Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BK9079

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
200.025.995
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, hoogte behoefte kind, ivm co-ouderschap verhoging van de behoefte, verdeelschema uitgaven, art 1:397 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.025.995

(zaaknummer rechtbank 232738 / FA RK 07-3626)

beschikking van de familiekamer van 17 november 2009

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de man",

advocaat: mr. P.W.M. Splinter,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. M.M. Schoots.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 5 november 2008, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 februari 2009, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de vaststelling van de omgangsregeling, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat

- de kinderen de ene week vanaf vrijdagmiddag 17.00 uur tot woensdagmiddag 17.00 uur en in de andere week vanaf maandag 12.00 uur tot woensdag 12.00 uur bij de man zullen verblijven;

- de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] aan de vrouw zal voldoen € 150,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht;

- het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud wordt afgewezen, althans op een bedrag wordt vastgesteld dat het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 april 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de man af te wijzen en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de omgangsregeling en de kinder- en partneralimentatie, en opnieuw beschikkende:

- te bepalen dat de man en de kinderen omgang zullen hebben een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school alsmede de helft van alle schoolvakanties en feestdagen;

- te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, maandelijks en bij vooruitbetaling zal voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 500,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht;

- te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, maandelijks en bij vooruitbetaling zal voldoen een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.500,- per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 3 juni 2009, waarin hij zijn verzoeken in hoger beroep handhaaft met dien verstande dat hij verzoekt, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als zorgregeling op te nemen dat de kinderen de ene week vanaf donderdag 12.00 uur tot maandag 12.00 uur bij hem zullen verblijven en de andere week van dinsdag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur althans een zorgregeling waarbij de zorg over de kinderen door de partijen bij helfte zal worden verdeeld, en in het incidenteel beroep verzoekt hij de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, het een en ander kosten rechtens.

2.4 Op 14 augustus 2009 is ter griffie van het hof een brief van mr. P.W.M. Splinter van 13 augustus 2009 ingekomen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 25 augustus 2009 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. P.W.M. Splinter, advocaat te Huizen, en de vrouw bijgestaan door mr. M.M. Schoots, advocaat te Naarden.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 27 augustus 1999 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 april 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] (hierna te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 2000, en

- [kind 2] (hierna te noemen “[kind 2]”), op [geboortedatum] 2004.

De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.3 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank voorts voor zover hier van belang bepaald:

- dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen van € 210,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- dat [kind 1] zijn gewone verblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

- dat [kind 2] zijn gewone verblijfplaats bij de man zal hebben;

- dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw dient te betalen van € 300,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- dat de man recht heeft op omgang met de kinderen en wel in de ene week van zaterdag 10.00 uur tot dinsdag 17.00 uur en in de andere week van maandag 07.45 uur tot dinsdag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties.

Ten aanzien van de man

3.5 De man is directeur en enig aandeelhouder van [de holding], verder te noemen “de holding”. De holding houdt de aandelen van [...] B.V. en 50% van de aandelen van [...] B.V. Het inkomen van de man, dat de man als directeur van de holding zelf vaststelt, bedroeg tot 1 juli 2006 € 4.479,25 bruto per maand en vanaf die datum € 3.500,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 187,- per maand. De man is daarnaast van 2005 tot 15 maart 2007 lid van de [y] geweest. In 2005 heeft de man als [x]lid € 12.327,- aan belastbaar inkomen ontvangen. Hiervan is € 6.302,- als gift gecedeerd aan de Socialistische Partij, verder de SP, zodat de man € 6.025,- per jaar ofwel € 502,- per maand overhield. In 2006 heeft de man als [x]lid € 12.117,- aan belastbaar inkomen ontvangen, waarvan hij € 10.942,- als gift heeft gecedeerd aan de SP, zodat hij € 1.175,- per jaar ofwel € 97,92 per maand overhield. Over de periode van 15 maart 2007 tot 15 maart 2009 heeft de man als voormalig [x]lid € 591,48 netto per maand aan wachtgeld ontvangen. Van dit wachtgeld is niets gecedeerd aan de SP. Met ingang van 23 maart 2009 heeft de man zijn werkzaamheden als [x]lid hervat. Van dit inkomen wordt weer 50% gecedeerd aan de SP, zodat de man zoals blijkt uit de salarisspecificatie van mei 2009 € 500,- netto per maand overhoudt. De man heeft recht op extra heffingskortingen: de combinatiekorting, de alleenstaande ouderkorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 1.112,17 aan hypotheekrente;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 267,83 aan ziektekosten in 2009:

- € 123,83 premie basisverzekering ZVW en aanvullende verzekering,

- € 187,- door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 43,- per maand voor een alleenstaande;

- € 67,83 aan premie voor de Woonzeker Arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 3.311,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificatie van juli en augustus 2008 € 1.907,40 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 135,70 per maand (7,2% van bijdrageloon). De vrouw heeft recht op extra heffingskortingen: de combinatiekorting, de alleenstaande ouderkorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

3.8 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 535,23 aan huur;

- € 214,08 aan ziektekosten in 2008:

- € 132,38 premie basisverzekering ZVW,

- € 135,70 door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW

van € 54,- per maand voor een alleenstaande.

