het hof zal hierna de grieven afzonderlijk behandelen.

4.6 [appellante] stelt dat zij schade heeft geleden doordat de VvE ten onrechte de openbare verkoop van haar appartementsrecht heeft opgestart (grief I). Volgens haar waren de verschuldigde voorschotbijdragen betaald. Zij begroot de kosten en schade van het doen opheffen van de gelegde beslagen en het ongedaan maken van de openbare verkoop op

€ 2.018,23.

4.7 Het hof stelt vast dat namens de VvE is berekend dat [appellante] ten tijde van het gelegde beslag in ieder geval op 11 juli 2002 nog een bedrag aan de VvE verschuldigd was van € 646,20 (productie 4 bij memorie van grieven). [appellante] heeft daar tegenover geen berekening gemaakt hoe de afrekening dan volgens haar moet luiden. Uit het door haar ingeroepen bankafschrift van de VvE (productie 3 bij conclusie van antwoord) valt geen betaling voor haar appartementsrecht ([adres]) af te leiden. Zij stelt ook niet welk bedrag op haar schuld in mindering moest strekken. Ook verder heeft zij niet gesteld dat en waarom zij dat bedrag niet verschuldigd was. Aldus heeft [appellante] niet aangetoond dat de VvE ten onrechte is overgegaan tot beslaglegging en kan haar vordering tot vergoeding van schade en kosten op die grond niet worden toegewezen. [appellante] heeft niet aangevoerd dat de wijze waarop het beslag gelegd is op andere gronden onrechtmatig was, zodat haar ook daarom geen vergoeding van kosten en/of schade toekomt. Grief I faalt daarom.

4.8 In haar tweede grief stelt [appellante] dat de VvE onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met de wet, (de statuten in) de akte van ondersplitsing en het reglement van de VvE. Volgens [appellante] zijn verschillende financiële besluiten niet op de voorgeschreven wijze vastgesteld. Zij heeft de desbetreffende besluiten aangevochten bij de kantonrechter en deze vormen op dit moment nog onderdeel van een procedure aldaar.

Daarnaast stelt [appellante] dat zij teveel aan voorschotbijdragen heeft betaald, omdat deze voorschotbijdragen zijn vastgesteld aan de hand van onjuiste of ontbrekende exploitatierekeningen en begrotingen.

Zij betoogt dat zij niet aan haar stelplicht ten aanzien van de omvang van die schade kan voldoen omdat zij niet over alle benodigde stukken beschikt. Daarom verzoekt [appellante] het hof de VvE op grond van artikel 22 Rv te bevelen om een groot aantal (onderliggende) stukken over te leggen.

4.9 Voor het aanvechten van nietige of vernietigbare besluiten bestaat ingevolge artikel 5:130 jo. artikel 2:15 BW een bijzondere rechtsgang bij de kantonrechter waarvan [appellante] klaarblijkelijk ook op de hoogte is. Zolang de nietigheid, of vernietigbaarheid van de bestreden besluiten door de kantonrechter niet is vastgesteld kan in ieder geval niet worden gezegd dat de VvE onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door deze besluiten te nemen, en kan niet worden geoordeeld dat de daarop gebaseerde voorschotbijdragen onjuist zouden zijn vastgesteld.

4.10 Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat zij haar vordering (het hof begrijpt: de vordering uit onrechtmatige daad ad € 15.049,-) eerst kan onderbouwen indien het hof de VvE beveelt tot overlegging van een groot aantal stukken overweegt het hof als volgt. Deze procedure is er niet voor bedoeld om allerhande gegevens en stukken overgelegd te krijgen om daarop mogelijkerwijs een vordering te kunnen baseren. De stukken waarom [appellante] verzoekt, vormen praktisch de gehele administratie over de jaren 1999 tot en met 2009. [appellante] heeft niet aangegeven op welke wijze uit die stukken haar vordering kan worden bepaald zodat het belang ervan niet kan worden beoordeeld. Daarnaast is [appellante] sedert de oprichting in 1999 appartementseigenaar en beschikt zij blijkens haar producties over heel wat administratie van de VvE. Haar bijzonder omvangrijke verzoek gaat de perken van redelijkheid te buiten. Het hof zal daarom het verzoek van [appellante] afwijzen. Uit het voorgaande volgt dat grief II eveneens faalt.

4.11 Vervolgens heeft [appellante] in grief III gesteld dat geen rechtsgeldig besluit is genomen ten aanzien van uitgevoerd schilderwerk (het hof begrijpt: omdat de VvE ten aanzien van het uitvoeren van dat schilderwerk volgens [appellante] een beroep had moeten doen op een garantieregeling). Op grond daarvan vordert zij betaling van haar omslagdeel ad (€ 35.000,-:80 =) € 422,- van de VvE terug.