4. De motivering van de beslissing

4.1 In geschil zijn de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De gewone of hoofdverblijfplaats van de kinderen, [kind 1] bij de vrouw en [kind 2] bij de man, staat in hoger beroep niet ter discussie.

4.2 De man heeft het hof verzocht een ouderschapsonderzoek te gelasten. De vrouw heeft verklaard dat zij daar geen voorstander van is. Het hof ziet onvoldoende aanleiding een dergelijk onderzoek te gelasten. Weliswaar verloopt de communicatie tussen partijen moeizaam, maar de communicatie die via e-mail plaatsvindt, verloopt volgens partijen zelf redelijk. Volgens partijen gaat het goed met de kinderen. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de verdeling van zorg en opvoedingstaken, die sinds twee jaar geldt en waaraan de kinderen gewend zijn, moet worden gewijzigd. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven, zodat nader onderzoek niet noodzakelijk is.

4.3 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:253a BW, zoals dat sinds 1 maart 2009 luidt, geschillen tussen de ouders omtrent de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd en dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Het hof acht van belang dat de kinderen duidelijkheid en rust krijgen over de verdeling van zorg en opvoedingstaken en is van oordeel dat het belang van de kinderen het meest is gediend met de door de man voorgestelde regeling zoals hiervoor in 2.3 beschreven. Van belang hierbij is dat de man sinds 23 maart 2009 weer tot [x]lid benoemd en daardoor ieder maandag tot ’s avonds laat buitenshuis werkt. In die situatie is het niet in het belang van de kinderen dat zij dat hele etmaal bij de man zijn. Voorts geldt dat het aantal wisselmomenten en contactmomenten tussen de man en de vrouw in die regeling lager is dan voorheen, terwijl de kinderen ook een langere aaneengesloten periode bij een van de ouders zijn en het aantal dagen dat de kinderen bij ieder van de ouders zijn niet wezenlijk afwijkt van de huidige regeling. Door het vaststellen van die regeling verwacht het hof dat de kinderen de rust krijgen die zij nodig hebben en voorts dat de ouders kunnen werken aan verdere verbetering van hun communicatie.

4.4 Partijen zijn voorts verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen.

4.5 Voor zover de man ter mondelinge behandeling heeft gesteld dat de dividenduitkering in het jaar 2005 voor de behoefteberekening niet meegenomen dient te worden, is het hof van oordeel dat dit een nieuwe grief is. Nu deze grief terstond in het inleidend beroepschrift door de man had kunnen worden aangevoerd, niet sprake is van sinds de bestreden beschikking gewijzigde feiten en omstandigheden of samenhang met genoemde verweren, op grond waarvan wijziging van de onderhavige onderhoudsbijdrage ingevolge art. 1:401 lid 1 en/of 4 BW mogelijk is, laat het hof deze nieuwe grief buiten beschouwing (vergelijk HR 29 maart 2009, LJN BG9917 en HR 19 juni 2009, LJN BI8771).

4.6 Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2008 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de werkgroep Alimentatienormen, verder te noemen de werkgroep. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de werkgroep om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is.

4.6 Het gemiddeld netto besteedbaar inkomen van de man over de jaren 2005 tot en met 2007 berekent het hof op basis van de aangiften IB van de man op € 5.318,- per maand als volgt:

2005: box 1 € 46.604, box 2 € 133.333 en box 3 € 969 minus IB € 48.171 = € 132.735,

2006: box 1 € 44.144, box 2 nihil, box 3 € 679 minus IB € 13.836 = € 30.987,

2007: box 1 € 37.911, box 2 nihil, box 3 € 218 minus IB € 10.388= € 27.741.

Samen is dat € 191.463 en gemiddeld per jaar is dat € 63.821 (€ 5.318,- per maand). Dat de man zijn inkomen als directeur van de holding in 2007 heeft verlaagd is een gegeven waarmee wel rekening kan en mag worden gehouden bij de berekening van het gezinsinkomen, net zoals met het dividend dat de man zich in 2005 heeft toegekend en de afdracht van een deel van het inkomen als [x]lid aan de SP nu dit inkomen het gezin ter beschikking stond. Het netto inkomen van de vrouw ten tijde van het huwelijk bedroeg onbestreden afgerond € 1.469,- per maand. Dat betekent dat het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk € 6.787,- per maand bedroeg (€ 5.318,- + € 1.469,-). Gesteld noch gebleken is dat het huidig netto inkomen van de man hoger is dan dit gezinsinkomen. Op basis van de tabel 2008 berekent het hof het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [kind 1] en [kind 2] op € 1.200,- per maand. Omdat er in dit geval sprake is van een situatie die min of meer gelijk is aan een verdeling bij helfte zoals bij co-ouderschap is het redelijk conform de aanbeveling van de werkgroep in hoofdstuk 5.4 van het rapport van augustus 2009 het eigen aandeel van de ouders te vermeerderen met de kinderbijslag voor de kinderen, die het hof berekent op € 143,- per maand (€ 193,73 per kwartaal voor [kind 2] en € 235,24 per kwartaal voor [kind 1]), en met de extra woonkosten van de kinderen die te stellen zijn op 16% van dit totaal, ofwel € 215,- per maand. Het aldus gevonden budget voor [kind 1] en [kind 2] samen komt dan op afgerond € 1.558, - per maand. Om deze kosten over de ouders te kunnen verdelen heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van partijen over hun uitgaven ten behoeve van de kinderen, onderverdeeld in het volgende schema, dat een bewerking vormt van het verdeelschema van mr. Bol, gepubliceerd in het Tijdschrift voor echtschiedingen (EB) 2009, afl. 1.

4.7 De kosten van een co-ouder kind worden betaald uit het budget.

Dit budget bestaat uit:

A. Eigen aandeel ouders vgl. tabel kosten kind 1.200

B. Kinderbijslag 143 +

Samen 1.343

C. Plus extra woonkosten: 16% van 1.343 = 215 +

Budget is totaal 1.558

Uitgaven voor kind budget vader moeder

1. Wooncomponent 2 x -- = 430 (50/50) 215 215

2. Dagkosten kind à 5 pd x 30= 300 -- --

3. Kindgebonden kosten oa: sport, kleding,

kinderopvang; uitzoeken hoe hoog deze

zijn en wie wat betaalt,

specificatie en toelichting bijvoegen

samen -- -- --

4. als vrije bestedingsruimte (jus voor de

extra’s) resteert dan, te verdelen naar rato

van ieders aandeel in de zorg -- + -- + -- +

samen 1.558 -- --

vader en moeder ontvangt deel KB -- -/- -- -/-

vader draagt dus zelf --

moeder draagt dus zelf --

Verdeling van de resterend deel van het budget over de ouders geschiedt naar rato van ieders draagkracht. Daartoe dient ieder van partijen draagkrachtberekeningen bij te voegen met stukken (voor zover nog niet overgelegd). In die berekeningen dient de norm voor een alleenstaande in aanmerking te worden genomen met een percentage van 70 van de draagkrachtruimte en dienen de extra heffingskortingen en andere uitkeringen ten gevolge van het wonen van een van de kinderen bij een van de ouders te worden meegenomen, vergelijk hoofdstuk 5.4 van voornoemd rapport van de werkgroep.

4.8 Ten aanzien van de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud maakt de man bezwaar tegen de vermeerdering van het verzoek van de vrouw van € 750,- per maand in eerste aanleg tot € 1.500,- per maand in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep, nu zij ingevolge artikel 362 juncto artikel 283 en 130 Rv haar eis schriftelijk mag vermeerderen of veranderen tot de afloop van het geding. Dat de vrouw ter mondelinge behandeling haar eis in hoger beroep heeft verminderd tot € 1.200,- maakt het voorgaande niet anders.

4.9 Voor de vaststelling van de hoogte van de behoefte van de vrouw gaat het hof evenals partijen en de rechtbank uit van de 60% regel. Zoals berekend hiervoor in r.o. 4.6 bedroeg het gezinsinkomen € 6.787,- per maand en het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de de kinderen € 1.200,-. De behoefte van de vrouw bedraagt dan 60% van het restant ofwel € 3.352,- netto per maand.

4.10 De man betwist dat de vrouw niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Hij stelt dat zij haar parttime werk kan uitbreiden en dat zij een bijdrage van haar vader van € 1.000,- per maand ontvangt, alsmede een huurtoeslag. De vrouw betwist dat.

4.11 Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man niet onderbouwd dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met een bijdrage van de vader van de vrouw. De vrouw heeft onbetwist verklaard dat zij geen onderhoudsbijdrage van haar vader ontvangt maar dat zij een lening heeft afgesloten bij haar vader voor de aanschaf van een auto van € 15.000,-. Gelet hierop passeert het hof deze stelling van de man. Ten aanzien van de huurtoeslag overweegt het hof dat, zelfs indien de vrouw deze toeslag zou ontvangen, dit haar behoefte niet anders maakt, nu de onderhoudsverplichting van de man voorgaat boven de bijdrage die de vrouw kan ontvangen van staatswege in de vorm van een inkomensafhankelijke huurtoeslag.