4.12 Ook hier geldt hetgeen reeds eerder is overwogen, dat voor het oordeel omtrent de rechtsgeldigheid van besluiten een bijzondere rechtsgang is aangewezen bij de kantonrechter. Indien een besluit ontbreekt, kan [appellante] dit uitlokken. Zodra er een haar onwelgevallig besluit ligt, dient zij binnen de daarvoor gestelde termijn de rechtsgeldigheid van het besluit tot het uitvoeren van schilderwerk en tot doorberekening van de daarmee gepaard gaande kosten aan de kantonrechter voor te leggen. In de onderhavige procedure kan [appellante] die bijzondere rechtsgang niet ontgaan. Reeds daarom kan het gevorderde bedrag niet worden toegewezen. Grief III faalt.

4.13 In grief IV stelt [appellante] dat sprake is van waardevermindering van haar appartementsrecht met een bedrag van € 40.000,- vanwege gebreken aan het appartementengebouw die tot op heden niet zijn hersteld. Volgens [appellante] is in een arbitrageprocedure tegen de aannemer beslist dat deze de desbetreffende gebreken (kosteloos) dient te herstellen. Zij meent dat de VvE daarom thans ten onrechte probeert daaromtrent een vaststellingsovereenkomst met de aannemer te sluiten.

4.14 De VvE heeft klaarblijkelijk de uitspraak in de arbitrageprocedure niet naast zich neergelegd, maar tracht met de aannemer tot overeenstemming te komen over de (al dan niet kosteloos) uit te voeren werkzaamheden. Een dergelijke handelwijze kan niet zonder meer als onrechtmatig worden bestempeld. Waarom de handelwijze van de VvE in dit geval onrechtmatig zou zijn, heeft [appellante] niet (nader) onderbouwd. Evenmin heeft zij op enige wijze onderbouwd waarom de (te herstellen) gebreken leiden tot het door haar genoemde schadebedrag van € 40.000,-. De onderbouwing dat de waarde van haar appartementsrecht afneemt op het moment waarop herstelwerkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd en dat de appartementen volgens makelaarsverklaringen lastig verkoopbaar zouden zijn, is daartoe niet voldoende. Aldus faalt ook grief IV.

4.15 Grief V ziet op de stelling van [appellante] dat jegens haar sprake is van smaad en laster op grond waarvan zij € 25.000 vordert van de VvE.

4.16 Hoewel blijkt dat de verhoudingen tussen [appellante] en de VvE in ieder geval gespannen zijn te noemen heeft [appellante] geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat sprake is van smaad of laster jegens [appellante] en dat op die grond jegens haar onrechtmatig is gehandeld.

Evenmin kan worden geoordeeld dat de maatstaf van artikel 2:8 BW is geschonden. Van handelen jegens [appellante] in strijd met de redelijkheid en billijkheid is niet gebleken. Het niet behandelen van ingediende vragen bij de ledenvergadering ziet kennelijk op de brief namens [appellante] van 8 augustus 2006 van 10 pagina’s met ongeveer 80 vragen (productie 26 bij conclusie van repliek in reconventie). Deze brief is aan de orde gesteld ter algemene ledenvergadering van 15 augustus 2006 (productie 28 bij conclusie van repliek in reconventie). De ledenvergadering heeft (met 34 tegen 3 stemmen) beslist deze brief niet te behandelen. Het staat de ledenvergadering vrij een dergelijk besluit te nemen. Dat een dergelijke beslissing [appellante] niet aanstaat, leidt niet tot de conclusie dat jegens haar onrechtmatig is gehandeld. [appellante] heeft niet geconcretiseerd wat zij bedoelt met de aan haar verweten “malversaties, wanbeleid en wanbeheer” noch met de aantijgingen aan haar adres in de vorm van “beledigen, beschuldigen, zwartmaken”.

Ook op dit punt heeft ten slotte te gelden dat [appellante] haar schadevordering tot een bedrag van € 25.000,- op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook grief V faalt.

4.17 Uit het falen van de voorgaande grieven vloeit voort dat daarmee grief VI eveneens vergeefs is voorgesteld. Ook de restitutievordering loopt daarop vast.

5. Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht sector Kanton locatie Amersfoort van 3 oktober 2007;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 juli 2008;

wijst de in hoger beroep vermeerderde eis af;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de VvE begroot op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 2.505,- voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, J.G.J. Rinkes en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2009.