4.12 Gezien de omstandigheid dat de vrouw nog de (gedeelde) zorg heeft over [kind 1] en [kind 2] die nu 9 en 5 jaar oud zijn, partijen tijdens het huwelijk afspraken hebben gemaakt over de zorgverdeling, waarbij de vrouw minder is gaan werken om voor de kinderen te zorgen en de werkgever van de vrouw haar volgens haar verklaring ter mondelinge behandeling thans geen mogelijkheid biedt voor uitbreiding van haar werkzaamheden, is het naar het oordeel van het hof niet redelijk van de vrouw te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd aanzienlijk meer inkomen kan verwerven dan zij thans doet. Omdat de meest recente salarisspecificaties van de vrouw dateren van 2008 en de verzochte alimentatie dient in te gaan op 7 april 2009 zal het hof de vrouw in de gelegenheid stellen haar jaaropgaaf 2008 en alle salarisspecificaties over 2009 over te leggen. Aan de hand daarvan kan het hof vaststellen of en in hoeverre de vrouw behoefte heeft aan het verzochte bedrag van € 1.200,- per maand.

4.13 Partijen zijn ten slotte verdeeld over de draagkracht van de man.

4.14 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.15 Het hof maakt twee draagkrachtberekeningen, een voor de vaststelling van de alimentatie voor de kinderen en een voor de vaststelling van de partneralimentatie. In de eerste berekening neemt het hof, anders dan de rechtbank, de norm voor een alleenstaande in aanmerking en houdt het rekening met een percentage van 70 van de draagkrachtruimte gelet op de aanbeveling van de werkgroep naar aanleiding van de wijziging van art. 1:400 lid 1 BW, de voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsbijdragen. De gevonden draagkracht verdeelt het hof in beginsel gelijk over de kinderen. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw houdt het hof evenals de vrouw en conform de aanbeveling van de werkgroep in hoofdstuk 5.4 van het rapport rekening met de norm voor een co-ouder en met het daaraan gekoppeld percentage van 52,5 van de draagkrachtruimte. Daarin zijn dan de kosten van de kinderen, voor zover die voor rekening van de man komen, verdisconteerd.

4.16 Partijen zijn het erover eens dat het wachtgeld van de man als voormalig [x]lid vóór 7 april 2009 is geëindigd en dat de man sedert 29 maart 2009 als [x]lid € 500,- netto per maand ontvangt. Met dit inkomen houdt het hof rekening.

4.17 Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de man zijn inkomen uit de holding weer op het oude niveau van voor 1 juli 2006 kan brengen, overweegt het hof dat de man door zijn werkzaamheden als [x]lid minder tijd heeft om in het kader van zijn onderneming te werken. De man heeft voorts toegelicht dat hij in het verleden ziek is geweest tengevolge van een hernia en hartproblemen, en dat hij daardoor minder kon werken. In de herstelperiode heeft hij wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Daarnaast is het aantal orders thans ook geringer dan voorheen door de economische crisis, aldus de man. De vrouw heeft deze feiten en omstandigheden niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. Al deze omstandigheden tezamen maken het inkomensverlies van de man naar het oordeel van het hof op korte termijn niet voor herstel vatbaar. Daarom gaat het hof uit van het in 3.5 vermelde loon als directeur van de holding van € 3.500,- bruto per maand.

4.18 Het hof houdt, anders dan de man, geen rekening met de fiscale gevolgen van de bijtelling van de auto omdat dit de vergoeding betreft van het privé gebruik van de auto door de man en deze kosten geen voorrang hebben boven de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw en de kinderen.

4.19 De conclusie luidt dat eerst moet worden vastgesteld welke deel van de kosten van de kinderen voor rekening van de man komt en welke bijdrage de man eventueel aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van [kind 1] (en/of [kind 2]). Pas daarna kan de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw worden vastgesteld. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen nadere informatie over te leggen zoals in 4.7 overwogen met de daarbij behorende (draagkracht)berekeningen. De vrouw dient voorts haar inkomensgegevens als bedoeld in 4.12 aan het hof te zenden terwijl het hof beide partijen zal verzoeken een berekening van de draaagkracht van de man voor de vaststelling van partneralimentatie over te leggen. De stukken dienen te worden gezonden ter attentie van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van dit hof mr. B.M. Mens.

Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

stelt partijen in de gelegenheid de informatie met (draagkracht)berekeningen als bedoeld in r.o. 4.19 te zenden aan het hof ter attentie van mr. B.M. Mens uiterlijk op 8 december 2009 (met kopie aan de wederpartij), waarna ieder van partijen uiterlijk op 17 december 2009 schriftelijk (met kopie aan de wederpartij) kan reageren op de stukken van de andere partij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mens, P.L.R. Wefers Bettink en J.H. Lieber, bijgestaan door mr. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, en is op 17 november 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.